Einde inhoudsopgave
Art. 2:11 BW, doorgeefluik van bestuurdersaansprakelijkheid (IVOR nr. 106) 2017/2.1
2.1 Opzet van hoofdstuk 2
mr. C.E.J.M. Hanegraaf, datum 25-06-2017
- Datum
25-06-2017
- Auteur
mr. C.E.J.M. Hanegraaf
- JCDI
JCDI:ADS300051:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zie MvT 16 631, nr. 3, p. 3-4.
Honée 1986, p. 101 spreekt in dit kader van de “lamme die zich bedient van de blinde”.
De Eerste Misbruikwet trad op 1 juli 1982 in werking. Deze wet betreft de aansprakelijkheid van een aannemer voor sociale verzekeringspremies en loon- en omzetbelastingschulden verschuldigd door zijn onderaannemer. Zie over de drie Misbruikwetten: Vlas 1984, p. 601 en Raaijmakers 2005, p. 2-3 en p. 6.
Wet van 16 mei 1986, Stb. 1986, 276; Kamerstuknr. 16 530; in werking getreden op 1 januari 1987.
Wet van 16 mei 1986, houdende wijziging van bepalingen van het Burgerlijk Wetboek en de Faillissementswet in verband met de bestrijding van misbruik van rechtspersonen,Stb. 1986, 275; Kamerstuknr. 16 631; in werking getreden op 1 januari 1987.
Zie over deze wetgeving: Asser/Maeijer/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-II* 2009, nrs. 452 en 474 e.v.
In dit Hoofdstuk 2 schets ik het algemene kader waarin art. 2:11 BW dient te worden geplaatst.
Art. 2:11 BW dankt zijn bestaan aan het feit dat het Nederlandse recht de rechtsfiguur van de rechtspersoon-bestuurder kent. Art. 2:11 BW dient er namelijk toe te voorkomen dat een natuurlijk persoon bestuurdersaansprakelijkheid kan voorkomen door tussenschakeling van een rechtspersoon-bestuurder. Om die reden besteed ik in dit hoofdstuk aandacht aan de figuur van de rechtspersoon-bestuurder (par. 2.2). Ik ga in dat kader in op de begrippen “rechtspersoon” en “rechtspersoonlijkheid” (par. 2.2.1.). Tevens maak ik een korte opmerking over de historie van de rechtspersoon-bestuurder (par. 2.2.2.). Vervolgens sta ik stil bij landen die de figuur van de rechtspersoon-bestuurder niet kennen (par. 2.2.3) en landen die die figuur wel kennen (par. 2.2.4). De juridische grondslag van de rechtspersoon-bestuurder komt aan de orde in par. 2.2.5. De figuur van de rechtspersoon-bestuurder voorziet in een praktische behoefte. Men treft de figuur van de rechtspersoon-bestuurder met name aan in concern- en groepsverhoudingen (par. 2.2.6.1), in joint ventures (par. 2.2.6.2) en bij trustkantoren (par. 2.2.6.3).1
Aan de figuur van de rechtspersoon-bestuurder zijn verschillende voordelen verbonden ten opzichte van de situatie waarin sprake is van een natuurlijk persoon als bestuurder. Een aantal van die voordelen vermeld ik in par. 2.2.7.1. Ten aanzien van de figuur van de rechtspersoon-bestuurder kan ook een aantal (deels met elkaar samenhangende) kanttekeningen worden geplaatst. Die kanttekeningen vermeld ik in par. 2.2.7.2. Om het verschil met het bepaalde in de voorafgaande paragraaf te accentueren, duid ik die kanttekeningen aldaar gemakshalve maar even aan als “nadelen”. Dat kanttekeningen (kunnen) worden geplaatst, is mijns inziens niet zo verwonderlijk bij een rechtsfiguur die gebaseerd is op een abstract begrip als “rechtspersoon”. Ook al treedt een rechtspersoon namelijk op als bestuurder van een andere rechtspersoon, die rechtspersoon-bestuurder blijft voor de wilsvorming en wilsuiting aangewezen op natuurlijke personen.2
Art. 2:11 BW wordt wel eens omschreven als een “wettelijke vorm van doorbraak”. Teneinde art. 2:11 BW in het juiste kader te plaatsen, sta ik in par. 2.3 stil bij het begrip “doorbraak (van aansprakelijkheid)”. Daarbij ga ik in op het onderscheid tussen “vrijwillige” en “onvrijwillige” aansprakelijkheid (par. 2.3.1). In het kader van de onvrijwillige aansprakelijkheid besteed ik aandacht aan de oneigenlijke/indirecte doorbraak (par. 2.3.3.2) en de eigenlijke/directe door-braak (par. 2.3.3.3). Een grond voor doorbraak betreft de “vereenzelviging”. Bij dat begrip sta ik in par. 2.3.2 kort stil.
In de jaren tachtig van de vorige eeuw is zogenoemde “antimisbruikwetgeving” in het leven geroepen. Onder die antimisbruikwetgeving versta ik een drietal Misbruikwetten, waarvan voor het onderhavige onderzoek de Tweede en met name de Derde Misbruikwet het meest van belang zijn.3 De Tweede Misbruikwet4 (ook wel aangeduid als: de “Wet Bestuurdersaansprakelijkheid” of – kortweg – “WBA”) en de Derde Misbruikwet (ook wel aangeduid als: de “Wet Bestuurdersaansprakelijkheid in geval van Faillissement” of – kortweg – “WBF”)5 hebben beide tot doel om misbruik van rechtspersoonlijkheid te bestrijden. Ingevolge deze wetgeving kan een bestuurder (en in bepaalde gevallen ook een commissaris) aansprakelijk worden gehouden voor schulden van de bestuurde rechtspersoon in geval van kennelijk onbehoorlijk bestuur (toezicht).6Art. 2:11 BW is ingevoerd in het kader van de Derde Misbruikwet. In par. 2.4 maak ik enkele opmerkingen over de Tweede en de Derde Misbruikwet.