Het algemene opschortingsrecht
Einde inhoudsopgave
Het algemene opschortingsrecht (R&P nr. CA27) 2024/4.7:4.7 Gevaltypen
Het algemene opschortingsrecht (R&P nr. CA27) 2024/4.7
4.7 Gevaltypen
Documentgegevens:
G.J. Boeve, datum 01-02-2024
- Datum
01-02-2024
- Auteur
G.J. Boeve
- JCDI
JCDI:ADS950365:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie § 3.7.4.3.
Zie § 4.6.1.
Zie § 4.2.2, § 4.3.1 en § 4.5.
Zie § 4.2.2, § 4.3.1 en § 4.5.
Een voorbeeld daarvan is zaakwaarneming (zie § 4.2.2).
Zie § 4.2.2, § 4.3.1 en § 4.5.
Zie § 4.2.2, § 4.3.2 en § 4.5.
Zie § 4.4 en § 4.5.
Zie § 4.4 en § 4.5.
Zie § 4.4 en § 4.5.
Zie § 4.3.3 en § 4.5.
Zie § 4.3.3 en § 4.5.
Zie § 4.3.3 en § 4.5.
Zie § 4.3.3 en § 4.5.
Zie § 4.6.2.
Zie § 4.6.3.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De beoordeling van het samenhangcriterium is een redelijkheids- en billijkheidstoets, die afhankelijk is van alle feiten en omstandigheden van het geval.1 Toch denk ik dat op basis van omstandigheden waaronder in beginsel aan het samenhangcriterium is voldaan of waaronder aan het samenhangcriterium kan zijn voldaan, een aantal gevaltypen bij het samenhangcriterium kunnen worden onderscheiden. Tevens kan op basis van omstandigheden waaronder niet aan het samenhangcriterium kan zijn voldaan een gevaltype bij het samenhangcriterium worden geformuleerd.
Gevaltypen waarin in beginsel aan het samenhangcriterium is voldaan of waarin aan dat criterium kan zijn voldaan, zijn de volgende.
a. Tussen verbintenissen over en weer bestaat voldoende samenhang om opschorting te rechtvaardigen als partijen dat zijn overeengekomen. Deze overeenstemming kan expliciet zijn bereikt, maar ook meer impliciet blijken uit de omstandigheden van het geval of daaruit worden afgeleid. Een relevante omstandigheid in dat verband kan zijn dat partijen over en weer in verband met dezelfde wederzijdse verbintenissen een opschortingsverweer voeren.2
b. Tussen verbintenissen over en weer die zijn ontstaan uit dezelfde overeenkomst bestaat in de regel voldoende samenhang om opschorting te rechtvaardigen.3
c. Tussen verbintenissen over en weer die zijn ontstaan uit dezelfde juridische grondslag bestaat in de regel voldoende samenhang om opschorting te rechtvaardigen.4
d. Tussen verbintenissen over en weer die dezelfde oorzaak hebben bestaat in de regel voldoende samenhang om opschorting te rechtvaardigen als zij voortvloeien uit dezelfde rechtsverhouding.5
e. Tussen verbintenissen over en weer die voortvloeien uit dezelfde rechtsverhouding bestaat in de regel voldoende samenhang om opschorting te rechtvaardigen.6
f. Tussen verbintenissen over en weer die voortvloeien uit een door partijen als eenheid bedoelde rechtsverhouding of als eenheid te beschouwen rechtsverhouding bestaat in de regel voldoende samenhang om opschorting te rechtvaardigen. De omstandigheid dat die verbintenissen zijn erkend in hetzelfde document kan reeds een aanwijzing zijn voor de vereiste samenhang. Andere omstandigheden waarop kan worden gelet, zijn de inhoud van de verschillende rechtshandelingen die ten grondslag liggen aan de wederzijdse verbintenissen, de onderlinge afhankelijkheid of afstemming daarvan, die mede kan blijken uit formuleringen in akten, en de wijze en het tijdstip van totstandkoming van deze rechtshandelingen. Tijdsverloop tussen deze rechtshandelingen behoeft niet te leiden tot de conclusie dat zij niet een dergelijke eenheid vormen, als uit de oorzaak van dit tijdsverloop niet zonder meer volgt dat partijen bedoeld hebben van elkaar afzonderlijk te houden rechtshandelingen te verrichten of dat deze als zodanig dienen te worden beschouwd.7
g. Tussen verbintenissen over en weer die voortvloeien uit twee of meerdere, afzonderlijke, naar hun aard en inhoud soortgelijke of vergelijkbare overeenkomsten tussen dezelfde partijen, bestaat in de regel voldoende samenhang om opschorting te rechtvaardigen.8
h. Tussen verbintenissen over en weer die voortvloeien uit twee of meerdere overeenkomsten tussen dezelfde partijen kan voldoende samenhang bestaan om opschorting te rechtvaardigen als de overeenkomsten aan elkaar verwant zijn, waarvoor gelet kan worden op de inhoud van de overeenkomsten, het doel daarvan en de partijbedoelingen.9
i. Tussen verbintenissen over en weer die voortvloeien uit zaken die partijen regelmatig met elkaar hebben gedaan bestaat in de regel voldoende samenhang om opschorting te rechtvaardigen.10
j. Tussen verbintenissen over en weer tot ongedaanmaking van hetgeen is geschied ter uitvoering van dezelfde nietige, vernietigde of ontbonden overeenkomst bestaat in de regel voldoende samenhang om opschorting te rechtvaardigen.11
k. Tussen verbintenissen over en weer tot ongedaanmaking van hetgeen is geschied ter uitvoering van dezelfde nietige, vernietigde of ontbonden overeenkomsten die een door partijen als eenheid bedoelde rechtsverhouding of als eenheid te beschouwen rechtsverhouding vormden, bestaat in de regel voldoende samenhang om opschorting te rechtvaardigen.12
l. Tussen verbintenissen over en weer tot ongedaanmaking van hetgeen is geschied ter uitvoering van dezelfde nietige, vernietigde of ontbonden overeenkomsten die kwalificeerden als zaken die partijen regelmatig met elkaar hebben gedaan, bestaat in de regel voldoende samenhang om opschorting te rechtvaardigen.13
m. Tussen een verbintenis tot ongedaanmaking van hetgeen is geschied ter uitvoering van een ontbonden overeenkomst en een schadevergoedingsvordering wegens de tekortkoming die tevens grond was voor die ontbinding, bestaat in de regel voldoende samenhang om opschorting te rechtvaardigen.14
n. Tussen verbintenissen over en weer die hun oorsprong hebben in een verschillende juridische grondslag en die niet voortvloeien uit dezelfde rechtsverhouding of zaken die partijen regelmatig met elkaar hebben gedaan, kan voldoende samenhang bestaan om opschorting te rechtvaardigen, als deze verbintenissen betrekking hebben op hetzelfde onderwerp.15
Een gevaltype waarin onvoldoende samenhang tussen de verbintenissen over en weer kan bestaan om opschorting te rechtvaardigen is de volgende.
a. Tussen verbintenissen over en weer die hun oorsprong hebben in een verschillende juridische grondslag, die niet voortvloeien uit dezelfde rechtsverhouding of zaken die partijen regelmatig met elkaar hebben gedaan en die geen betrekking hebben op hetzelfde onderwerp, kan onvoldoende samenhang bestaan om opschorting te rechtvaardigen.16