Einde inhoudsopgave
Open normen in het Europees consumentenrecht (R&P nr. CR4) 2011/3.9.3
3.9.3 'Alternatief' model
mr.drs. C.M.D.S. Pavillon, datum 31-08-2011
- Datum
31-08-2011
- Auteur
mr.drs. C.M.D.S. Pavillon
- JCDI
JCDI:ADS499726:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Hit 14 juni 2002, NJ 2003/112(Bramer/Colpro).
Er kan in Nederland ook van een 'alternatief' model wonden gesproken voor wat betreft de twee vernietigingsgronden uit art. 6:233. De consument beschikt over zowel een procedurele als een inhoudelijke toets. Onder b dient echter ook niet ter omzetting van de richtlijn.
Hof 's-Gravenhage 21 maart 2008, LJN BC7666, r.o. 2.6: 'Het oordeel kan dan ook niet anders luiden, dan dat artikel 5.4 van de Algemene Voorwaarden gezien het bepaalde in artikel 6:240, lid 1, tweede volzin BW wegens strijd met de wet onredelijk bezwarend is. Aan een belangenafweging kan niet worden toegekomen.'
De toetsing aan de grijze lijst volgt op papier een 'exclusieve' concrete systematiek: staat het beding niet op de lijst, dan dient het weliswaar aan de open norm te worden getoetst maar staat het er wel op, dan krijgt de gebruiker de mogelijkheid het vermoeden te weerleggen. In het laatste geval hoeft de consument, anders dan bij de 'exclusieve' concrete en in lijn met de 'alternatieve' toets, echter geen omstandigheden aan te dragen die wijzen op de oneerlijkheid van het beding.
Ktr. Meppel 12 april 2007, LJN B A2859, r.o. 6.
Rb. Amsterdam 17 december 2008, LJN BH1368 (onder q).
Hof Amsterdam 26 januari 2006, NJ F 2006/269, r.o. 4.6.
Amendement-Korthals, nr. 30 en VC II Inv. 28 januari 1985, Parl. gesch. Boek 6 (Inv. 3, 5 en 6), p. 1598.
De SER is bezorgd over het feit dat het verdwijnen van vele grijze en zwarte bedingen in een nieuwe richtlijn tot a contrario-redeneringen zou kunnen leiden. SER 2009, p. 65: 'Overigens moet worden voorkomen dat a-contrario-werking wordt toegekend, met name als bedingen die nu nog wel op de Europese of nationale lijsten staan zouden verdwijnen. Een beding kan zijn belang of rechtswaarde (blijven) bezitten, ook als het niet meer op de Europese, en dus Nederlandse, zwarte of grijze lijst voorkomt.' Inmiddels lijkt het erop dat de nationale lijsten gehandhaafd zullen blijven.
Hondius 2002, nr. 5, met verwijzing naar MvT Inv., Parl. gesch. Boek 6 (Inv. 3, 5 en 6), p. 1652. Jongeneel 2010a, p. 95 wijst erop dat het 'in beginsel' van de HR niet over het hoofd mag worden gezien. Volgens hem zal de HR niet elk beding dat met een wettelijke regeling overeenstemt goedkeuren. Vgl. Rb. Utrecht 15 juli 2009, LJN BJ6219 (in deze zaak ging de rechter wel uit van een 'alternatief' model tussen de grijze en de Europese lijst; omdat het beding op geen van beide lijsten voorkwam, eindigde de toetsing).
Volgens Ros in zijn noot onder Ktr. Rotterdam 2 augustus 2007, LJN BB6555; Prg. 2008/37, laat art. 6:237 onder 1 de opzegtermijn van drie maanden in beginsel toe en is deze uitspraak waarin een beding o.g.v. onder h van de bijlage bij de richtlijn werd uitgeschakeld daarom onjuist. Naar ik meen is niet uitgesloten dat het beding o.g.v. art. 6:233 onder a toch onredelijk bezwarend is. De rechter mag i.h.k.v. de toetsing aan de open norm aansluiting zoeken bij de Europese lijst. Terecht oordeelt Ktr. Rotterdam 28 maart 2008, LJN BC8047, r.o. 4.4 dat hoewel een beding binnen de grenzen van art 6:237 onder 1 past, het gelet op 'bijkomende omstandigheden die golden ten tijde van het sluiten van de overeenkomst' niettemin onredelijk bezwarend kan worden geacht.
Dit is wel het geval in Ktr. Terneuzen 13 januari 2010, LJN BL7332, r.o. 5-6.
Ktr. Rotterdam 28 maart 2008, LJN BC8047, r.o. 4.4.
Om deze vangnettoets uit te oefenen is de rechter afhankelijk van het partijdebat. De rechter zou kunnen overwegen om de partijen te raadplegen (vgl. par. 3.8.2 en 3.8.4). Zie bijv. Rb. Arnhem 4 maart 2009, LJN BH5981, r.o. 4.6.
Wel zijn er (schaarse) voorbeelden waarin een beroep op een dergelijk beding o.g.v. de redelijkheid en de billijkheid stukloopt: behalve Ktr. Rotterdam 28 maart 2008, LJN BC8047 kan als voorbeeld Rb. 's-Gravenhage (pres.) 31 augustus 1994, TVC 1994, p. 365 worden genoemd.
HR 23 februari 2001, NJ 2001/277, r.o. 3.8.3(Montoya en Cloudstorm/ABN AMRO). Zie ook Rb. Arnhem 9 juni 2004, LJN AP3874; Hof 's-Hertogenbosch 12 juli 2005, LJN AU4062, r.o. 4.3. De motiveringseisen bij het afwijzen van een beroep op de derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid liggen lager wanneer het beding de vergelijking met het wettelijk kader doorstaat: concl. A-G Bakels voor HR 21 december 2001, JOR 2002/45, to. 2.21.
HR 23 februari 2001, NJ 2001/277(Montoya en Cloudstorm/ABN AMRO), r.o. 3.8.3.
Ktr. Rotterdam 28 maart 2008, LJN BC8047, r.o. 4.4. Zie ook Ktr. Rotterdam 17 juli 2008, LJN BD8633. Hondius 2002, nr. 6 pleit voor een grotere terughoudendheid bij het toepassen van de redelijkheid en billijkheid.
Vgl. Hof 's-Hertogenbosch 10 mei 2005, LJN AT6107; Hof 's-Hertogenbosch 9 januari 2007, LJN AZ5890; Ktr. Rotterdam 28 maart 2008, LJN BC8047.
Een uitzondering vormt Hof 's-Hertogenbosch 26 mei 2009, LJN BI7715.
173. Een 'alternatief' model houdt in dat wanneer een beding de ene toets doorstaat, een tweede toets als vangnet fungeert. In deze paragraaf wordt de systematiek onderzocht van de open norm die dient ter omzetting van art. 3 lid 1 richtlijn, i.e. de onredelijk bezwarend-norm. Het gaat dus niet om de alternativiteit tussen de inhoudstoets en de uitoefeningstoets, die door de Hoge Raad in het arrest Bramer-Colpro is bevestigd.1 De redelijkheid en billijkheid dienen niet ter omzetting van de richtlijrmorm. Zij lopen samen met art. 6:233 onder a.2
Een 'alternatief' model biedt veel bescherming aan de consument. Dat de Nederlandse toets hoofdzakelijk een 'exclusief' concreet model volgt, sluit niet uit dat de rechter soms een 'alternatief' toetsingsmodel toepast, in de zin dat een abstracte toets (toets 1) alleen de doorslag geeft als hieruit blijkt dat het beding oneerlijk is en dat, wanneer dit niet blijkt, het beding aan een concrete omstandighedentoets (toets 2) wordt onderworpen.
Diagram 3.4
174. De norm ter omzetting van de richtlijnnorm volgt volgens de Nederlandse wet soms uitdrukkelijk een 'alternatief' model bestaand uit een abstracte (toets 1) en een concrete toets (toets 2). In geval van strijd met dwingend recht (art. 6:240 lid 1 tweede zin)3 of met art. 7:6 lid 2 en ingeval een beding voorkomt op de zwarte of de grijze lijst (en geen feiten worden aangedragen om het vermoeden te weerleggen) is de onredelijk bezwarendheid van het beding gegeven.4 Het in abstracto vastgestelde nadeel (toets 1) is dan beslissend.
175. De volgens de wet doorslaggevende abstracte vaststelling van het nadeel is dat in de praktijk doorgaans ook. Overwegingen van goede procesorde zorgen er echter voor dat zij niet altijd volstaat om de onredelijk bezwarendheid van het beding ambtshalve vast te leggen: de rechter betrekt de partijen ook bij de toetsing aan de zwarte lijst (par. 3.8.4).5 Bij de toetsing aan de open norm uit art. 6:233 onder a is een abstract nadeel zelden beslissend. De soms doorslaggevende vergelijking met de Europese lijst wijst evenwel op een 'alternatieve' systematiek.6 Een ander voorbeeld vormt de ongebruikelijkheid van een beding, die op zichzelf soms bepalend is 7
176. Het idee van een vangnettoets past zonder meer bij de door de wetgever beoogde toetsingssystematiek. Is er geen sprake van een abstract nadeel, dan trekt de consument op grond van het amendement-Korthals niet meteen aan het kortste eind. De oorspronkelijke passage over de fictieve vergelijking is juist uit art. 6:233 onder a geschrapt, opdat een beding, dat in overeenstemming is met de wet, alsnog op grond van de omstandigheden van het geval als onredelijk bezwarend kan worden aangemerkt.8
Dit geldt evenzeer ingeval een beding niet op de lijsten staat of aan de hierin gestelde normen voldoet (zoals de drie maanden uit art. 6:237 onder 1): een dergelijk beding kan alsnog op grond van de open norm worden uitgeschakeld. A contrario-redeneringen worden sterk ontmoedigd in de parlementaire geschiedenis.9 De wetgever heeft bij de toetsing van bedingen aan de lijsten een 'alternatief' model beoogd.10
177. Toch wordt het beoogde 'alternatieve' model niet zonder meer gevolgd. Wanneer een beding de toetsing aan het wettelijk kader doorstaat, vindt in de praktijk soms een doorslaggevende a contrario-redenering plaats, die abrupt een einde maakt aan de toetsing aan afdeling 6.5.3. Hondius leest in het Montoya en Cloudstorm/ABN AMRO-arrest van de Hoge Raad een dergelijke redenering: uit de overeenkomst met art. 6:236 onder g wordt het niet onredelijk bezwarende karakter van het beding afgeleid. Een beding dat voldoet aan de door de lijsten gestelde norm of overeenstemt met dwingend recht, is niet onredelijk bezwarend.11 Ook in de literatuur vinden a contrario-redeneringen plaats.12 De overeenstemming met de wet is als betoogd op zichzelf niet doorslaggevend bij de vaststelling van het onredelijk bezwarende karakter van het beding. De omstandighedentoets uit art. 6:233 onder a is dat wel. Deze toets wordt echter zelden als mogelijk vangnet aangehaald en toegepast wanneer een beding de in een grijs of zwart beding genoemde grens niet overschrijdt.13 Een uitzondering vormt:
`Uitgangspunt is dat krachtens art. 6:237 onder I BW een opzegtermijn van drie maanden niet als onredelijk bezwarend geldt. Of een beding al dan niet onredelijk bezwarend is, dient beoordeeld te worden aan de hand van de omstandigheden die golden ten tijde van het sluiten van de overeenkomst. Nu in dit geval de opzegtermijn niet langer is dan drie maanden en bovendien gesteld noch gebleken is dat ten tijde van het afsluiten van de overeenkomst sprake was van bijkomende omstandigheden, kan niet worden gezegd dat het beding onredelijk bezwarend is. '14"
Voorwaarde voor het slagen van deze 'alternatieve' toets is dat hiertoe feiten zijn gesteld of gebleken.15 Er zijn mij geen voorbeelden bekend van toetsingen waarin, na de geconstateerde overeenstemming met de wet, het beding alsnog werd vernietigd.16 Doorgaans leiden a contrario-redeneringen, net als conversies, tot uitholling van de door de wetgever beoogde vangnetrol van de onredelijk bezwarend-norm zelf.
De uitoefeningstoets vormt dan het vangnet.17 Wanneer een beding de toetsing aan de wet of de lijsten doorstaat, wordt (in plaats van naar de open norm) meteen naar de redelijkheid en billijkheid gegrepen.18 De redelijkheid en de billijkheid zouden evenwel pas aan de orde moeten komen wanneer een beding, behalve de vergelijking met het wettelijk kader, ook de concrete inhoudstoets niet doorstaat.19 Wanneer een beding de toetsing aan art. 6:233 onder a doorstaat, kan het beroep op het beding niettemin onaanvaardbaar zijn naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid.20
178. Tot slot rijst de vraag in hoeverre naar Nederlands recht sprake is van een `alternatief' toetsingsmodel, waarbij de rechter de keuze heeft tussen een inhoudelijke (toets 1) en een procedurele onredelijk bezwarendheidstoets (toets 2) (vgl. par. 2.8.3). In par. 3.6.4 is aangetoond dat hypothese 2a' niet, en 2b' zelden opgaat: een beding waarvan is vastgesteld dat er inhoudelijk niets aan schort zal niet snel om zuiver procedurele redenen op grond van art. 6:233 onder a worden uitgeschakeld.21 De onbegrijpelijkheid van een beding of het feit dat de gebruiker hier niet op heeft gewezen, is op zichzelf (zonder inhoudelijk nadeel), geen grond van onredelijk bezwarendheid. Het is eerder zo dat een naar zijn inhoud oneerlijk beding om procedurele redenen zal worden gerechtvaardigd, wat hoort bij het hierna te bespreken 'cumulatieve' model (hypothese 2b).