Einde inhoudsopgave
Foutenleer (FM nr. 95) 2000/4.2.3
4.2.3 Handhaving van de balanscontinuïteit leidt tot een waardesprong in het oudste nog openstaande jaar
dr. A.O. Lubbers, datum 01-07-2000
- Datum
01-07-2000
- Auteur
dr. A.O. Lubbers
- JCDI
JCDI:ADS413232:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal procesrecht / Algemeen
Fiscaal bestuursrecht / Algemeen
Fiscaal bestuursrecht / Aanslag
Inkomstenbelasting / Algemeen
Inkomstenbelasting / Winst
Voetnoten
Voetnoten
Indien de belastingplichtige zich op het standpunt zou stellen dat de waarde van de voorraad goederen in de beginbalans van 1999 op f 25 000 moet worden gesteld, dan zou de rechter waarschijnlijk oordelen dat de verbetering van de fout op de wijze zoals door de belastingplichtige gewild niet toelaatbaar is, aangezien verbetering op die wijze tot gevolg zou hebben dat een deel van het inkomen, ten bedrage van f 15 000 onbelast zou blijven, nu geen mogelijkheid tot navordering bestaat en hij niet bereid is tot vrijwillige betaling van het bedrag dat over dit inkomensdeel aan belasting had moeten zijn geheven.
Dit resultaat is derhalve niet terug te voeren op in het jaar 1999 gedane transacties.
Onder omstandigheden wordt deze waardesprong niet in het hersteljaar tot uitdrukking gebracht. Zie hoofdstuk 7, paragraaf 7.3.1 t/m 7.3.3 inzake de toepassing van de foutenleer op onjuiste waarderingsstelsels en hoofdstuk 9 inzake de redelijke tegemoetkoming bij de toepassing van de foutenleer.
Uit hetgeen in paragraaf 4.2.2.3 is uiteengezet, volgt dat de vraag van welke waardering in de beginbalans van 1999 moet worden uitgegaan – de onjuiste waardering van f 10 000 of de juiste waardering van f 25 000 – moet worden beantwoord langs de in HR 22 oktober 1952, B. 9293, uitgezette lijnen. Aan de hand van dat arrest kunnen de volgende stappen worden gemaakt:
Als hoofdregel geldt het beginsel der balanscontinuïteit, waardoor de waardering van de voorraad goederen in de eindbalans van 1998, zijnde f 10 000, tevens heeft te gelden als waardering van de voorraad goederen in de beginbalans van 1999.
Van dit beginsel is afwijking geboden, nu bij het vaststellen van de winst voor 1999 blijkt, dat bij de waardering van de voorraad goederen in de eindbalans van 1998 een fout is gemaakt. Dit brengt mee, dat de waardering van de voorraad goederen in de beginbalans van 1999 dient plaats te vinden tegen de juiste waarde van f 25 000.
Doorbreking van de balanscontinuïteit als hiervóór onder 2 is uiteengezet, blijft in het onderhavige geval echter achterwege, nu als gevolg van de verbetering van de fout een toestand ontstaat, waarbij zonder mogelijkheid van redres – er is in de casus van de onjuist gewaardeerde voorraad goederen aangenomen dat geen mogelijkheid tot navordering bestaat en de betaling van gewetensgeld door de belastingplichtige wordt geweigerd – een deel van de winst onbelast blijft1. Hierdoor dient voor de waardering van de voorraad goederen in de beginbalans van 1999 te worden teruggevallen op de (onjuiste) waardering van f 10 000.
Uitgaande van een waardering van de voorraad goederen in de eindbalans van 1999 op f 25 000 en van een waardering van die voorraad tegen f 10 000 in de beginbalans van dat jaar, wordt in 1999 een (positieve) waardesprong van f 15 000 in het resultaat tot uitdrukking gebracht2. Deze waardesprong behoort tot de (normale) winst van dat jaar en wordt in beginsel belast tegen het progressieve belastingtarief3.