Einde inhoudsopgave
Milieuaansprakelijkheid van leidinggevenden 2021/II.2.6.1
II.2.6.1 Inleiding
mr. T.R. Bleeker LLM, datum 01-11-2021
- Datum
01-11-2021
- Auteur
mr. T.R. Bleeker LLM
- JCDI
JCDI:ADS460219:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Verschillende auteurs plaatsen normadressaatschap en kwaliteitsbestanddelen in de sleutel van de mogelijkheid om een delictsgedraging functioneel te interpreteren of toe te rekenen, dus de objectieve zijde van het delict. Ze begrijpen normadressaatschap kennelijk als een vraag naar wie de delictsgedraging ‘kan’ verrichten. Zie bijvoorbeeld de annotatie van Knigge bij: HR 2 juni 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC9042, NJ 1992/754: “Bij ‘normadressaatschap’ gaat het dus om uitleg van de delictsomschrijving, om een − in die omschrijving besloten liggende − precisering van het strafbaar gestelde gedrag.” In deze zin ook Sikkema 2010, par. 3.5, Knigge 1992, p. 137-139; De Valk 2009, p. 290; Hulsman 1966, p. 86; Conclusie P-G Vegter, 16 juni 2009, ECLI:NL:PHR:2009:BI9326, par. 10-11. Cf. – mijns inziens juist – Van Woenssel 1993, p. 51-54.
De normadressaat kwam hiervoor al kort aan bod in het kader van de bespreking van het kwalitatieve bestanddeel, maar omdat het leerstuk van normadressaatschap voor menig jurist onbekend of onduidelijk is, verdient het hier verdere bespreking. In de strafrechtelijke literatuur volgen al decennialang ingewikkelde discussies elkaar op over impliciete kwaliteitsdelicten, en potentiële daders, en bestaan verschillende leerstukken met betrekking tot normadressaatschap naast elkaar.1 Soms wordt normadressaatschap zelfs vereenzelvigd met plegerschap, of zijn er connotaties met risicoaansprakelijkheid. Door alle misverstanden en verschillende opvattingen die de ronde doen wordt het leerstuk van normadressaatschap er niet duidelijker op, hetgeen weer nieuwe misverstanden in de hand werkt.
Naar mijn idee hoeft het niet zo ingewikkeld te zijn. Veel verwarring kan worden voorkomen wanneer er een helder onderscheid wordt gemaakt tussen de inhoud van de verplichting en de adressering van de verplichting uit strafrechtelijke voorschriften. De kern van mijn betoog is dan ook dat de (functionele) interpretatie van een delictsgedraging moet worden onderscheiden van het normadressaatschap. Hierna leg ik in meer detail uit wat ik daarmee bedoel, en waarom dit onderscheid nuttig is.
In deze paragraaf bespreek ik wat normadressaatschap inhoudt en waarom het relevant is om de normadressaat te achterhalen voor het vaststellen van een strafbaar feit en daderschap van een leidinggevende. Vervolgens adresseer ik een aantal misverstanden die de ronde doen over de functie van kwalitatieve bestanddelen en normadressaatschap, waarna ook enkele voorbeelden uit de jurisprudentie aan bod zullen komen. Ik sluit deze subparagraaf af met een overzicht van enkele belangrijke milieunormen waarvan de leidinggevende normadressaat is.
De adressering van een milieunorm volgt uit de norm zelf. Daarom geldt wat ik hier schrijf over normadressaatschap mutatis mutandis ook voor de andere rechtsgebieden.