Einde inhoudsopgave
Verlofstelsels in strafzaken (SteR nr. 37) 2018/7.3.f
7.3.f Nadere ruimte voor inhoudelijke of vrije toegangsbeoordeling
mr. G. Pesselse, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
mr. G. Pesselse
- JCDI
JCDI:ADS610739:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. de Franse cassatie geschetst in paragraaf 2.2b.
HR 21 januari 2014, ECLI:131 (termijn vóór 80a); HR 11 maart 2014, ECLI:531 (termijn vóór 80a); HR 26 augustus 2014, ECLI:2481 (geen beroep open vóór 80a).
HR 11 september 2012, NJ 2013/241, NJ 2013/242, NJ 2013/243, NJ 2013/244, r.o. 2.3.4; in HR 7 juni 2016, NJ 2016/430, m.nt. Van Kempen ontbreekt een verwijzing hiernaar, zie voor toepassing HR 8 juli 2014, ECLI:1693.
Nan 2013b, p. 734; Van Dorst 2015, p. 209; Paragraaf 5.3c.
Een ‘peek’ is een cassatieberoep waarin niet (tijdig) een schriftuur is ingediend. Het aantal van honderd tot tweehonderd maak ik op uit de cijfers in de bijlagen van Hoge Raad 2014 tot en met Hoge Raad 2017 (uitstroom totaal aantal niet-ontvankelijkverklaring – uitstroom strafzaken zonder middelen – evt. afdoening art. 80a RO).
Paragraaf 7.2c.
HR 11 september 2012, NJ 2013/241, NJ 2013/242, NJ 2013/243, NJ 2013/244, r.o. 2.4.1.; zie ook HR 17 december 2013, NJ 2014/301, m.nt. Van Kempen, r.o. 2.4.2., waarin de toegangsvoorwaarden van artikel 80a RO eveneens naast de bestaande toegangsvoorwaarden worden gesteld.
Paragraaf 5.3.
Paragraaf 7.4c.
Zie voor dit onderscheid tussen het gewicht van de fout en het gewicht van de zaak de conclusie van A-G Knigge, punt 5.5.9, voor HR 11 september 2012, NJ 2013/241; vgl. verder de conclusie van A-G Vegter, punt 4, voor HR 15 september 2015, ECLI:2581.
Een mager aanknopingspunt kan worden gezien in het antwoord van de Staatssecretaris op de vraag over de “harde drempel” van Van der Steur, zie Handelingen II 2011/12, nr. 5, p. 4.44.
Binnen de ruime formulering van de wet en de weinigzeggende grenzen van de wetsgeschiedenis bestaat in drie opzichten wellicht nog meer ruimte voor inhoudelijke dan wel vrije toegangsbeoordeling dan hiervoor is uiteengezet.
Een eerste denkbare uitbreiding van artikel 80a RO bestaat uit toepassing ervan op beroepen die gewoonlijk reeds niet-ontvankelijk worden verklaard, omdat zij niet voldoen aan de formele toegangsvoorwaarden (termijn, aanwenden beroep, etc.).1 De Hoge Raad lijkt artikel 80a RO thans niet op deze manier toe te passen, klassieke niet-ontvankelijkverklaring gaat vooraf aan toepassing van artikel 80a RO.2 Of de uitgebreide toepassing op klassieke ontvankelijkheidsvereisten toch mogelijk is, is een vraag die de standaardarresten van 11 september 2012 zelf oproepen. Daarin worden namelijk onder de ‘niet tot cassatie kunnen leiden’-maatstaf ook klachten geschaard die niet kunnen gelden als een stellige en duidelijke klacht over de schending van een bepaalde rechtsregel en/of het verzuim van een toepasselijk vormvoorschrift door de rechter die de bestreden uitspraak heeft gewezen.3 Dit is opvallend, omdat een cassatieberoep dat volledig bestaat uit dergelijke klachten gewoonlijk niet-ontvankelijk werd verklaard in plaats van verworpen.4 Daarnaast vallen onder de maatstaf van onvoldoende belang ook beroepen die gewoonlijk wegens een (volledig) gebrek aan belang bij het beroep niet-ontvankelijk werden verklaard. De vraag rijst dus of hiernaast ook andere klassieke gevallen van niet-ontvankelijkheid versneld op grond van artikel 80a RO kunnen worden afgedaan. Een positief antwoord zou het toepassingsbereik van de versnelde afdoening van artikel 80a RO aanzienlijk verruimen, omdat de meervoudige kamer de afgelopen jaren circa honderd tot tweehonderd cassatieberoepen per jaar op klassieke gronden niet-ontvankelijk heeft verklaard – uitgezonderd de ‘peken’ die de enkelvoudige kamer afdoet.5
Vóór een positief antwoord pleit dat de tekst van artikel 80a RO daarvoor ruimte laat. Immers, ook niet-ontvankelijke beroepen kunnen uiteindelijk niet tot vernietiging van de bestreden uitspraak leiden, ook niet ambtshalve, en vallen daarom naar normaal spraakgebruik onder de ‘niet tot cassatie kunnen leiden’-maatstaf uit artikel 80a RO. Daarnaast bestaat bij bijvoorbeeld een te laat ingediend beroep tegen een wettelijk ontoelaatbare straf wel degelijk enig belang, maar betoogd kan worden dat rechtsverwerking heeft plaatsgevonden doordat klassieke toegangsvoorwaarden niet in acht zijn genomen. Daarom zou ook de maatstaf van onvoldoende belang dus klassieke niet-ontvankelijkverklaringen kunnen omvatten.
Daar staat tegenover dat de wetsgeschiedenis er geen blijk van geeft dat artikel 80a RO voor klassieke niet-ontvankelijkverklaringen is bedoeld. Veeleer blijkt daaruit dat artikel 80a RO een aanvulling vormt op de bestaande toegangsvoorwaarden.6 Aldus ook de Hoge Raad, die in de overzichtsarresten artikel 80a RO positioneert als “nieuwe niet-ontvankelijkheidsgrond, die zich onderscheidt van andere, reeds bestaande gronden voor niet-ontvankelijkverklaring van het cassatieberoep”.7 Dat geeft te denken. Dat de Hoge Raad de beoordeling van de vraag of klachten stellig en duidelijk etc. zijn, onder artikel 80a RO schaart, is misschien beter als uitzondering te begrijpen. Deze beoordeling kan namelijk samenhangen met een inhoudelijke inschatting van de kans van slagen van het beroep.8 Om die reden is weliswaar goed te volgen dat de Hoge Raad dit geval bij wijze van uitzondering toch onder de ‘niet tot cassatie kan leiden’-maatstaf schaart, maar valt niet goed te verdedigen dat andere klassieke ontvankelijkheidsvoorwaarden daaronder kunnen vallen. Daarnaast is artikel 80a RO misschien aangegrepen om de voorheen ongeschreven toegangsvoorwaarde van (enig) belang bij het beroep van een wettelijk fundament te voorzien door deze te scharen onder de maatstaf van onvoldoende belang bij het beroep. Zo bezien is artikel 80a RO juist niet voor klassieke niet-ontvankelijkverklaringen bedoeld. Voor onderscheid tussen klassieke niet-ontvankelijkverklaringen en artikel 80a RO bestaat tot slot nog een systematische reden. In eerstgenoemde gevallen wordt namelijk nimmer ambtshalve de inhoud van het beroep beoordeeld, terwijl de Hoge Raad wel de deur openhoudt voor ambtshalve toetsing in beroepen die voor 80a-af-doening in aanmerking komen.9 Als nu klassieke gronden voor niet-ontvankelijkverklaring ook onder artikel 80a RO worden geschaard, ontstaat over ambtshalve toetsing meer onduidelijkheid.
In een duidelijke richting wijzen de gebruikelijke interpretatiemethoden niet. Om een praktisch zeer relevant punt gaat het hier overigens ook niet. Als klassieke gevallen van niet-ontvankelijkverklaring namelijk niet met artikel 80a RO worden afgedaan, is dit nauwelijks nadelig voor de ratio van artikel 80a RO. Het grootste deel van de niet-ontvankelijke beroepen kan immers al zeer snel door de enkelvoudige kamer worden afgedaan – de ‘peken’ – terwijl de overige klassieke niet-ontvankelijkverklaringen niet het grootste beslag zullen leggen op de capaciteit van de strafkamer. De omvang van het onderzoek in deze zaken is immers beperkt tot de ontvankelijkheid van het cassatieberoep, terwijl de motivering van een klassieke niet-ontvankelijkverklaring doorgaans betrekkelijk kort kan zijn.
Een tweede punt waarop mogelijk meer ruimte bestaat voor inhoudelijke dan wel vrije toegangsbeoordeling op grond van artikel 80a RO is het volgende. Voor toegang tot cassatie zou niet alleen kunnen worden vereist dat onjuistheden in de bestreden uitspraak een bepaalde significantie hebben, maar ook dat in de zaak meer dan geringe belangen aan de orde zijn, bijvoorbeeld omdat het een zwaar misdrijf of een aanzienlijke (gevangenis)straf betreft.10 In aanvulling op de bagateldrempel van artikel 427 Sv is denkbaar dat de Hoge Raad zelf bepaalt of het gewicht van een zaak groot genoeg is om behandeling in cassatie te rechtvaardigen. Waar nu reeds bij cassatieberoep van de verdachte tegen nietigverklaring van de dagvaarding of niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie belang ontbreekt – en dus onvoldoende belang in de zin van artikel 80a RO bestaat – zouden ook beroepen tegen bepaalde lichte veroordelingen of vrijspraken als beroepen van onvoldoende belang kunnen worden beschouwd. Gekeken kan worden naar de ernst van het bewezen verklaarde feit of de opgelegde of gevorderde straf.
Hoewel de wettelijke formulering van de maatstaf van onvoldoende belang bij het beroep dergelijke toepassing van artikel 80a RO mijns inziens toelaat, ligt de geschetste toepassing mijns inziens niet voor de hand. Ten eerste is in de wetsgeschiedenis steeds gesproken van onvoldoende belang indien bepaalde kansloze klachten of beroepen aan de orde zijn. Aldus wordt artikel 80a RO thans onder meer ook toegepast, namelijk op de grond dat in het bestreden arrest geen wezenlijke fouten zijn gemaakt. De maatstaf van onvoldoende belang uitleggen als ‘belang van de zaak’ wijkt significant van deze interpretatie af en vindt geen steun in de wetsgeschiedenis.11 Daar komt bij dat de wet reeds een bagateldrempel bevat en via die drempel het gewicht van de strafzaak reeds meetelt voor de toegang tot beroep. Indien kort gezegd voor een overtreding niet meer dan een geldboete van € 250,- is opgelegd, moet het cassatieberoep niet-ontvankelijk worden verklaard (art. 427 lid 1 Sv). Het ligt niet voor de hand te veronderstellen dat de wetgever daaraan een volkomen open en vrij door de Hoge Raad in te vullen bagateldrempel heeft willen toevoegen, zonder van de bestaande wettelijke drempel op zijn minst melding te maken. Bij toepassing van artikel 80a RO in verband met het ‘belang van de zaak’ kan de bagateldrempel van 427 Sv namelijk komen te vervallen.
Ruimte voor toepassing van artikel 80a RO zuiver omdat de kwalificatie of strafmaat van geringe ernst zijn, bestaat volgens mij dus niet. Andersom kan de ernst van de kwalificatie of opgelegde sanctie wel een reden zijn om het beroep ontvankelijk te verklaren, ook als de klachten klaarblijkelijk falen of bij het beroep onvoldoende belang bestaat.
Naast deze twee categorische uitbreidingen van het toepassingsbereik van artikel 80a RO bestaat ten derde uiteraard de mogelijkheid dat de Hoge Raad stapsgewijs het bereik van de centrale ‘onvoldoende belang’-maatstaf uitbreidt en dus in steeds meer gevallen aanneemt dat in wezen niet voldoende in rechte te respecteren belang bestaat bij vernietiging en eventuele nieuwe feitelijke behandeling. In het bijzonder de hiervoor onderscheiden hulpcriteria van proportionaliteit, rechtsverwerking en toelichting van het belang lenen zich daar voor. Sinds invoering van artikel 80a RO is deze stapsgewijze uitbreiding reeds toegepast, terwijl de Hoge Raad zich daarvoor ook nadrukkelijk de ruimte voorbehoudt. Hoe ver de Hoge Raad daarbij kan gaan, is in het algemeen moeilijk te bepalen. Wettekst noch wetsgeschiedenis geven duidelijk richting aan de toepassing van artikel 80a RO, behoudens enkele uiterste buitengrenzen. De ratio van de bepaling ondersteunt bovendien stapsgewijze verdere uitbreiding van het toepassingsbereik van artikel 80a RO. Immers, hoe meer beroepen onder het bereik van de bepaling vallen, hoe meer beroepen versneld kúnnen worden afgedaan, hoe meer capaciteit resteert voor richtinggevende uitspraken in beroepen die er wel toe doen.