Verbondenheid in het belastingrecht
Einde inhoudsopgave
Verbondenheid in het belastingrecht (FM nr. 128) 2008/7.3.0:Inleiding
Verbondenheid in het belastingrecht (FM nr. 128) 2008/7.3.0
Inleiding
Documentgegevens:
Dr. R.N.F. Zuidgeest, datum 20-11-2008
- Datum
20-11-2008
- Auteur
Dr. R.N.F. Zuidgeest
- JCDI
JCDI:ADS602978:1
- Vakgebied(en)
Vennootschapsbelasting / Deelnemingsvrijstelling
Vennootschapsbelasting / Winstbepaling
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Vennootschapsbelasting / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Kamerstukken II 2005/06, 30 572, nr. 8, p. 83.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In hoofdstuk 1 is beschreven dat in de parlementaire geschiedenis van de wet ‘Werken aan winst’ is gevraagd naar een overzicht van de begrippen ‘verbonden persoon’ en ‘verbonden lichaam’ in de fiscale wetgeving.1 Bij de beantwoording van deze vraag is ten onrechte de indruk gewekt dat het slechts om zes à zeven verschillende begrippen gaat, namelijk de begrippen die zijn gedefinieerd in art. 10a en 12c Wet VPB 1969, art. 3.6 en 3.91 Wet IB 2001, art. 7 Wet LB 1964, art. 4 WBR en 2:24b BW. Dit overzicht is echter verre van compleet. Alleen al in de Wet VPB 1969 bestaan tientallen begrippen waarin verbondenheid een rol speelt:
‘aandeelhouders’, ‘deelnemers’ of ‘leden’ en ‘bestuurders’ in de zin van art. 2 lid 7 Wet VPB 1969;
ichamen waarin een ‘belang’ wordt gehouden, en ‘groep’ in de zin van art. 2 lid 7
onderdeel e Wet VPB 1969;
directiepensioenfondsen in de zin van art. 5 lid 2 Wet VPB 1969;
‘verbonden lichaam’ in de zin van art. 8 lid 6a Wet VPB 1969;
‘aandeelhouder voor ten minste een derde gedeelte van het nominaal gestorte kapitaal’ in de zin van art. 8 lid 8 onderdeel b en c Wet VPB 1969;
‘deelname aan de leiding, het toezicht, of het kapitaal’ in de zin van art. 8b lid 1 en 2 Wet VPB 1969;
‘concern’ in de zin van art. 8c lid 4 Wet VPB 1969;
‘verbonden lichaam’ in de zin van art. 10a lid 4 Wet VPB 1969;
‘verbonden natuurlijk persoon’ in de zin van art. 10a lid 5 Wet VPB 1969;
‘verbonden vennootschap’ in de zin van art. 10c lid 1 en 2 Wet VPB 1969;
‘groep’ in de zin van art. 10d lid 2 en 6 Wet VPB 1969;
‘verbonden lichaam’ in de zin van art. 12c lid 5 Wet VPB 1969;
‘deelneming’ in de zin van art. 13 lid 2 Wet VPB 1969;
‘normale bemoeienis met de bedrijfsvoering door de aandeelhouder of de concernleiding’ in de zin van art. 2a, Uitv.besch. VPB 1971;
‘belang van 5% of meer’ in de zin van art. 13b lid 5 Wet VPB 1969;
‘fiscale eenheid’ in de zin van art. 15 Wet VPB 1969;
centrale leiding, complementaire werkzaamheden en onderlinge aansprakelijkheid in de zin van art. 15a Wet VPB 1969;
‘uiteindelijke belang’ in de zin van art. 20a Wet VPB 1969;
45%-aandeelhouderseis van art. 28 lid 2 onderdeel c onder 2° Wet VPB 1969;
75%-aandeelhouderseis van art. 28 lid 2 onderdeel d onder 2° Wet VPB 1969;
‘belang van 25% of meer’ in de zin van art. 13a lid 1 en art. 28 lid 2 onderdeel c onder 1° en onderdeel e Wet VPB 1969;
bestuurders- en commissarissentoets van art. 28 lid 2 onderdeel f Wet VPB 1969.