Einde inhoudsopgave
Financiering en vermogensonttrekking door aandeelhouders (VDHI nr. 120) 2014/17.4.3
17.4.3 De rol van de redelijkheid en billijkheid bij uitkeringen
mr. J. Barneveld, datum 18-09-2013
- Datum
18-09-2013
- Auteur
mr. J. Barneveld
- JCDI
JCDI:ADS409109:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zo volgt uit HR 30 juni 1944, NJ 1944, 465 (Wennex); HR 13 november 1959, NJ 1960, 472 (Melchers); HR 19 februari 1960, NJ 1960, 473 (Aurora). In preambule 9 van de Code Frijns wordt overwogen dat aandeelhouders in beginsel niet gebonden zijn aan het richtsnoer van het vennootschappelijk belang en in beginsel – en binnen het kader van de maatstaven van redelijkheid en billijkheid – hun eigen belangen mogen nastreven.
Zo overweegt Maeijer: “Naar mijn inzicht mag de aandeelhouder bij het uitoefenen van zijn zeggenschapsrecht in beginsel zijn eigen belang behartigen doch kent ook deze bevoegdheid haar grenzen, in het bijzonder daar waar de aandeelhouder hierbij andere belangen zoals het belang van zijn mede-aandeelhouders of dat van vennootschap en onderneming, onevenredig zou schaden en aldus naar redelijkheid niet tot die uitoefening had kunnen komen.” (Maeijer 2000, p. 386). Ook Schouten benadrukt in zijn proefschrift dat uit de hiervoor aangehaalde arresten niet kan worden afgeleid dat aandeelhouders altijd in hun eigen belang mogen handelen, zonder daarbij beperkt te worden door de redelijkheid en billijkheid (Schouten 2012, p. 221-222). Aldus ook Huizink, Groene Serie Rechtspersonen 2011, art. 2:8 BW, aantekening 2. Algemeen wordt aangenomen dat bij de vaststelling van wat de redelijkheid en billijkheid eisen, niet alleen dient te worden aangesloten bij art. 3:12 BW, maar tevens inspiratie kan worden ontleend aan art. 3:13 BW inzake misbruik van bevoegdheid, zie ook Koelemeijer 1999, p. 31-45.
Slagter heeft betoogd dat in tegenstelling tot de AV, de individuele aandeelhouder niet gebonden zou zijn aan de regels van de redelijkheid en de billijkheid (Slagter 2012a). De Jongh heeft deze stelling (mijns inziens overtuigend) bestreden (De Jongh 2012 met naschrift van Slagter 2012b).
Zie over de ontwikkeling van de redelijkheid en billijkheid binnen het vennootschapsrecht, mede in het licht van het evenredigheidsbeginsel, De Jongh 2011, p. 608-618.
Vgl. De Jongh 2011, p. 608-618, Asser/Maeijer 2-II 1997, nr. 46 en Van Schilfgaarde/Winter 2009, nr. 67 onder c. Vgl. art. 3:13 lid 2 BW.
Aldus ook Huizink 2013, par. 3. Dit komt ook tot uitdrukking in de Code Frijns; in het slot van genoemde preambule 9 wordt aangegeven dat de verantwoordelijkheid van aandeelhouders tegenover de vennootschap, minderheidsaandeelhouders en andere bij de vennootschap betrokkenen groter zal zijn naarmate zij een groter belang in de vennootschap houden.
Assink heeft opgemerkt dat “verantwoord aandeelhouderschap” vereist dat in een situatie waarin een meerderheidsaandeelhouder een vennootschap via het bestuur daadwerkelijke feitelijk controleert, die meerderheidsaandeelhouder dient te waken over de gerechtvaardigde belangen van de vennootschap (Assink 2009, p. 107).
Van der Sangen 2003, p. 31.
OK 10 januari 2008, JOR 2008/39, Ondernemingsrecht 2008/37 (PCM I) en OK 27 mei 2010, JOR 2010/189, Ondernemingsrecht 2010/91 (PCM II). Zie over de zaak ook Kaemingk 2012, Mol 2010, Barneveld 2009a en Schoordijk 2009.
Anders dan het bestuur, mogen aandeelhouders zich naar Nederlands recht in beginsel richten op hun eigen belang. Deze hoofdregel wordt algemeen afgeleid uit een drietal arresten dat de Hoge Raad ruim een halve eeuw geleden wees en is voor de beursvennootschap tevens neergelegd in de Corporate Governance Code.1 De vrijheid van de aandeelhouder om zijn eigen belangen te bevorderen is echter niet onbegrensd: hij is onderworpen aan de norm van redelijkheid en billijkheid voortvloeiende uit art. 2:8 BW.2 Niet alleen de uitoefening van de bij wet of statuten aan de aandeelhouder toegekende bevoegdheden kan worden getoetst aan de redelijkheid en billijkheid, maar ook ander gedrag van de aandeelhouder jegens de vennootschap.3
Naast de traditionele interpreterende, aanvullende en corrigerende functies, zijn de redelijkheid en billijkheid in het vennootschapsrecht steeds meer een gedragsregulerende rol gaan vervullen.4 In de kern vergen de redelijkheid en billijkheid van de aandeelhouder dat hij zijn eigen belang afweegt tegen de gerechtvaardigde belangen van de andere bij de vennootschap betrokken personen, waarbij zijn eigen belang weliswaar een gewichtige rol mag spelen, maar hij de belangen van de andere betrokkenen na de afweging ontziet als deze anders onevenredig zouden worden geschaad.5 Het gaat hierbij om de belangen van eventuele medeaandeelhouders, werknemers en crediteuren, die in de regel tot uitdrukking komen in het vennootschappelijk belang.
De mate waarin een aandeelhouder met de belangen van de overige stakeholders rekening moet houden, is ten eerste afhankelijk van zijn zeggenschapspositie binnen de vennootschap. Naarmate de aandeelhouder een grotere stem heeft in de AV, en dus een grotere invloed kan uitoefenen op de besluitvorming en de gang van zaken binnen de vennootschap, rust op hem een grotere verantwoordelijkheid jegens de vennootschap.6 Hetzelfde geldt voor de aandeelhouder die door aanwending van zijn feitelijke macht over het bestuur of door gebruikmaking van een statutair instructierecht, een hoge mate van controle uitoefent over het beleid van de vennootschap.7 Daarnaast is relevant in welke mate de belangen van derden in het geding zijn. Is sprake van een omvangrijke, geïnstitutionaliseerde onderneming of juist van een eenpersoonsvennootschap zonder werknemers? Met name als het handelen van de aandeelhouder invloed heeft op de continuïteit van de onderneming op korte of lange termijn, zal hij niet zonder meer voorbij kunnen gaan aan de gerechtvaardigde belangen van deze derden.8 Hieruit vloeit mijns inziens voort dat een aandeelhouder bij een vermogensonttrekking niet altijd voorbij kan gaan aan het zelfstandige belang van de vennootschap. Als er sprake is van een grote, geïnstitutionaliseerde onderneming, volgt uit art. 2:8 BW dat een aandeelhouder zich zal moeten onthouden van vermogensonttrekkingen die ernstig in strijd zijn met de strategie van de vennootschap. Dit uitgangspunt lees ik ook in de eindbeschikking van de OK in de PCM-procedure.9