Parallelle procedures en misbruik van procesrecht onder de EEX-Verordening II
Einde inhoudsopgave
Parallelle procedures en misbruik van procesrecht onder de EEX-Verordening II (BPP nr. XVI) 2015/32:32 Nieuwe stellingen
Parallelle procedures en misbruik van procesrecht onder de EEX-Verordening II (BPP nr. XVI) 2015/32
32 Nieuwe stellingen
Documentgegevens:
mr. J.F. Vlek, datum 30-10-2014
- Datum
30-10-2014
- Auteur
mr. J.F. Vlek
- JCDI
JCDI:ADS503968:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht / Europees burgerlijk procesrecht
Internationaal privaatrecht / Internationaal bevoegdheidsrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie onder meer HR 16 december 1994, NJ 1995/213; Van der Wiel 2004, p. 143.
Zie HR 16 december 1994, NJ 1995/213 (Kloes/Fransman).
HR 16 december 1994, NJ 1995/213 (Kloes/Fransman), r.o. 3.1.
HR 16 december 1994, NJ 1995/213 (Kloes/Fransman), r.o. 3.3.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Aan een vonnis in kort geding komt geen gezag van gewijsde toe (als bedoeld in art. 67 Rv.).1 In een tweede kort geding is derhalve plaats voor het innemen van nieuwe stellingen, zelfs als de feiten waarop die stellingen betrekking hebben al eerder bekend waren. Dit kan anders zijn, volgens de Hoge Raad, indien (bijvoorbeeld) de stellingen zonder redelijke grond achter zijn gehouden, terwijl de gedaagde – aan de andere kant – een redelijk belang had bij onmiddellijke behandeling en beslissing. Gesteld kan worden dat sprake kan zijn van het gebruiken van de bevoegdheid tot het nogmaals instellen van een kort geding voor een ander doel dan waarvoor deze is gegeven (art. 3:13 lid 2 BW). Deze bevoegdheid is niet gegeven voor een herhaling op basis van zonder redelijke grond achtergehouden stellingen. In bovengenoemde zaak had het echtpaar hoger beroep ingesteld tegen de afwijzing van hun eis in het eerste kort geding. Hadden zij dit achterwege gelaten, dan kan dit een aanwijzing zijn voor misbruik van procesrecht, maar ook niet meer dan dat.2 Het achterwege laten van hoger beroep behoeft op zichzelf niet mee te brengen dat het tweede kort geding misbruik van procesrecht vormt. In de zaak Kloes/Fransman wilde een verhuurder de huurovereenkomst ontbinden vanwege stelselmatig onrechtmatig gedrag van de huurder. Een eerste ontruimingsvordering in kort geding werd afgewezen door de voorzieningenrechter. De huurder, die op een vraag van de president in het eerste kort geding of hij binnen afzienbare tijd de door hem aangerichte schade zou herstellen in eerste instantie had verklaard ‘daartoe geen vinger te zullen uitsteken’,3 stelde zich uitermate oncoöperatief op en de verhuurder wenste – zonder hoger beroep tegen het eerste kort geding vonnis in te stellen – zijn voortdurende misdragingen in een opvolgend kort geding aan de orde te stellen. De Hoge Raad overwoog dat:
‘(…) de enkele omstandigheid dat de eisende partij in kort geding niet in hoger beroep was gekomen van het vonnis in een eerder kort geding waarin hij (mede) dezelfde feiten aan zijn vordering ten grondslag had gelegd, niet behoeft mee te brengen dat de rechter in het tweede kort geding zich moet onthouden van een (herhaald) onderzoek van die feiten. Wel kan dat achterwege laten van hoger beroep onder omstandigheden bijdragen tot het oordeel dat het opnieuw en op inhoudelijk dezelfde gronden in kort geding vorderen van een eerder in kort geding geweigerde voorziening misbruik van procesrecht oplevert (…).’4