Parallelle procedures en misbruik van procesrecht onder de EEX-Verordening II
Einde inhoudsopgave
Parallelle procedures en misbruik van procesrecht onder de EEX-Verordening II (BPP nr. XVI) 2015/31:31 Opnieuw entameren kort geding
Parallelle procedures en misbruik van procesrecht onder de EEX-Verordening II (BPP nr. XVI) 2015/31
31 Opnieuw entameren kort geding
Documentgegevens:
mr. J.F. Vlek, datum 30-10-2014
- Datum
30-10-2014
- Auteur
mr. J.F. Vlek
- JCDI
JCDI:ADS511352:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht / Europees burgerlijk procesrecht
Internationaal privaatrecht / Internationaal bevoegdheidsrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
HR 8 oktober 1993, NJ 1994/508 m.nt. HJS (Dogan/Staat).
HR 8 oktober 1993, NJ 1994/508 m.nt. HJS (Dogan/Staat), r.o. 3.4.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De bevoegdheid tot het vragen van een voorlopige voorziening in kort geding kan worden misbruikt. Het kort geding is bij uitstek een ‘pressiemiddel’ om de wederpartij onder druk te zetten. De vraag wanneer het aanhangig maken van een kort geding als misbruik van procesrecht moet worden aangemerkt en welke omstandigheden en gezichtspunten hierbij in aanmerking moeten worden genomen, is verschillende malen in de rechtspraak aan de orde gekomen. Als standaardvoorbeeld geldt een arrest van de Hoge Raad uit 1993.1 Nadat hun aanvraag tot toelating als vluchteling in Nederland was afgewezen, trachtte een echtpaar, een Turkse man en een Algerijnse vrouw, uitzetting uit Nederland te voorkomen door in kort geding te vorderen dat het de Staat zou worden verboden hen uit te zetten. Nadat deze vordering ook in hoger beroep was afgewezen, heeft het echtpaar opnieuw om toelating als vluchteling verzocht en opnieuw een kort geding geëntameerd met dezelfde strekking. Zij stelden dat het de Staat zou moeten worden verboden hen uit te zetten zolang niet op hun (nieuwe) verzoeken om toelating zou zijn beslist. Tevens voerden zij aan dat sinds de eerdere afwijzing van hun verzoek in kort geding sprake was van nieuwe feiten en omstandigheden die een nieuwe behandeling van hun verzoek in kort geding rechtvaardigden. De Hoge Raad werd geroepen een antwoord te geven op de vraag in hoeverre een tweede kort geding in dezelfde zaak mogelijk is. De Hoge Raad stelt voorop
‘(..) dat de rechter in kort geding verplicht is om op alle in overeenstemming met de regelen van procesrecht aangevoerde relevante stellingen van partijen acht te slaan, ook als deze reeds in een eerder kort geding tussen dezelfde partijen naar voren gebracht hadden kunnen worden, maar niet naar voren gebracht zijn. Dit lijdt slechts uitzondering, wanneer de betreffende partij door pas in het tweede kort geding deze stellingen in te roepen misbruik van procesrecht zou maken. Dit zal zich, voor zover in deze zaak van belang, kunnen voordoen en dan tot ter zijde laten van die stellingen kunnen leiden, wanneer deze stellingen, in weerwil van een redelijk belang van de tegenpartij dat ook daarop reeds destijds terstond zou worden beslist, in het eerste kort geding zonder redelijke grond zijn achtergehouden. Bij de beoordeling daarvan kan van belang zijn of de betreffende stellingen na het tweede kort geding alsnog in een nog niet geëindigd hoger beroep van het eerste kort geding aan de orde konden worden gesteld, wat in het onderhavige geval ten tijde van de uitspraak van de president in eerste aanleg het geval was. Opmerking verdient voorts dat de Staat er een te respecteren belang bij heeft dat in zaken als de onderhavige niet steeds weer, zonder goede grond, nieuwe feiten in een nieuw kort geding naar voren kunnen worden gebracht, aan welk belang niet reeds kan worden tegemoet gekomen door de eisende partij in de kosten van het tweede kort geding te veroordelen.’2