Administratieplicht en aansprakelijkheid voor het boedeltekort
Einde inhoudsopgave
Administratieplicht en aansprakelijkheid voor het boedeltekort (O&R nr. 115) 2019/5.2.3:5.2.3 De naamloze vennootschap en de besloten vennootschap
Administratieplicht en aansprakelijkheid voor het boedeltekort (O&R nr. 115) 2019/5.2.3
5.2.3 De naamloze vennootschap en de besloten vennootschap
Documentgegevens:
mr. drs. C.M. Harmsen, datum 01-07-2019
- Datum
01-07-2019
- Auteur
mr. drs. C.M. Harmsen
- JCDI
JCDI:ADS180140:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie ook: H. Beckman, bewerkt door H. Beckman en E. Marseille, Hoofdlijnen van het jaarrekeningenrecht in Nederland, Deventer: Kluwer 2013, tweede druk, p. 34, noot 30.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De naamloze vennootschap en de besloten vennootschap zijn rechtspersonen in de zin van artikel 2:3 BW. Uitgaande van hetgeen hiervoor is geconcludeerd in paragraaf 4.3, moeten deze rechtspersonen voldoen aan zowel het bepaalde in artikel 3:15i BW als aan het bepaalde van artikel 2:10 BW. Wanneer het door de naamloze vennootschap of de besloten vennootschap gedreven bedrijf of zelfstandig uitgeoefende beroep uitsluitend in Nederland opereert, zal er geen verschil zijn in de aan de vennootschap opgelegde verplichtingen. Wanneer het door de rechtspersoon gevoerde bedrijf of beroep geheel in Nederland opereert, overlappen deze verplichtingen elkaar.
Dat is anders in het geval de naamloze vennootschap of besloten vennootschap (ook) buiten Nederland werkzaamheden uitvoert zonder daarbij gebruik te maken van een afzonderlijke buitenlandse entiteit. Op grond van artikel 3:15i BW is de vennootschap dan gehouden om van haar vermogenstoestand bestaande uit zowel het in Nederland als in het buitenland aangewende vermogen1 en van alles betreffende het door hem in Nederland gevoerde bedrijf of zelfstandig uitgeoefende beroep – naar de eisen van dat bedrijf of beroep – een administratie te voeren. Wanneer de naamloze vennootschap of de besloten vennootschap ook buiten Nederland activiteiten uitvoert, dan verplicht artikel 2:10 BW de naamloze vennootschap en de besloten vennootschap niet alleen om van de gehele vermogenstoestand, dus zowel het in Nederland als het in het buitenland aangewende vermogen, een administratie te voeren, maar ook van alle in en buiten Nederland verrichte werkzaamheden, naar de eisen van de werkzaamheden. Artikel 2:10 BW gaat dus voor het voeren van een administratie van alles wat de werkzaamheden van de naamloze vennootschap of besloten vennootschap in het buitenland betreft verder dan artikel 3:15i BW.
Naast de situatie dat een naamloze vennootschap of besloten vennootschap uitsluitend in Nederland werkzaam is en de situatie dat werkzaamheden zowel in Nederland als in het buitenland worden uitgevoerd, zou zich – hoewel minder voor de hand liggend – ook de situatie kunnen voordoen, dat een naamloze vennootschap of besloten vennootschap uitsluitend in het buitenland werkzaam is. Voor die situatie is de vraag gerechtvaardigd of artikel 3:15i BW dan wel van toepassing is. Voor de hand lijkt te liggen dat in het geval de naamloze vennootschap of besloten vennootschap geen enkele activiteit in Nederland uitoefent, uitsluitend artikel 2:10 BW van toepassing is.
Het Nederlandse vermogensrecht waarvan artikel 3:15i BW deel uitmaakt, geeft rechtsregels die gelden binnen de Nederlandse rechtssfeer. Wanneer het Nederlandse recht alleen het recht van oprichting van de vennootschap is zonder dat er overige aanknopingspunten met de Nederlandse rechtssfeer zijn, lijkt er geen reden te zijn om een bepaling van Nederlands vermogensrecht van toepassing te laten zijn. Een ander argument voor het standpunt dat artikel 3:15i BW in een dergelijk geval toepasselijkheid mist, zou kunnen zijn dat artikel 3:15i BW zich primair richt tot een ieder die in de toepassingssfeer van het Nederlandse vermogensrecht een bedrijf of zelfstandig een beroep uitoefent. Wanneer geen bedrijf of zelfstandig beroep wordt uitgeoefend binnen de Nederlandse rechtssfeer, zou artikel 3:15i BW daarom niet van toepassing moeten zijn. Hoezeer voor de hand liggend dit ook is, het strookt niet met de hiervoor gegeven uitleg van artikel 3:15i BW. Op grond daarvan moet een administratie worden gevoerd van zowel het in Nederland als in het buitenland aangewende vermogen, die tezamen de vermogenstoestand van de naamloze vennootschap of besloten vennootschap weergeeft en daarnaast alleen van alles wat het bedrijf of zelfstandig uitgeoefende beroep van de naamloze vennootschap of besloten vennootschap in Nederland betreft. Ook wanneer de naamloze vennootschap of besloten vennootschap uitsluitend activiteiten ontplooit in het buitenland, is de verzameling van tot de administratie van de vennootschap behorende gegevens niet leeg maar bestaat zij uit de vermogenstoestand op basis van het uitsluitend in het buitenland aangewende vermogen. Het meest voor de hand ligt dan ook dat voor een naamloze vennootschap en besloten vennootschap met alleen werkzaamheden buiten Nederland artikel 3:15i BW wel van toepassing is, naast artikel 2:10 BW.