De autonomie van de leraar
Einde inhoudsopgave
De autonomie van de leraar (SteR nr. 64) 2024/3.3.1:3.3.1 Inleiding
De autonomie van de leraar (SteR nr. 64) 2024/3.3.1
3.3.1 Inleiding
Documentgegevens:
J.S. Buiting, datum 07-02-2024
- Datum
07-02-2024
- Auteur
J.S. Buiting
- JCDI
JCDI:ADS949413:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De vrijheid van onderwijs, zoals geregeld in artikel 23 van de Grondwet, biedt een volgend aanknopingspunt om de autonomie van de leraar vanuit juridisch perspectief in te kaderen. De vrijheid van onderwijs bestaat uit verschillende deelvrijheden. Namelijk de vrijheid om een school te stichten, de vrijheid om aan deze school een bepaalde godsdienstige of levensbeschouwelijke richting te geven en de vrijheid om deze school in te richten. In het kader van de autonomie van de leraar is voornamelijk de vrijheid van inrichting van belang. Om vast te stellen hoe de autonomie van de leraar zich verhoudt tot artikel 23 van de Grondwet, moet onderscheid gemaakt worden tussen openbaar en bijzonder onderwijs.
Het openbaar onderwijs wordt van overheidswege gegeven en is neutraal.1 Met neutraal wordt bedoeld dat het openbaar onderwijs van overheidswege wordt georganiseerd en dat alle godsdienstige en levensbeschouwelijke richtingen in gelijke mate door de overheid gerespecteerd worden. Het bijzonder onderwijs gaat daarentegen uit van burgers en hangt veelal een bepaalde godsdienstige of levensbeschouwelijke richting aan. De vrijheid van de bijzondere school om onderwijs aan de hand van een bepaalde godsdienstige of levensbeschouwelijke richting te geven, wordt de vrijheid van richting genoemd. De vrijheid van richting komt enkel toe aan het bijzonder onderwijs. De richting als onderscheidend kenmerk van het bijzonder onderwijs ten opzichte van het openbaar onderwijs wordt tegenwoordig gerelativeerd. Veel bijzondere scholen hangen niet langer actief een bepaalde godsdienstige of levensbeschouwelijke richting aan en geven – net als openbare scholen – neutraal onderwijs, ook is het niet langer noodzakelijk om een bepaalde richting aan te hangen bij het stichten van een bijzondere school. Ten slotte speelt bij de schoolkeuze vaak niet langer de richting een bepalende rol, maar zijn de pedagogisch-didactische visie en andere kenmerken van de school van belang.2 Daarnaast is van belang dat het onderscheid tussen het openbaar en bijzonder onderwijs in het middelbaar en hoger beroepsonderwijs in de praktijk niet bestaat. Alle scholen in deze sectoren zijn bijzonder, hoewel het grootste deel geen specifieke religieuze of levensbeschouwelijke richting uitdraagt.
In deze paragraaf wordt dieper ingegaan op de vrijheid van richting en inrichting van de bijzondere school en op de pedagogische autonomie van het openbaar onderwijs. Hierna wordt beschreven aan wie deze autonomie toekomt. Daarna wordt beschreven op welke wijze deze autonomie beperkt kan worden. Ten slotte wordt stilgestaan bij drie andere aspecten van artikel 23 van de Grondwet die mogelijk raken aan de autonomie van de leraar. Namelijk de benoemingsvrijheid van de bijzondere school, de bevoegdheid van de wetgever om bekwaamheids- en zedelijkheidseisen vast te stellen en de vrije keuze van leermiddelen.