Einde inhoudsopgave
Publicatieverplichtingen voor beursvennootschappen (IVOR nr. 74) 2010/15.3.1.0
15.3.1.0 Introductie
mr. J.B.S. Hijink, datum 16-09-2010
- Datum
16-09-2010
- Auteur
mr. J.B.S. Hijink
- JCDI
JCDI:ADS580248:1
- Vakgebied(en)
Financieel recht (V)
Voetnoten
Voetnoten
De in deze paragraaf te bespreken kanttekeningen bij het betoog dat vrijwillige informatieverstrekking door beursvennootschappen volstaat, kunnen worden gezien als (uitwerkingen van) vormen van 'marktfalen'. Daarnaast kunnen in de literatuur andere, min of meer economische, rechtvaardigingsgronden worden gevonden voor het opleggen van publicatieverplichtingen. Vgl. Hertig/Kraakman/Rock (2004), p. 206-207. Zij merken op dat op sommige (in ontwikkeling zijnde) effectenmarkten sprake kan zijn van investeerders die 'too unsophisticated to demand disclosure' zijn. Hierdoor levert vrijwillige informatieverstrekking door beursvennootschappen onderproductie van informatie op. Ook merken zij op dat sprake kan zijn van 'unsophisticated investors', bijvb. vanwege irrationele gedragspatronen, waarvan de effecten in illiquide markten niet (volledig) door arbitrage worden opgelost. Aan (de houdbaarheid van) deze rechtvaardigingsgronden besteed ik hierna geen afzonderlijk aandacht meer.
In die zin o.m. Hannes (2004), p. 704-705.
Het is naar mijn mening hoogst onwaarschijnlijk dat de in de vorige paragraaf beschreven "signaling" hypothese, en de daarop gebaseerde aanname dat beursvennootschappen vrijwillig afdoende informatie verstrekken, in de praktijk werken. Een drietal relevante kanttekeningen van theoretische aard kan daarbij in ieder geval worden gemaakt.1 De eerste is dat informatie karaktertrekken vertoont van een publiek goed.2 Dit wordt ook wel het als "traditioneel" aangeduide motief genoemd voor het opleggen van publicatieverplichtingen aan beursvennootschappen.