Einde inhoudsopgave
Informatierechten van aandeelhouders (IVOR nr. 134) 2024/6.6
6.6 Slotbeschouwingen
mr. P.L. Hezer, datum 27-05-2024
- Datum
27-05-2024
- Auteur
mr. P.L. Hezer
- JCDI
JCDI:ADS971853:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Onder een reglement wordt doorgaans verstaan een samenstel van regels die het interne functioneren van de vennootschap en/of haar organen betreffen (zie Asser/Kroeze 2-I 2021, nr. 184; en Assink 2013, p. 167).
De reikwijdte van reglementaire informatierechten wordt met name bepaald door artikel 2:25 BW. Reglementaire bepalingen die in strijd zijn met dwingend recht of de statuten zijn derhalve niet verbindend. Dit laat mijns inziens ruimte voor de eerder in dit hoofdstuk omschreven aanvullende informatierechten en bepalingen die zien op de nadere invulling van wettelijke informatierechten. Gezien het dwingende karakter van de wettelijke informatierechten, meen ik dat zij niet reglementair kunnen worden beperkt of uitgesloten. Wel meen ik dat de aard en strekking van de reglementaire informatierechten de uitleg en toepassing van wettelijke informatierechten kunnen inkleuren, gelijk het geval is voor contractuele informatierechten.
Zie Assink/Slagter 2013, p. 167.
De wet bevat geen regeling voor de vaststelling, wijziging of intrekking van reglementen. Tenzij de statuten anders bepalen, geschiedt dit bij meerderheidsbesluit van het betreffende orgaan of, indien het een alomvattend reglement betreft, de algemene vergadering (zie Asser/Kroeze 2-I 2021, nr. 184 onder (b)). Zo wordt een bestuursreglement bijvoorbeeld vastgesteld door het bestuur en wordt het reglement van een commissie van de raad van commissarissen vastgesteld door de raad van commissarissen. Dergelijke reglementen kunnen verplichtingen bevatten over informatieverstrekking aan aandeelhouders, bijvoorbeeld in het geval van een tegenstrijdig belang. Betreft het een alomvattend reglement over informatierechten van aandeelhouders, ook wel aangeduid als een ‘informatieprotocol’, dan zal de algemene vergadering bevoegd zijn tot vaststelling, wijziging en intrekking daarvan.
Vgl. Rb. Overijssel 19 januari 2022, RO 2023/73 (SES Nederland), waarin een reglement lijkt te zijn voorgesteld door het bestuur in reactie op discussies over de informatieverstrekking aan aandeelhouders (r.o. 2.5). Een vergelijkbare situatie lijkt zich te hebben voorgedaan in Hof Amsterdam (OK) 28 november 2023, ECLI:NL:GHAMS:2023:3116 (Trentrop).
Zie par. 5.2.4.5.3 hiervoor.
Rb. Overijssel 19 januari 2022, RO 2023/73 (SES Nederland).
Zie Hof Amsterdam (OK) 25 oktober 2023, JOR 2024/89 m.nt. P.L. Hezer (Steenfabriek II), r.o. 4.18, waarin wordt verwezen naar een uitspraak van de OK-functionaris die de notitie heeft opgesteld: “Op de vraag wat de status is van de notitie geeft Bijkerk aan: “De notitie is niet vastgesteld maar er wordt langs de lijnen van die notitie wel geopereerd.”” Ik maak hieruit op dat de notitie niet werd gezien als een overeenkomst, maar dat hiermee werd omgegaan als ware het een vastgesteld reglement. In Rb. Overijssel 19 januari 2022, RO 2023/73 (SES Nederland), r.o. 2.5 wordt verwezen naar een informatieprotocol voorgesteld door het bestuur waarmee beide aandeelhouders hebben ingestemd.
Zie Hof Amsterdam (OK) 25 oktober 2023, JOR 2024/89 m.nt. P.L. Hezer (Steenfabriek II), r.o. 4.18, waaruit blijkt dat de STAK-bestuurder had aangegeven schriftelijk te willen reageren op de informatienotitie, maar dat kennelijk niet meer heeft gedaan. Zie Rb. Overijssel 19 januari 2022, RO 2023/73 (SES Nederland), r.o. 2.5, waaruit blijkt dat de minderheidsaandeelhouder weliswaar instemde met het informatieprotocol, maar zich daarbij het recht voorbehield om die instemming later weer in te trekken (het protocol zou “schoorvoetend en voorlopig [zijn] geaccepteerd”, zie r.o. 3.3.1).
Zie Hof Amsterdam (OK) 25 oktober 2023, JOR 2024/89 m.nt. P.L. Hezer (Steenfabriek II), r.o. 4.23, waarin de Ondernemingskamer bij de beoordeling of de vennootschap tekort was geschoten in de informatievoorziening onder meer eraan hecht dat de informatienotitie in de praktijk werd gevolgd. Zie Rb. Overijssel 19 januari 2022, RO 2023/73 (SES Nederland), r.o. 3.3.3, waarin de Rechtbank een hoge drempel aan te nemen waar het zag op de stelling van de beweerdelijk ontoereikend geïnformeerde minderheidsaandeelhouder dat zij, naast op de informatie die zij op grond van het protocol dient te krijgen, structureel recht zou hebben op de door haar gevorderde informatie.
Ik wijs terzijde op Hof Amsterdam (OK) 28 november 2023, ECLI:NL:GHAMS:2023:3116 (Trentrop), waarin de Ondernemingskamer in haar beoordeling van de informatieverstrekking door de vennootschap acht sloeg op het gegeven dat de vennootschap een informatieprotocol voorstelde voor de periode waarin de aandeelhouder niet langer in het bestuur van de vennootschap vertegenwoordigd zou zijn (zie r.o. 2.26 en 3.28).
Zie Assink/Slagter 2013, p. 167.
Het vennootschapsrecht laat partijen in belangrijke mate de vrijheid om de informatierechten van aandeelhouders naar eigen inzicht en behoeften vorm te geven. Ik heb de indruk dat in de praktijk met name aanvullende informatierechten worden toegekend. In vennootschappen met buitenlandse aandeelhouders lijkt daarbij veelal aansluiting te worden gezocht bij informatierechten uit buitenlandse rechtsstelsels waarmee de betrokken aandeelhouders reeds bekend zijn. Ook de regulering van wettelijke informatierechten, door een nadere invulling te geven aan bepaalde open wettelijke normen of logistieke aangelegenheden, heeft een duidelijke meerwaarde. Relatief weinig behoefte lijkt te bestaan aan de beperking van informatierechten en het Nederlands recht biedt daartoe ook beperkt ruimte. Wel kan er behoefte zijn aan het vastleggen van de contouren van de mate waarin aandeelhouders recht hebben op toegang tot informatie van de vennootschap.
In het algemeen worden dergelijke regelingen contractueel vastgelegd. Dit soort contractuele informatierechten zullen meestal geen aanleiding geven tot complexe juridische vragen. Dat is anders wanneer geschillen ontstaan die verband houden met de wisselwerking tussen de contractuele regeling en het vennootschapsrecht. Op dit punt lijkt de Nederlandse doctrine bepaald niet uitontwikkeld. De ontwikkeling van een duidelijke en bestendige lijn ten aanzien van de vennootschapsrechtelijke doorwerking van aandeelhoudersovereenkomsten zou van grote waarde zijn voor de wetenschap en (met name) de praktijk. Persoonlijk ben ik, mede gezien het belang van partijautonomie en contractsvrijheid, een voorstander van een ruime doorwerking van aandeelhoudersovereenkomsten in het vennootschapsrecht.
Partijen kunnen ook ervoor kiezen om regelingen over de toegang van aandeelhouders tot informatie van de vennootschap op te nemen in een reglement.1 Dergelijke reglementaire informatierechten kunnen een vergelijkbare reikwijdte hebben als de hiervoor besproken contractuele informatierechten.2 Ook zou het gebruik van reglementen in ieder geval een deel van de in de inleiding genoemde bezwaren die veelal worden geuit tegen statutaire informatierechten wegnemen. Ik meen dat reglementaire informatierechten daardoor ook een eigen rol en functie kunnen vervullen naast (of in plaats van) contractuele informatierechten.
Zoals bijvoorbeeld statuten of besluiten, binden reglementen in beginsel eenieder die deel uitmaakt van, of toetreedt tot de organisatie van de rechtspersoon.3 Anders dan voor een aandeelhoudersovereenkomst, behoeft de binding van een aandeelhouder aan een reglement derhalve niet zijn aanvaarding of instemming. Rechtsgeldig vastgestelde reglementen zijn derhalve in beginsel bindend voor alle betrokkenen, ook indien zij daar niet mee hebben ingestemd (of zelfs daartegen hebben gestemd).4 Reglementaire informatierechten kunnen daarmee een pragmatische oplossing bieden in situaties waarin het niet mogelijk of realistisch is om steeds de instemming van alle aandeelhouders te krijgen. Te denken valt bijvoorbeeld aan vennootschappen met een gespreid of wisselend aandelenkapitaal of om discussie te voorkomen over de strekking en reikwijdte van de informatierechten van aandeelhouders in (dreigende) geschilsituaties. De vennootschap kan juist dan behoefte hebben bij duidelijkheid en de mogelijkheid om een grens te trekken om (verder) verstorend gedrag te voorkomen.5
Er is nog nauwelijks richtinggevende rechtspraak beschikbaar over reglementaire informatierechten. Ik verwijs naar de tweedefasebeschikking inzake Steenfabriek6 en het vonnis inzake SES Nederland.7 In beide zaken (i) waren de informatierechten van kapitaalverschaffers nader uitgewerkt in regelingen die kenmerken vertoonden van reglementen,8 terwijl (ii) de beweerdelijk ontoereikend geïnformeerde kapitaalverschaffers niet zonder meer had ingestemd met dat reglement.9 Niettemin is in beide uitspraken het betreffende reglement als uitgangspunt genomen voor de vraag op welke informatie die kapitaalverschaffer aanspraak kon maken.10,11 Dit is in lijn met het rechtspersonenrechtelijke meerderheidsbeginsel: de meerderheid kan nu eenmaal in beginsel de minderheid binden.12
Indien een aandeelhouder onvrijwillig is gebonden aan reglementaire bepalingen omtrent zijn informatierechten, zal er meer behoefte zijn aan, en ruimte bestaan voor bescherming van de betrokken aandeelhouder dan het geval is bij contractuele informatierechten. Ik zie die ruimte minder indien de aandeelhouder wel heeft ingestemd met de vaststelling van het reglement. Die bescherming zal in eerste instantie moeten worden gezocht in de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid,13 bijvoorbeeld indien misbruik is gemaakt van de meerderheidsmacht om de vaststelling van een onredelijke reglementaire regeling te forceren. Daarnaast wijs ik erop dat artikel 2:8 lid 1 BW niet geheel kan worden uitgesloten, waardoor de minderheidsaandeelhouder in voorkomende gevallen ook daaraan bescherming kan ontlenen. De aandeelhouder die zich verzet tegen de reglementaire regeling of meent daarbuiten nog aanvullende informatierechten te hebben, draagt echter de stelplicht en bewijslast ter zake.