Einde inhoudsopgave
Vastgoedtransacties in de Europese btw (FM nr. 169) 2021/4.2.4.4.3
4.2.4.4.3 Hof van Justitie
mr. dr. M.D.J. van der Wulp, datum 01-07-2021
- Datum
01-07-2021
- Auteur
mr. dr. M.D.J. van der Wulp
- JCDI
JCDI:ADS291351:1
- Vakgebied(en)
Toeslagen (V)
Omzetbelasting / Aftrek en teruggaaf
Omzetbelasting / Belastingplichtige en -schuldige
Europees belastingrecht / Belastingen EU
Omzetbelasting / Levering van goederen en diensten
Omzetbelasting / Vrijstelling
Europees belastingrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
HvJ EU 16 februari 2012, zaak C-118/11, V-N 2012/17.18, r.o. 38 (Eon Aset Menidjmunt) en HvJ EU 2 juli 2015, zaak C-209/14, V-N 2015/34.21, r.o. 28 (NLB Leasing).
De Staatssecretaris van Financiën is op basis van het Safe-arrest een stap verder gegaan, aangezien hij sinds eind ’90 van de vorige eeuw het beleid hanteert dat bij financial leasing sprake is van een levering als bedoeld in art. 14 lid 1 Btw-richtlijn indien aan de volgende vijf voorwaarden is voldaan:1. de lessee beschikt feitelijk over het vastgoed. De lessor heeft op grond van het leasecontract het gebruik van het vastgoed door de lessee slechts beperkt om de zekerheidsfunctie van het leaseobject veilig te stellen;2. de lessee neemt de kosten van gebruik, onderhoud en verzekering van het goed voor zijn rekening vanaf het moment dat het goed aan hem ter beschikking is gesteld. Ook het risico van waardeveranderingen of het eventuele tenietgaan van het goed en het risico van terugname komen vanaf dat moment voor rekening van de lessee (lees: het economisch belang van het vastgoed berust bij de lessee);3. de lessee heeft de optie om het goed aan het eind van de leaseperiode te kopen voor een zodanig lage prijs, dat mag worden aangenomen dat hij deze optie zal uitoefenen. Een optieprijs acht de Staatssecretaris economisch ‘dwingend’ wanneer deze prijs niet meer bedraagt dan 10% van de waarde van het goed in het economische verkeer aan het eind van de leaseperiode De optieprijs is bij het aangaan van de leaseovereenkomst vastgesteld;4. de lessee heeft het recht op elk door hem gewenst moment de juridische eigendom van het goed te verkrijgen door de resterende leasetermijnen (excl. het rentebestanddeel) ineens af te lossen en de onder 3 bedoelde optieprijs te voldoen; en5. met uitzondering van de situatie beschreven bij punt 4, kan de leaseovereenkomst gedurende de looptijd niet eenzijdig worden beëindigd (besluit van 3 november 1998, nr. VB98/2276, V-N 1998/54.21, gewijzigd bij besluit van besluit van 9 maart 2000, VB 2000/400, V-N 2000/15.25 en vervangen door besluit van 25 januari 2007, nr. CPP2006/2847M, V-N 2007/11.13).
HvJ EU 16 februari 2012, zaak C-118/11, V-N 2012/17.18 (Eon Aset Menidjmunt). Dat deze zaak zonder conclusie van de A-G is berecht, betekent dat volgens het Hof van Justitie geen nieuwe rechtsvraag aan de orde was.
HvJ EU 2 juli 2015, zaak C-209/14, V-N 2015/34.21, r.o. 30 (NLB Leasing).
HvJ EU 16 februari 2012, zaak C-118/11, V-N 2012/17.18, r.o. 36 en 37 (Eon Aset Menidjmunt OOD).
Conclusie A-G Szpunar 31 mei 2017, zaak C-164/16, V-N 2017/30.16, punt 36 (Mercedes-Benz Financial Services UK).
Conclusie A-G Szpunar 31 mei 2017, zaak C-164/16, V-N 2017/30.16, punt 40 (Mercedes-Benz Financial Services UK).
Conclusie A-G Szpunar 31 mei 2017, zaak C-164/16, V-N 2017/30.16, punt 42-46 (Mercedes-Benz Financial Services UK). Anders dan Van Haaren stelt, heeft A-G Szpunar niet geconcludeerd dat bij een koopoptie geen sprake is van een levering (M.I. van Haaren, ‘Btw, de huurkooplevering en economische dwang’, WFR 2018/30, p. 188).
HvJ EU 4 oktober 2017, zaak C- 164/16, V-N 2017/55.12, r.o. 28 (Mercedes-Benz Financial Services UK). In gelijke zin: Redactie V-N, aantekening bij HvJ EU 4 oktober 2017, zaak C- 164/16, V-N 2017/55.12 (Mercedes-Benz Financial Services UK). Anders: T.M Berkhout, ‘Vastgoedcontracten met koopopties: rationeel-economisch kiezen in het btw-domein’, NTFR 2018/1091 die stelt dat door het Hof van Justitie niet is getoetst of sprake was van een reguliere levering, maar enkel of zich een levering heeft voorgedaan als bedoeld in art. 14 lid 2, onderdeel b Btw-richtlijn. Naar mijn mening blijkt uit r.o. 28 uit het Mercedes-Benz Financial Services UK-arrest, gelezen in samenhang met de door het Hof van Justitie gevolgde conclusie van A-G Spzunar, het tegendeel.
R.o. 30.
R.o. 33.
R.o. 34.
In de procestaal, het Engels, luidt deze zinsnede als volgt: “(…) That may in particular be the case where it is evident from the agreement that, when the possibility of exercising the option arises, the aggregate of the contractual instalments will correspond to the market value of the goods, including the cost of financing, and that the lessee will not be required, as a result of exercising the option, to pay a substantial additional sum.” De lezing dat de koopoptie urgerend is indien de optieprijs niet aanzienlijk hoger is dan de marktprijs (M.I. van Haaren, ‘Btw, de huurkooplevering en economische dwang’, WFR 2018/30, p. 188), acht ik op basis van de procestaal niet houdbaar.
R.o. 38. Volgens de Staatssecretaris van Financiën is een koopoptie economisch dwingend bij een optieprijs die maximaal 10% van de waarde van het vastgoed in het economische verkeer bedraagt aan het einde van de leaseperiode (besluit Staatssecretaris van Financiën 25 januari 2007, nr. CPP2006/2847M, V-N 2007/11.13, paragraaf 3.2.1). Een dergelijke grens komt mij arbitrair voor. Voor die grens is naar mijn mening ook geen steun te vinden in de jurisprudentie van het Hof van Justitie. Het is echter de vraag of deze 10%-norm bedoeld is als een harde grens. In het besluit van 3 november 1998, nr. VB98/2276, V-N 1998/54.21, paragraaf 2.2 merkte de Staatssecretaris van Financiën een dergelijke optieprijs in elk geval als economisch dwingend aan. Uit het thans geldende leasebesluit blijkt niet dat de Staatssecretaris van Financiën met de tekstuele aanpassing een wijziging heeft beoogd.
In gelijke zin: Redactie V-N, aantekening bij HvJ EU 4 oktober 2017, zaak C- 164/16, V-N 2017/55.12 (Mercedes-Benz Financial Services UK) en Wolf, commentaar bij HvJ EU 4 oktober 2017, zaak C-164/16, NTFR 2017/2565. De andersluidende opvatting van de Staatssecretaris van Financiën in het ‘leasingbesluit’ acht ik dan ook achterhaald (Staatssecretaris van Financiën 25 januari 2007, nr. CPP2006/2847M, V-N 2007/11.13, paragraaf 3.2.1).
Het Hof van Justitie maakt, onder verwijzing naar de tot 1 januari 2019 geldende International Accounting Standard (IAS) 17, een onderscheid tussen operational en financial leasing. Naar het oordeel van het Hof volgt uit IAS 17 dat financial leasing zich kenmerkt doordat de aan de eigendom verbonden voordelen en risico’s voor het merendeel (‘substantially’) worden overgedragen op de lessee.1 Zoals in paragraaf 4.2.3.3 is aangegeven, heeft het Hof van Justitie in het Safe-arrest geoordeeld dat ook vóór of zonder de overdracht van de eigendom sprake kan zijn van een levering. De omstandigheid dat de lessee ten tijde van het aangaan van de overeenkomst tot financial leasing de eigendom van het vastgoed (nog) niet verkrijgt staat daarom niet aan kwalificatie als levering in de weg. Ook de omstandigheid dat de eigendom na afloop van het financial leasingcontract niet van rechtswege overgaat op de lessee leidt volgens het Safe-arrest niet automatisch tot een verwijzing naar de ‘dienstpoort’. Op basis van het Safe-arrest valt derhalve niet uit te sluiten dat financial leasing van vastgoed waarbij de eigendom na afloop niet van rechtswege overgaat op de lessee als een levering kwalificeert.2 In het Eon Aset Menidjmunt-arrest heeft het Hof van Justitie, onder verwijzing naar het Safe-arrest, geoordeeld dat financial leasing van vastgoed (ook) als een levering kwalificeert indien de lessee aan het einde van het contract beschikt over de wezenlijke attributen van de eigendom van het vastgoed, met name omdat het merendeel van de aan de eigendom verbonden voordelen en risico’s op hem overgaat én de geactualiseerde optelsom (lees: de contante waarde) van de leasetermijnen praktisch gelijk is aan de verkoopwaarde (lees: de marktwaarde) van het vastgoed.3 In het NLB Leasing-arrest4 heeft het Hof van Justitie dit oordeel bevestigd.
Deze uitleg is niet alleen in strijd met de richtlijnhistorie, maar wringt ook met de systematiek van art. 14 Btw-richtlijn. Het is immers niet logisch dat financial leasing waarbij de eigendom aan het einde van het contract van rechtswege overgaat op de lessee op grond van art. 14 lid 2, onderdeel a Btw-richtlijn gelijkgesteld wordt met een levering (en dus geen levering is als bedoeld in art. 14 lid 1 Btw-richtlijn)5 als een ‘lichtere’ variant reeds op grond van art. 14 lid 1 Btw-richtlijn een levering kan zijn. A-G Szpunar heeft onder verwijzing naar de systematiek van art. 14 (en 15) Btw-richtlijn dan ook terecht gesteld dat de beslissing in de zaak EON Aset Menidjmunt nadere precisering behoeft.6 Hierbij lijkt ‘nadere precisering’ overigens een vriendelijk woord voor omgaan, maar dat terzijde. In de visie van de A-G kan bij leasing van vastgoed waarbij de gebruiker, de lessee, na verloop van de gebruiksperiode in beginsel gehouden is om het vastgoed terug te geven niet gezegd worden dat de lessor aan de lessee de macht om als een eigenaar over het vastgoed te beschikken heeft overgedragen.7 Daarmee sluit hij uit dat financial leasing van vastgoed een reguliere levering is als bedoeld in art. 14 lid 1 Btw-richtlijn. Op grond van art. 14 lid 2, onderdeel b Btw-richtlijn is financial leasing slechts een levering indien het zeker is dat de lessee normaliter na de looptijd van het contract de eigendom van het geleasete vastgoed verkrijgt of indien de eigendom van het vastgoed met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid overgaat. Dit laatste is naar de mening van de A-G het geval indien de lessee na het betalen van alle termijnen op grond van het contract de mogelijkheid heeft om de eigendom van het geleasete vastgoed te verkrijgen zonder aanvullende betalingen of voor een louter symbolisch bedrag.8
Het Hof van Justitie heeft het ‘preciseringsadvies’ van A-G Szpunar opgevolgd. Volgens het Hof volstaat de kwalificatie van een overeenkomst als een financial leasingovereenkomst niet om de materiële afgifte van het goed te kwalificeren als een levering in de zin van de Btw-richtlijn. Deze afgifte is slechts als een levering aan te merken indien een dergelijke overeenkomst ‘een overeenkomst is volgens welke een goed in huur wordt gegeven onder het beding dat normaal het goed uiterlijk bij de betaling van de laatste termijn in eigendom wordt verkregen’ als bedoeld in art. 14 lid 2, onderdeel b Btw-richtlijn.9 Hiervoor is in de eerste plaats vereist dat in de financial leasingovereenkomst een uitdrukkelijk beding staat inzake de overdracht van de eigendom van dat goed door de lessor aan de lessee.10 Hiervan is volgens het Hof ook sprake indien de overeenkomst een koopoptie bevat.11 In de tweede plaats is vereist dat de lessee de eigendom aan het einde van de looptijd van de overeenkomst automatisch verkrijgt wanneer de overeenkomst op de normale wijze wordt uitgeoefend.12 Hieronder dient ook de situatie te worden begrepen dat de uitoefening van de koopoptie voor de lessee weliswaar juridisch gezien facultatief is, maar in werkelijkheid, gelet op de financiële voorwaarden, de enige economisch rationele keuze blijkt te zijn. Dit is met name het geval indien de som van de bij overeenkomst bepaalde leasetermijnen overeenstemt met de marktwaarde van het goed inclusief financieringskosten en de lessee bij de uitoefening van de koopoptie geen aanzienlijk hoger bedrag moet betalen (lees: de som van de leasetermijnen plus de optieprijs is niet aanzienlijk hoger dan de marktprijs13).14 Een dergelijke uitleg vindt volgens het Hof van Justitie steun in de opzet van de Btw-richtlijn met betrekking tot de kwalificatie van de belastbare handelingen en de rechtszekerheid. Uit dit arrest volgt dat de leveringspoort van art. 14 lid 1 Btw-richtlijn voor financial leasing van goederen is gesloten.15
Zoals uit het voorgaande volgt, acht ik het in overeenstemming met de opzet van art. 14 Btw-richtlijn dat financial leasing met een koopoptie geen levering kan zijn als bedoeld in art. 14 lid 1 Btw-richtlijn. Hoewel de kwalificatie van de financial leasing van vastgoed met een urgerende koopoptie als een levering als bedoeld in art. 14 lid 2, onderdeel b Btw-richtlijn niet in overeenstemming is met de richtlijnhistorie (zie paragraaf 4.2.4.3.1) en het bestempelen van een optieprijs als de laatste termijn niet in overeenstemming is met de gebruikelijke betekenis van het begrip ‘termijn’, acht ik deze uitleg wel wenselijk. Deze uitleg is namelijk in overeenstemming met de ratio van art. 14 lid 2, onderdeel b Btw-richtlijn, de concurrentieneutraliteit, op grond waarvan een handeling waarvan het resultaat economisch gezien overeenkomt met de eigendomsoverdracht van een goed als een levering moet worden aangemerkt. Dat financial leasing van vastgoed met een urgerende koopoptie op grond van het Nederlandse civiele recht als huurkoop wordt aangemerkt (zie 4.2.4.3.2) onderstreept dat het op grond van de concurrentieneutraliteit wenselijk is om financial leasing met een urgerende koopoptie dezelfde btw-behandeling te geven als huurkoop of financial leasing waarbij de eigendom na betaling van de laatste leasetermijn van rechtswege overgaat op de huurkoper respectievelijk lessee.