Einde inhoudsopgave
De kosten van de enquêteprocedure (VDHI nr. 177) 2022/8.7
8.7 Vernietiging van dechargebesluiten door de Ondernemingskamer
mr. P.H.M. Broere, datum 12-05-2022
- Datum
12-05-2022
- Auteur
mr. P.H.M. Broere
- JCDI
JCDI:ADS652348:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
HR 11 november 2016 (r.o. 5.4.2), NJ 2017/75, m.nt. P. van Schilfgaarde; JOR 2017/2, m.nt. K. Spruitenburg (Cordial).
Zie bijv. OK 16 oktober 2019 (r.o. 4.19), ARO 2019/198 (Clifden). Zie ook Josephus Jitta 2020d, p. 1081. In die aansprakelijkheidsprocedure kan een bestuurder of commissaris zich met toepassing van art. 2:16 lid 2 BW mijns inziens wel beroepen op het vernietigde dechargebesluit. Zo ook Eikelboom 2014b; Van Vught 2015, p. 1002, voetnoot 31 en p. 1005; Eikelboom 2017, p. 489-490; Eikelboom 2020, p. 239-240; Veenstra 2020a, p. 176-177; Veenstra 2020b, p. 242-243; Van Vught 2020a, p. 66, voetnoot 32 en p. 71-72; Veenstra (onder 6-7) in zijn annotatie bij OK 1 april 2021, JOR 2021/294 (Priogen); Van Vught 2022, p. 893-894. Zie in dit verband ook OK 2 februari 2017 (r.o. 5.20), ARO 2017/78 (Nieuwendijk Monumenten), waarover Van Wees & Eikelboom 2018, p. 110-111; OK 1 april 2021 (r.o. 4.59), JOR 2021/294, m.nt. F. Veenstra (Priogen). Anders nog Leijten 2002, p. 75; Geerts 2004, p. 285-286; Asser/Maeijer, Van Solinge & Nieuwe Weme 2-II* 2009/805; Klein Wassink 2012, p. 121; Van der Heijden/Van der Grinten/Dortmond 2013/367; Asser/Kroeze 2-I 2021/315. Tukker 2001, p. 127 bepleit een analoge toepassing van art. 2:16 lid 2 BW; een tussenpositie wordt ingenomen door Assink/Slagter 2013, p. 1785-1786.
Geerts (onder 1) in zijn annotatie bij OK 17 april 1997, TVVS 1997, p. 185 (Bobel). Zie ook Raaijmakers 1990, p. 173; Van Nievelt 2013, p. 84; Reumers 2020, p. 228; Veenstra 2020a, p. 165, voetnoot 3, die overigens kritisch is over de vernietiging van dechargebesluiten in faillissementsenquêtes; Schreurs (onder 8, sub e) in zijn annotatie bij OK 25 september 2020, JOR 2021/36 (Exodus); Schreurs 2022, p. 1447-1448. Zie ook nog Spruitenburg 2018, p. 225-226; Spruitenburg 2022a, p. 267-268, die voor de curator weinig waarde ziet in de vernietiging van een dechargebesluit door de Ondernemingskamer. Eikelboom 2020, p. 240 schat het aantal gevallen waarin de curator is aangewezen op art. 2:9 BW niet zo groot.
Zoals in OK 7 december 1989 (r.o. 4.13.4), NJ 1990/242 (Bredero).
Van Schilfgaarde 1990, p. 74; Wezeman 1998, p. 82.
Beckman 1994, p. 114-115. Zie ook HR 17 juni 1921, NJ 1921/737 (Deen-Perlak); HR 20 juni 1924, NJ 1924/1107 (Truffino).
HR 10 januari 1997 (r.o. 3.4.1), NJ 1997/360, m.nt. J.M.M. Maeijer; JOR 1997/29 (Staleman/Van de Ven).
Beckman 1994, p. 115; Tuijtel 2007, p. 553.
Zie bijv. OK 8 oktober 1987, NJ 1989/270, m.nt. J.M.M. Maeijer (Van der Klis); OK 27 mei 2010, JOR 2010/189, m.nt. T.M. Stevens (PCM).
HR 4 juni 1997 (r.o. 4.7.1), NJ 1997/671, m.nt. J.M.M. Maeijer; JOR 1997/82, m.nt. F.J.P. van den Ingh (Text Lite). Volgens Veenstra 2020a, p. 173-175 moet aan deze overweging geen gewicht worden toegekend, omdat zij onverenigbaar zou zijn met HR 14 december 2007, NJ 2008/105, m.nt. J.M.M. Maeijer; JOR 2008/11, m.nt. A. Doorman (DSM); HR 26 juni 2009, NJ 2011/210, m.nt. W.J.M. van Veen (onder NJ 2011/211); JOR 2009/192, m.nt. J.J.M. van Mierlo (onder JOR 2009/193) (KPNQwest). Zie ook Geerts 2004, p. 288-289; Veenstra 2020b, p. 243. Zie hiertegen, mijns inziens op goede gronden, Eikelboom 2020, p. 237-238; Van Vught 2022, p. 891-892.
HR 10 januari 1990 (r.o. 4.1), NJ 1990/466, m.nt. J.M.M. Maeijer; JOR 2021/288, m.nt. P.D. Olden (Ogem), waarover Eikelboom 2012, p. 238-239.
HR 14 december 2007 (r.o. 3.6), NJ 2008/105, m.nt. J.M.M. Maeijer; JOR 2008/11, m.nt. A. Doorman (DSM).
Leijten 2002, p. 75.
HR 4 juni 1997 (r.o. 4.7.1), NJ 1997/671, m.nt. J.M.M. Maeijer; JOR 1997/82, m.nt. F.J.P. van den Ingh (Text Lite).
Veenstra 2010, p. 45-47; Veenstra 2020a, p. 173-175; Veenstra 2020b, p. 243; Veenstra (onder 2) in zijn annotatie bij OK 1 april 2021, JOR 2021/294 (Priogen).
Eikelboom 2012, p. 248; Eikelboom 2020, p. 237-238. Vgl. ook Geerts 2004, p. 288.
Boukema 1990, p. 28; Van Schilfgaarde 1990, p. 73; Van der Grinten & Kroeze 1997, p. 13; Van Solinge 1998, p. 51; Van der Heijden/Van der Grinten/Dortmond 2013/367; Pitlo/Raaijmakers 2017, p. 297-298, p. 307 en p. 694; Van Solinge 2017, p. 506-507; Spruitenburg 2018, p. 226; Spruitenburg 2022a, p. 268. Vgl. ook OK 7 december 1989 (r.o. 4.13.5), NJ 1990/242 (Bredero); Maeijer (onder 1) in zijn annotatie bij HR 4 juni 1997, NJ 1997/671 (Text Lite).
Croiset van Uchelen 2008, p. 226; Van Wijk 2017, p. 258.
Wezeman 1998, p. 83; OK 27 mei 2010 (r.o. 3.43), JOR 2010/189, m.nt. T.M. Stevens (PCM); OK 5 april 2012 (r.o. 6.135), JOR 2013/41, m.nt. C.D.J. Bulten (Fortis).
Vgl. Bulten (onder 9) in haar annotatie bij OK 5 april 2012, JOR 2013/41 (Fortis).
Partiële vernietiging vond bijv. plaats in OK 5 april 2012, JOR 2013/41, m.nt. C.D.J. Bulten (Fortis). Zie ook Van Vliet 1990a, p. 781.
Bij gebleken wanbeleid kan de Ondernemingskamer als eindvoorziening een dechargebesluit van de algemene vergadering vernietigen. De Ondernemingskamer kan een dechargebesluit ook vernietigen na afloop van de vervaltermijn van art. 2:15 lid 5 BW.1
De vernietiging van dechargebesluiten door de Ondernemingskamer kan voor de rechtspersoon de weg openen of vergemakkelijken om aansprakelijkheidsprocedures tegen bestuurders en commissarissen te starten.2 De vernietiging van dechargebesluiten kan verder de curator helpen, als hij is aangewezen op art. 2:9 BW (jo. art. 2:149/259 BW). Dat kan bijvoorbeeld het geval zijn als een aansprakelijkheidsactie op grond van art. 2:138/248 BW (jo. art. 2:149/259 BW) niet meer mogelijk is omdat tussen de periode van wanbeleid en de datum van faillissement meer dan drie jaren zijn verstreken.3
De grondslag voor de bevoegdheid tot vernietiging van een dechargebesluit door de Ondernemingskamer ligt in de bevoegdheid van de Ondernemingskamer bij eindvoorziening besluiten van de algemene vergadering te schorsen of vernietigen (art. 2:355 lid 1 BW jo. art. 2:356 sub a BW). Twee situaties moeten hier worden onderscheiden: de situatie waarin de verleende decharge wanbeleid vormt, althans aan sanering van de rechtspersoon in de weg staat,4 en de situatie waarin de verleende decharge tot stand is gekomen op basis van onjuiste of onvolledige informatie, die als wanbeleid kwalificeert.5
In de tweede situatie vormt het dechargebesluit geen wanbeleid, en is vernietiging daarvan niet aan de orde. Vernietiging van het dechargebesluit heeft in dat geval geen zin, omdat de verleende decharge zich niet uitstrekt over de niet in de jaarstukken tot uitdrukking komende werkelijke stand van zaken.6 De reikwijdte van de verleende decharge is immers beperkt tot de wijze waarop de uitkomsten van het beleid in de jaarrekening zijn weergegeven.7 Blijkt bepaalde informatie niet uit de stukken die ten grondslag liggen aan de verleende decharge en vormt dit wanbeleid, dan strekt de decharge zich sowieso niet uit over een op basis van deze ontbrekende informatie gegronde aansprakelijkheidsactie. Een verleende decharge geldt alleen voor hetgeen uit de jaarrekening blijkt of de algemene vergadering anderszins is bekendgemaakt. Zij strekt zich niet uit over informatie waarover een individuele aandeelhouder uit anderen hoofde, buiten de algemene vergadering om, de beschikking heeft verkregen.8 Over verzwegen essentiële informatie strekt een verleende decharge zich niet uit en een decharge zal bovendien geen werking hebben voor zover deze door misleiding tot stand is gekomen.9
Vormt het dechargebesluit een uiting van wanbeleid of staat het aan sanering van de rechtspersoon in de weg – de hiervoor genoemde eerste situatie – dan kan de Ondernemingskamer het dechargebesluit vernietigen.10 In Text Lite geeft de Hoge Raad de Ondernemingskamer ook ruimte om dechargebesluiten te vernietigen als daarmee uit het wanbeleid voortgevloeide gevolgen zoveel mogelijk ongedaan worden gemaakt.11
In Ogem zijn eindvoorzieningen door de Hoge Raad aangemerkt als ‘maatregelen van reorganisatorische aard binnen de onderneming van de betrokken rechtspersoon’.12 In DSM overwoog de Hoge Raad bovendien dat ‘voor het treffen van voorzieningen als bedoeld in art. 2:356 BW slechts plaats is indien dit gerechtvaardigd is met het oog op de met de regeling van het enquêterecht beoogde sanering en herstel van gezonde verhoudingen door maatregelen van reorganisatorische aard binnen de onderneming van de rechtspersoon’.13 Leijten bepleit in dit kader een verruiming naar de mogelijkheid van vernietiging van besluiten wegens de opening van zaken, de vaststelling van de verantwoordelijkheid voor mogelijk blijkend wanbeleid en preventie.14 De doeleinden van de enquêteprocedure worden in die opvatting mijns inziens echter verward met de hiervoor weergegeven doeleinden van de vernietiging van besluiten als eindvoorziening.
In de literatuur is de vraag of de vernietiging van een dechargebesluit past als maatregel van reorganisatorische aard bij een failliete rechtspersoon – zoals in Text Lite15 – ontkennend beantwoord door Veenstra.16 Met Eikelboom zou ik echter willen aannemen dat de vernietiging van een dechargebesluit passend is als maatregel van reorganisatorische aard, verstaan als maatregel die in een faillissementsenquête het proces van de vereffening in faillissement bevordert, althans ervoor zorgt dat in het kader van de vereffening zo veel mogelijk de situatie kan worden nagebootst waarin geen wanbeleid had plaatsgevonden.17 Ook in faillissementsenquêtes bestaat dan ruimte voor de vernietiging van dechargebesluiten.
Als argument tegen de mogelijkheid van vernietiging van dechargebesluiten door de Ondernemingskamer is wel aangedragen dat decharge de aansprakelijkheid van bestuurders en commissarissen betreft. Beargumenteerd wordt dan dat de enquêteprocedure niet is gericht tegen de bestuurders en commissarissen, maar tegen de rechtspersoon, en dat de persoonlijke aansprakelijkheid van bestuurders en commissarissen geen onderwerp is van de enquêteprocedure.18
Deze visie doet mijns inziens geen recht aan de betekenis van een verleende decharge. Decharge betreft geen aansprakelijkheid, maar neemt veeleer een middenpositie in tussen het afleggen van verantwoording en aansprakelijkheid. De decharge is het sluitstuk van een discussie waarin bestuurders en commissarissen verantwoording afleggen.19 De vernietiging van het dechargebesluit preludeert ook niet op de aan de civiele rechter overgelaten beslissing over de vordering op grond van art. 2:9 BW. De vernietiging van een dechargebesluit impliceert dan ook geen oordeel over aansprakelijkheid.20
Ik merk overigens nog op dat afhankelijk van de formulering van het vernietigde dechargebesluit de mogelijkheid bestaat dat ook niet voor het wanbeleid verantwoordelijke functionarissen worden getroffen door de vernietiging van het dechargebesluit, omdat ook zij aansprakelijk kunnen worden gesteld door de rechtspersoon.21 De partiële vernietiging van het dechargebesluit kan in een dergelijk geval uitkomst bieden.22