Mededinging en verzekering
Einde inhoudsopgave
Mededinging en verzekering (R&P nr. VR8) 2019/7.3:7.3 Toetsing van standaardvoorwaarden aan het kartelverbod
Mededinging en verzekering (R&P nr. VR8) 2019/7.3
7.3 Toetsing van standaardvoorwaarden aan het kartelverbod
Documentgegevens:
mr. drs. G.T. Baak, datum 11-12-2019
- Datum
11-12-2019
- Auteur
mr. drs. G.T. Baak
- JCDI
JCDI:ADS183626:1
- Vakgebied(en)
Mededingingsrecht / Algemeen
Verzekeringsrecht / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Verordening 3932/92, blz. 7 en Verordening 358/2003, blz. 8.
Verordening 267/2010, blz. 1 met de daarbij behorende Mededeling van de Commissie betreffende de toepassing van artikel 101, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op bepaalde groepen van overeenkomsten, besluiten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen in de verzekeringssector, PbEU 2010 C 82, van 30 maart 2010, blz. 20.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In deze paragraaf zal ik het gebruik van standaardvoorwaarden toetsen aan het kartelverbod. Het gaat dan standaardvoorwaarden die worden gebruikt in de diverse polissen die in de vorige paragraaf zijn uiteengezet, mits daaraan samenwerking tussen concurrenten ten grondslag ligt. Ik werk dat aspect van in deze paragraaf verder uit. Onder 7.3.1 toets ik standaardbeurspolissen aan de voorwaarden van artikel 101 lid 1 van het Werkingsverdrag en/of artikel 6 lid 1 van de Mededingingswet. Voor zover daaraan is voldaan en blijkt dat standaardvoorwaarden een kartel opleveren, is het relevant om de uitzondering op het kartelverbod te bespreken. Bij de toets aan de vier voorwaarden die daarvoor gelden, sta ik onder 7.3.2.
Van belang voor de bespreking in deze paragraaf is dat voor het vaststellen van gemeenschappelijke standaardpolisvoorwaarden in de verzekeringssector jarenlang door de Europese Commissie bij verordening een groepsvrijstelling werd gegeven van het kartelverbod.1 Dit hield in dat samenwerking tussen verzekeraars ten aanzien van het vaststellen van niet-bindende standaardpolisvoorwaarden werd vrijgesteld van het kartelverbod, doordat de vier voorwaarden van artikel 101 lid 3 van het Werkingsverdrag op deze vorm van samenwerking van toepassing werden verklaard. Op 24 maart 2010 is aan deze bijzondere groepsvrijstelling echter een einde gekomen doordat de Europese Commissie de groepsvrijstelling van het kartelverbod voor overeenkomsten tussen verzekeraars op het gebied van standaardpolisvoorwaarden niet heeft verlengd.2 Dat betekent concreet dat het gebruik van gemeenschappelijke standaardpolisvoorwaarden tegenwoordig buiten een groepsvrijstelling om moet worden getoetst aan de voorwaarden van artikel 101 van het Werkingsverdrag, hetzij artikel 6 van de Mededingingswet. Hoewel er dus geen groepsvrijstelling voor verzekeringen meer bestaat, kunnen toch relevante aanknopingspunten ten aanzien van het toetsen van standaardvoorwaarden aan het kartelverbod uit de vorige groepsvrijstellingsverordeningen worden afgeleid. Dat is de reden dat in deze paragraaf met regelmaat wordt verwezen naar de criteria op grond waarvan in de oude groepsvrijstellingsverordeningen een vrijstelling werd verleend voor samenwerking op het gebied van het vaststellen en het gebruik van standaardpolisvoorwaarden.
De eerste vraag bij het toetsen van standaardvoorwaarden (bij coassurantie) aan het kartelverbod, is de of sprake is van een overeenkomst, onderling afgestemd feitelijk marktgedrag of een besluit van een ondernemersvereniging. Het antwoord op die vraag staat centraal in par. 7.3.1.1.
7.3.1 Standaardbeurspolissen: een kartel?7.3.2 Verboden, maar toch toegestaan?7.3.3 Uitkomst van toetsing van standaardpolisvoorwaarden aan het kartelverbod