Rechtbank Oost-Brabant 12 december 2023, ECLI:NL:RBOBR:2023:5790.
HR, 13-03-2026, nr. 24/04522
ECLI:NL:HR:2026:409
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
13-03-2026
- Zaaknummer
24/04522
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht (V)
Burgerlijk procesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2026:409, Uitspraak, Hoge Raad, 13‑03‑2026; (Cassatie, Beschikking)
In cassatie op: ECLI:NL:GHSHE:2024:2884
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2025:988
ECLI:NL:PHR:2025:988, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 12‑09‑2025
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2026:409
Beroepschrift, Hoge Raad, 12‑11‑2024
- Vindplaatsen
Sdu Nieuws Arbeidsrecht 2026/92
VAAN-AR-Updates.nl 2026-0397
AR-Updates.nl 2026-0397
BPR-Updates.nl 2026-0023
JAR 2026/104
Sdu Nieuws Arbeidsrecht 2025/306
JAR 2026/104
Uitspraak 13‑03‑2026
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer 24/04522
Datum 13 maart 2026
BESCHIKKING
In de zaak van
[de werknemer],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKER tot cassatie,
hierna: de werknemer,
advocaat: S.F. Sagel,
tegen
POSTNL TRANSPORT B.V.,
gevestigd te Hoofddorp,
VERWEERSTER in cassatie,
hierna: PostNL,
advocaat: F.M. Dekker.
1. Procesverloop
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
a. de beschikking in de zaak 10682884 \ EJ VERZ 23-417 van de kantonrechter in de rechtbank Oost-Brabant van 12 december 2023;
b. de beschikking in de zaak 200.338.898/01 van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 12 september 2024.
De werknemer heeft tegen de beschikking van het hof beroep in cassatie ingesteld.
PostNL heeft een verweerschrift tot verwerping ingediend.
De werknemer heeft naar aanleiding van het verweerschrift een nadere schriftelijke reactie ingediend.
PostNL heeft een reactie op de nadere schriftelijke reactie van de werknemer ingediend.
De conclusie van de Advocaat-Generaal R.H. de Bock strekt tot verwerping van het cassatieberoep.De advocaat van de werknemer heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.
2. Uitgangspunten en feiten
2.1
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) De werknemer is in september 2019 in dienst getreden van PostNL als chauffeur Groot Vervoer op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd.
(ii) In de nacht van 18 op 19 juli 2023 moest de werknemer pakketten transporteren van het distributiecentrum van PostNL in Tilburg naar het distributiecentrum van PostNL in Son.
(iii) Bij dit transport heeft de werknemer in Tilburg rolcontainers met pakketten ingeladen. Een medewerker van het distributiecentrum te Tilburg heeft de trailer verzegeld. De werknemer is naar Son gereden. Bij aankomst in Son heeft hij zich aangemeld en is hij gaan lossen. De werknemer heeft, in strijd met de instructies van PostNL, de verzegeling niet laten verbreken door een medewerker van het distributiecentrum in Son, maar heeft zelf de verzegeling verbroken.
(iv) Op 25 juli 2023 is de werknemer op non-actief gesteld vanwege onregelmatigheden en op 27 juli 2023 is hij op staande voet ontslagen.
2.2
Voor zover in cassatie van belang verzoekt de werknemer in deze procedure een verklaring voor recht dat aan de opzegging van de arbeidsovereenkomst geen dringende reden ten grondslag ligt en veroordeling van PostNL tot betaling van de transitievergoeding, een billijke vergoeding en een vergoeding voor de onregelmatige opzegging.
2.3
De kantonrechter1.heeft voor recht verklaard dat aan de opzegging geen dringende reden ten grondslag ligt en heeft PostNL veroordeeld tot betaling van diverse vergoedingen.
2.4
Voorafgaand aan de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft PostNL bij e-mail van 22 juli 2024 aan het hof en de advocaat van de werknemer een link en instructie toegestuurd waarmee de camerabeelden van beveiligingscamera’s van PostNL zijn te downloaden en af te spelen (zie de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 5.18). In de e-mail is onder meer vermeld:
“Het Verweerschrift zijdens [de werknemer] vormde aanleiding voor PostNL om de camerabeelden van de beveiligingscamera's waar in het Beroepschrift alsmede de onderliggende producties namens PostNL naar wordt verwezen, alvast op voorhand met uw Hof en de advocaat van [de werknemer] te delen zodat deze voorafgaand aan de mondelinge behandeling desgewenst kunnen worden bekeken en er tijdens de mondelinge behandeling voortvarend doorheen kan worden gegaan.
De camerabeelden zijn te downloaden vanaf de onedrive van PostNL via de navolgende link: (…)
Daartoe dienen de behandelend raadsheren alleen nog wel het e-mailadres (…) in te voeren, waarna er een wachtwoord zal worden gegenereerd dat vervolgens in de mailbox verschijnt en dient te worden ingevoerd ter verificatie. Voor de advocaat van [de werknemer], mr. Tel, geldt dat hij zijn eigen e-mailadres in dat verband dient in te voeren.
Omdat het videobeelden van beveiligingscamera’s betreft dient eerst het programma (...) te worden gedownload en uitgevoerd. Dit programma staat overigens ook bij de camerabeelden op de onedrive zodat dit programma vanaf de onedrive kan worden gedownload. Vervolgens kunnen de videobestanden in de videoplayer worden gesleept en afgespeeld. Ik merk in dat verband op dat de enige reden waarom het bekijken van de camerabeelden in eerste aanleg enige tijd in beslag nam, was omdat voornoemd programma niet standaard op de computers van de rechtbank stond en daarom eerst door een IT-medewerker gedownload moest worden. Omdat dit niet direct lukte, is er vervolgens voor gekozen een laptop van PostNL hiervoor te gebruiken en deze aan het beeldscherm van de rechtbank in de zittingszaal te koppelen. PostNL Security zal er tijdens de mondelinge behandeling bij Uw Hof (…) voor zorgdragen dat de camerabeelden al direct op een zelf meegenomen laptop gereed staan, zodat deze laptop enkel nog in de zittingszaal aan een beeldscherm van Uw Hof hoeft te worden gekoppeld om te betreffende camerabeelden te bekijken voorzien van een aanvullende mondelinge toelichting van een van de Security Officers van PostNL Security die het onderzoek naar de vermiste zendingen heeft verricht. Een en ander zal aldus tijdens de mondelinge behandeling hooguit enkele minuten in beslag nemen.
(…)
De camerabeelden worden overigens tevens per koerier op een USB-stick (incl. het programma dat dient te worden gedownload om te camerabeelden mee te kunnen bekijken) aan uw Hof en de advocaat van [de werknemer] afgeleverd voor het geval het de raadsheren niet zou lukken de camerabeelden vanaf de onedrive te bekijken. (…)”
Op 23 juli 2024 heeft PostNL aan het hof en de advocaat van de werknemer een USB-stick gestuurd met daarop de camerabeelden en het afspeelprogramma (zie de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 5.18).
2.5
Op 1 augustus 2024 heeft de mondelinge behandeling in hoger beroep plaatsgevonden. Het proces-verbaal daarvan vermeldt, voor zover in cassatie van belang:
“De voorzitter geeft een inleiding op de zaak, vertelt hoe de zitting zal verlopen en kondigt aan dat het hof vragen zal stellen aan de hand van de camerabeelden.
(…)
De voorzitter deelt mede dat de camerabeelden zullen worden afgespeeld door de collega van de ICT-afdeling (…). De voorzitter vraagt om de volgende keer de beelden aan te leveren op een zodanige manier dat de beelden zonder een speciaal programma kunnen worden bekeken. Mr. Filippo deelt mee dat dit niet mogelijk is, omdat het beelden zijn van beveiligingscamera’s die enkel op die programma’s draaien en de beelden niet geconverteerd kunnen worden. Mr. Tel verklaart dat hij de beveiligingsbeelden niet heeft kunnen bekijken omdat hij net terug was van vakantie en omdat het in verband met de beveiliging niet lukte. Hij verklaart dat hij de griffie heeft gebeld om te vragen of het hof dat wel kon. Mr. Tel verklaart dat hij mr. Filippo heeft gesproken die de beelden vrij gedetailleerd met hem heeft besproken.
De voorzitter merkt op dat het misschien niet eenvoudig was om de beelden te bekijken, maar niet onmogelijk. De voorzitter deelt mee dat het hof de beelden voorafgaand aan de zitting volledig heeft bekeken.
(…)
Mr. Tel: (…) Nu hebben we beelden bekeken. Wat mij toch frappeerde is dat [de werknemer] mij vertelde dat er uitgebreidere beelden bij kantonrechter zijn getoond en daar heeft de rechter gezegd dat het niet klopt. Een collega deed precies hetzelfde. [De werknemer] wordt verweten en hoorden we tijdens de beelden dat hij een doos oppakt en terug de trailer inloopt en dat dit ongebruikelijk is. Bij kantonrechter zijn beelden getoond waar een andere vrachtwagenchauffeur precies hetzelfde doet. Dus de kantonrechter zei hoe kunt u hem dat verwijten als een andere chauffeur dat ook doet. Ik heb gezegd ik wil volledige beelden zien van Son en Tilburg en dan kunnen we zelf vaststellen of andere chauffeurs ook dit zegel zelf eraf halen. We krijgen een summiere weergave van de werkelijkheid. (…)
Mr. Filippo: bij de kantonrechter zijn exact dezelfde beelden getoond. En in 1e aanleg is niet door de kantonrechter de opmerking gemaakt over die werknemer, maar over de rode lijn. (…)
Mr. Filippo: (…) We weten niet welk pakketje [de werknemer] heeft vastgepakt. Als we beelden zien, dan is die barcode niet zichtbaar, dus het is niet bekend of dat pakket wel of niet ook verdwenen is.
Mw. Geerenstein: er kan niet geknipt worden in de camerabeelden.
Mr. Tel: ja volledige beelden bedoelde ik.
Hof: ja maar wij hebben doorgespoeld.
Mr. Tel: die beelden is een productie, is dat bewijs voor de stelling van PostNL? Dat had overgelegd moeten worden. Dan was er geen vraag of er een andere productie is overgelegd nu en in 1e aanleg.”
2.6
Het hof2.heeft de beschikking van de kantonrechter vernietigd en de verzoeken van de werknemer alsnog afgewezen. Voor zover in cassatie van belang heeft het hof het volgende overwogen:
“3.6.1 Volgens PostNL heeft [de werknemer] goederen weggenomen. Zij leidt dat af uit de volgende omstandigheden:
- een medewerker van het distributiecentrum te Son heeft beschadigde dozen aangetroffen op de distributieband waarvan de inhoud was verdwenen;
- uit onderzoek van de camerabeelden blijkt dat de betreffende zendingen met onbeschadigde dichte dozen in Tilburg worden aangevoerd en in twee verschillende rolcontainers door [de werknemer] van de belader worden overgenomen om in de trailer te worden geladen;
- [de werknemer] heeft tijdens het laden ongeveer vier minuten doorgebracht in de trailer, zonder het licht aan en zonder dat duidelijk is geworden wat hij daar aan het doen was;
- [de werknemer] heeft de trailer door het verlaadteam laten verzegelen;
- uit de GPS gegevens van de vrachtwagen en de trailer blijkt dat [de werknemer] onderweg ongeveer 30 seconden is gestopt;
- bij aankomst in Son heeft [de werknemer] niet de verzegeling laten verbreken door medewerkers van het distributieteam te Son;
- [de werknemer] heeft de verzegeling zelf verbroken;
- [de werknemer] is gaan lossen en uit beeldonderzoek blijkt dat bij het lossen van de hiervoor genoemde rolcontainers de samenstelling daarvan was veranderd;
- de rolcontainers blijven in de open ruimte van het distributiecentrum staan totdat de pakketten uit die rolcontainers op de in het distributiecentrum aanwezige band worden gedeponeerd en dan beschadigd en zonder inhoud worden aangetroffen.
3.6.2.
Het hof is met PostNL van oordeel dat het gelet op deze omstandigheden niet anders kan dan dat [de werknemer] de dozen heeft geopend en de inhoud ervan heeft weggenomen. Gelet op het gehele werkproces dat met allerlei beveiligingsmaatregelen is omgeven, is niet verklaarbaar hoe het kan dat de dozen die [de werknemer] heeft vervoerd intact zijn ingeladen, maar geopend en zonder inhoud op de distributieband zijn aangetroffen. De pakketten worden bij de klanten van een barcode voorzien waaruit (onder andere) kan worden afgelezen wat het gewicht is, waardoor kan worden gecontroleerd of de inhoud na vervoer is gewijzigd en er dus iets uit het pakket is weggenomen. Zowel het inladen als het uitladen wordt op camerabeelden vastgelegd. Wanneer de rolcontainers zijn uitgeladen blijven ze in de open ruimte van het distributiecentrum staan waarin meerdere medewerkers rondlopen en waarin meerdere camera’s hangen die ook gericht staan op de distributieband waarop de pakketten worden gelegd wanneer ze uit de rolcontainers worden gehaald.
3.6.3.
De conclusie dat het niet anders kan dan dat [de werknemer] de goederen heeft weggenomen wordt nog versterkt door de volgende omstandigheden:
- op de camerabeelden is te zien dat [de werknemer] na het laden van enkele rolcontainers stopt met laden en om onduidelijke redenen in de trailer blijft;
- op de camerabeelden is te zien dat [de werknemer] het licht niet aan heeft gedaan in de trailer, zodat niet is te zien wat hij gedurende die tijd in de trailer deed;
- op dat moment staat een grote hoeveelheid rolcontainers klaar om geladen te worden, maar [de werknemer] komt niet uit de trailer om te laden;
- in de vier minuten dat er bij [de werknemer] niets gebeurt, worden de trailers aan weerszijden van die van [de werknemer] in een gestaag tempo door de chauffeurs ingeladen, terwijl bij [de werknemer] helemaal niets gebeurt;
- [de werknemer] moest het trailernummer invoeren, maar hij heeft het verkeerde nummer ingevoerd;
- de boordcomputer van de vrachtwagen heeft tussen Tilburg en Son niet aan gestaan.
[De werknemer] is tijdens het gesprek op 27 juli 2023 over al deze omstandigheden bevraagd door PostNL. Het hof heeft de camerabeelden van het laden en lossen bekeken en deze zijn tijdens de mondelinge behandeling ook samen met partijen bekeken en besproken.
3.6.4.
Het hof is met PostNL van oordeel dat er grote vraagtekens kunnen worden geplaatst bij de reden dat [de werknemer] zo’n lange tijd na het inladen van de betreffende rolcontainers in de trailer is gebleven en niet is doorgegaan met inladen. Zo heeft hij tijdens het gesprek met security verklaard dat hij daar soms hangt en dat hij rustig aan doet met laden. Tijdens de mondelinge behandeling bij de kantonrechter heeft hij verklaard dat hij niet achter de rode streep mag komen, zodat hij niet kon gaan laden omdat alle rolcontainers achter die streep stonden. Op de camerabeelden is echter te zien dat [de werknemer] wel over de rode streep loopt om zelf rolcontainers te pakken. Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft hij gesuggereerd dat er bij het laden van de rolcontainers dozen uit die rolcontainers waren gevallen en dat hij misschien bezig is geweest om die weer in te laden. Dat is echter niet aannemelijk, omdat de dozen niet eruit zijn gevallen toen deze over de laadplank werden gerold. Het is niet waarschijnlijk dat de dozen dáár niet zijn gevallen (vanwege oneffenheid van de vloer), maar wel toen de rolcontainers over de vlakke vloer van de trailer rolden. Bovendien zou [de werknemer] dan toch het licht hebben aangedaan, maar dat was uit. Als dit was gebeurd, dan zou [de werknemer] dat toch zeker hebben gezegd toen hij werd bevraagd door security (slechts enkele dagen later). Het is ook niet waarschijnlijk dat het zo lang zou duren om de dozen terug in de rolcontainers te leggen. Op de camerabeelden van het uitladen is te zien dat er dozen vallen als ze over de afvoerplank worden gerold en dat het weinig tijd kost om de dozen weer in de rolcontainers te leggen.
Opvallend is dat [de werknemer] niet uit de trailer komt om te vragen de rolcontainers aan te bieden (zoals de chauffeur ernaast dat wel doet), terwijl hij nog maar net was begonnen met laden en er nog een grote hoeveelheid rolcontainers staat te wachten om ingeladen te worden. De trailers naast die van [de werknemer] worden wel in een gestaag tempo door de chauffeurs beladen. Ook is op de camerabeelden te zien dat medewerkers van het distributiecentrum af en toe richting de trailer kijken (om te zien wat er gebeurt, of om te zien waar [de werknemer] blijft) en op zeker moment duwt een medewerker een paar rolcontainers op de laadplank en nog eens zodat ze tegen elkaar de trailer in rollen, waarna [de werknemer] eindelijk verder gaat met laden.
(…)
3.6.6. [
De werknemer] heeft zelf de verzegeling verbroken. Dát hij dat zelf heeft gedaan staat vast. Dat kan hij hebben gedaan toen hij stopte bij de benzinepomp of in Son. [De werknemer] heeft verklaard dat het de bedoeling is dat de verzegeling wordt verbroken door iemand van het distributiecentrum, maar dat het regelmatig voorkwam dat hij bij het aanmelden te horen kreeg dat hij dat zelf moest doen. Volgens [de werknemer] was dat die nacht ook zo tegen hem gezegd. PostNL heeft dat betwist. Het hof kan er niet vanuit gaan dat het ontzegelen altijd gebeurt volgens de instructies. Niet valt uit te sluiten dat het is gegaan zoals [de werknemer] heeft verklaard. Dat neemt echter niet weg dat het niet mogelijk is dat anderen iets hebben gewijzigd aan de vracht in de tijd tussen de verzegeling in Tilburg en de aankomst in Son. Op de beelden is te zien dat [de werknemer] bij aankomst in Son de deuren opent en de trailer zodanig parkeert dat deze gelost kan worden. Het is alleen [de werknemer] geweest die tot dat moment bij die vracht kon. Op de camerabeelden is vervolgens te zien hoe de rolcontainers worden gelost. De medewerker van het distributiecentrum is steeds in beeld en blijft in constant tempo heen en weer lopen om de rolcontainers te lossen. Hij kan in die tijd geen doos hebben geopend en er iets uitgehaald hebben zonder dat dit op camera te zien is geweest. Hij is wel op zeker moment wat verder de trailer in gelopen om de rolcontainers te pakken, maar te zien is dat hij meteen weer met een container eruit loopt. Hij is niet zo lang daar gebleven dat hij de mogelijkheid heeft gehad om dozen te openen en iets weg te nemen.
Volgens [de werknemer] had PostNL met regelmaat moeten controleren of haar werkinstructies voor wat betref de verzegeling werden nageleefd. Volgens [de werknemer] had PostNL ook moeten controleren of in Son tegen de chauffeurs werd gezegd dat zij zelf de verzegeling moesten verbreken, zoals door [de werknemer] is verklaard. PostNL heeft dat niet gedaan, althans niet tot de mondelinge behandeling. Toen heeft zij dat tijdens de schorsing telefonisch nagevraagd. Dat PostNL dit niet heeft gecontroleerd, wil echter niet zeggen dat anderen de pakketten konden openmaken en er goederen uit konden nemen en evenmin dat dit het wegnemen van goederen rechtvaardigt.
(…)
3.6.8. [
De werknemer] heeft aangevoerd dat PostNL een tunnelvisie heeft en dat van haar mocht worden verwacht dat zij eerder en beter de argumenten van [de werknemer] had moeten onderzoeken, onder andere het argument dat hij zelf de verzegeling moest verbreken.
Het hof is van oordeel dat het bij dat (volgens [de werknemer] gebrekkige) onderzoek gaat om bijkomende omstandigheden die maken dat er extra redenen zijn om ervan uit te gaan dat [de werknemer] goederen heeft weggenomen. Als die bijkomende omstandigheden worden weggedacht, dan is het nog steeds zo dat het eigenlijk niet anders kan dan dat het [de werknemer] is geweest die de goederen heeft weggenomen. Ook dan is namelijk niet te begrijpen hoe het kan dat de pakjes intact zijn ingeladen, maar op de band in Son bleek dat ze niet meer intact waren en de inhoud was verdwenen. Nergens op de beelden is te zien dat [de werknemer] met zijn handen in die pakketten heeft gezeten, maar het hele proces van het inladen en het uitladen in de distributiecentra wordt vanuit allerlei hoeken met camera’s opgenomen. Het enige wat niet is opgenomen, is wat er in de vrachtwagen en onderweg is gebeurd, terwijl daarvoor maar één persoon verantwoordelijk was en dat was [de werknemer].
3.6.9.
Het hof overweegt tot slot dat geen absolute zekerheid hoeft te bestaan dat [de werknemer] de goederen heeft weggenomen. Het hof is van oordeel dat in dit geval sprake is van een zodanige mate van aannemelijkheid dat verdere bewijslevering niet aan de orde is.”
3. Toelaatbaarheid van de reactie van de werknemer op het verweerschrift in cassatie van PostNL
3.1
PostNL heeft bezwaar gemaakt tegen de reactie van de werknemer op haar verweerschrift in cassatie. De werknemer kreeg slechts gelegenheid te reageren op de bij het verweerschrift gevoegde bijlagen, terwijl de reactie overwegend niet daarop ziet, aldus PostNL.
3.2
Aan de werknemer is gelegenheid gegeven om te reageren op de bijlagen bij het verweerschrift van PostNL (zie de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 3.24). De door de werknemer ingediende reactie bevat echter niet alleen een reactie op deze bijlagen (in de nrs. 6-9), maar ook een reactie op hetgeen PostNL in haar verweerschrift heeft aangevoerd en een nadere toelichting op de cassatieklachten van de werknemer. Met uitzondering van de nrs. 6-9 heeft de Hoge Raad de reactie daarom buiten beschouwing gelaten bij de beoordeling van het middel.
4. Beoordeling van het middel
4.1.1
Onderdeel 1 van het middel klaagt, mede met een beroep op hetgeen hiervoor in 2.4-2.5 is weergegeven, dat het hof zich bij zijn oordeel (in rov. 3.6.2-3.6.9) dat aannemelijk is dat de werknemer de goederen heeft weggenomen, niet (mede) mocht baseren op de camerabeelden die ter zitting in hoger beroep zijn getoond. Het onderdeel voert daartoe onder meer aan dat het hof ermee bekend was dat het (de advocaat van) de werknemer als gevolg van de beveiliging van de bestanden niet is gelukt de door PostNL overgelegde camerabeelden voorafgaand aan de mondelinge behandeling te bekijken. Volgens het onderdeel zijn het beginsel van hoor en wederhoor en/of het beginsel van equality of arms (art. 19 Rv en art. 6 EVRM) geschonden doordat de werknemer pas ter zitting (dus onvoorbereid) werd geconfronteerd met de beelden en doordat de werknemer niet de mogelijkheid heeft gehad om op voorhand voor hem ontlastende passages in die beelden op te sporen (en daarop ter zitting te wijzen). Het hof had de camerabeelden bij zijn oordeelsvorming buiten beschouwing moeten laten, dan wel de werknemer (ambtshalve) alsnog in de gelegenheid moeten stellen om met zijn advocaat kennis te kunnen nemen van de beelden en zich daarover uit te laten (hetzij door de mondelinge behandeling daartoe aan te houden, hetzij door de werknemer nog een nadere akte te laten nemen na de mondelinge behandeling), aldus het onderdeel.
4.1.2
Zoals blijkt uit het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in hoger beroep (zie hiervoor in 2.5) was het hof ermee bekend dat (de advocaat van) de werknemer de door PostNL overgelegde camerabeelden wegens technische redenen niet voorafgaand aan de mondelinge behandeling had kunnen bekijken (de beelden konden alleen met een speciaal programma worden afgespeeld), terwijl hij kenbaar had gemaakt dat wel te willen. Teneinde de beginselen van hoor en wederhoor (art. 19 lid 1 Rv en art. 6 EVRM) en equality of arms (art. 6 EVRM) te waarborgen had het hof – dat zijn oordeel over het ontslag op staande voet mede op de tijdens de mondelinge behandeling getoonde camerabeelden heeft gebaseerd – genoegzame maatregelen moeten nemen om adequate kennisneming van de volledige door PostNL overgelegde, en door het hof voorafgaand aan de zitting bekeken, camerabeelden door de werknemer mogelijk te maken en de werknemer in staat te stellen zich daarover uit te laten.3.In zoverre slaagt onderdeel 1.
4.2.1
Onderdeel 2 richt zich tegen het oordeel van het hof (in rov. 3.6.9) dat sprake is van een zodanige mate van aannemelijkheid dat de werknemer de goederen heeft weggenomen, dat verdere bewijslevering niet aan de orde is. Het onderdeel klaagt onder meer dat het hof met dit oordeel onvoldoende gemotiveerd is voorbijgegaan aan het aanbod van de werknemer tot het leveren van tegenbewijs.
4.2.2
De werknemer heeft in hoger beroep tegenbewijs aangeboden, onder meer door het horen van getuigen (zie de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 5.46). Het hof heeft niet toereikend gemotiveerd dat aan dit aanbod voorbij kon worden gegaan. De hiervoor in 4.2.1 weergegeven klacht is dus terecht voorgesteld.
4.3
De overige klachten van het middel behoeven geen behandeling.
5. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de beschikking van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 12 september 2024;
- verwijst het geding naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden ter verdere behandeling en beslissing;
- veroordeelt PostNL in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de werknemer begroot op € 361,-- aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten indien PostNL deze niet binnen veertien dagen na heden heeft voldaan.
Deze beschikking is gegeven door de president G. de Groot als voorzitter, de vicepresident M.V. Polak en de raadsheren F.J.P. Lock, G.C. Makkink en K. Teuben, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A.E.B. ter Heide op 13 maart 2026.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 13‑03‑2026
Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 12 september 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:2884.
Vgl. HR 31 januari 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF0201, rov. 3.5.
Conclusie 12‑09‑2025
Inhoudsindicatie
Arbeidsrecht en procesrecht. Ontslag op staande voet wegens diefstal. Schending art. 6 lid 1 EVRM en/of art. 19 lid 1 Rv door oordeel over ontslag op staande voet mede op camerabeelden te baseren die de advocaat van werknemer voorafgaand aan de zitting in hoger beroep niet kon openen? Tegenbewijsaanbod ten onrechte gepasseerd?
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 24/04522
Zitting 12 september 2025
CONCLUSIE
R.H. de Bock
In de zaak
[Werknemer]
advocaat: mr. S.F. Sagel
tegen
PostNL Transport B.V.
advocaat: mr. F.M. Dekker
1. Inleiding en samenvatting
1.1
Deze zaak gaat over het ontslag op staande voet van een werknemer (hierna: Werknemer) door PostNL Transport B.V.1.(hierna: PostNL), omdat hij goederen (mobiele telefoons) zou hebben weggenomen tijdens het transport van pakketten. In eerste aanleg heeft de kantonrechter geoordeeld dat de dringende reden onvoldoende is komen vast te staan.
1.2
Volgens het hof is wel voldoende komen vast te staan dat Werknemer goederen heeft weggenomen, en dat dit een dringende reden voor ontslag op staande voet oplevert. Het hof heeft dit oordeel mede gebaseerd op camerabeelden van het laden en lossen van rolcontainers met pakketten. Deze camerabeelden zijn op de mondelinge behandeling in hoger beroep vertoond en besproken.
1.3
In cassatie voert Werknemer aan dat het hof het beginsel van hoor en wederhoor en het beginsel van equality of arms heeft geschonden. Werknemer en zijn advocaat hebben namelijk de camerabeelden niet kunnen bekijken vóór de mondelinge behandeling in hoger beroep. De advocaat van Werknemer slaagde er niet in de op een usb-stick aangeleverde camerabeelden te openen, waarmee deze volgens hem niet ‘readily accessible’ waren. Verder klaagt Werknemer dat het hof ten onrechte zijn aanbod tot tegenbewijs heeft gepasseerd.
1.4
M.i. kunnen de klachten niet slagen.
2. Feiten
2.1
In cassatie kan van de volgende feiten worden uitgegaan, grotendeels ontleend aan de beschikking van het hof Den Bosch van 12 september 20242.en de daaraan voorafgaande beschikking van de kantonrechter Oost-Brabant van 12 december 2023.3.
2.2
Werknemer, geboren in 1978, is op 30 september 2019 in dienst getreden van PostNL op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. Werknemer was chauffeur Groot Vervoer en verdiende € 2.757,21 bruto per maand exclusief 8% vakantiebijslagen overwerkvergoeding/toeslag tot 20% bij een arbeidsomvang van 39,25 uur per week.
2.3
In de nacht van 18 op 19 juli 2023 moest Werknemer pakketten transporteren van het distributiecentrum van PostNL in Tilburg naar het distributiecentrum van PostNL in Son. Werknemer heeft in Tilburg rolcontainers met pakketten ingeladen. Een medewerker van het distributiecentrum te Tilburg heeft de trailer verzegeld. Werknemer is naar Son gereden. Bij aankomst in Son heeft hij zich aangemeld en is hij gaan lossen. Werknemer heeft de verzegeling niet laten verbreken door een medewerker van het distributiecentrum in Son, maar heeft zelf de verzegeling verbroken. Dat was in strijd met de instructies van PostNL.
2.4
Op 25 juli 2023 is Werknemer op non-actief gesteld vanwege onregelmatigheden en uitgenodigd voor een gesprek. Dat gesprek heeft plaatsgevonden op 27 juli 2023. Medewerkers van PostNL Security hebben hem toen bevraagd over de wijze waarop hij de hiervoor vermelde rit van Tilburg naar Son heeft uitgevoerd. Later die dag heeft PostNL Werknemer telefonisch op staande voet ontslagen.
2.5
Op 28 juli 2023 heeft PostNL het ontslag op staande voet schriftelijk bevestigd. In deze brief is onder meer vermeld dat PostNL in het hiervoor genoemde gesprek van 27 juli 2023 aan Werknemer heeft voorgehouden wat er te zien is op camerabeelden van het laden en lossen.4.PostNL heeft Werknemer tijdens dit gesprek ook in de gelegenheid gesteld om hierop te reageren.5.
3. Procesverloop
3.1
Werknemer heeft op 30 augustus 2023 een verzoekschrift ingediend bij de kantonrechter in de rechtbank Oost-Brabant. Na wijziging van zijn verzoeken op de mondelinge behandeling van 17 november 2023 luidden de verzoeken als volgt:
(i) een verklaring voor recht dat aan de opzegging door PostNL geen dringende reden ten grondslag ligt;
(ii) veroordeling van PostNL tot betaling van de transitievergoeding van € 4.212,24 bruto, een billijke vergoeding van € 9.813,44 bruto en € 3.578,71 bruto als vergoeding voor de onregelmatige opzegging.
3.2
PostNL heeft tegenverzoeken geformuleerd (en gewijzigd). PostNL heeft de kantonrechter uiteindelijk (onder meer) verzocht om Werknemer te veroordelen zijn medewerking te verlenen aan het uitlezen van zijn bestuurderskaart, op straffe van een dwangsom.
3.3
Op 17 november 2023 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden, waarvan proces-verbaal is opgemaakt.
3.4
Bij beschikking van 12 december 2023 heeft de kantonrechter geoordeeld dat PostNL geen dringende reden had om Werknemer op staande voet te ontslaan. Volgens de kantonrechter is niet komen vast te staan dat Werknemer goederen die niet aan hem toebehoren uit het PostNL proces heeft weggenomen (rov. 5.6-5.6.6). De kantonrechter heeft de verzoeken van Werknemer grotendeels toegewezen. Ook heeft de kantonrechter het verzoek van PostNL om Werknemer te veroordelen tot medewerking aan het uitlezen van zijn bestuurderskaart, op straffe van een dwangsom, toegewezen.
3.5
PostNL heeft hoger beroep ingesteld tegen de beschikking van de kantonrechter bij het hof Den Bosch. Verzocht is om de beschikking van de kantonrechter te vernietigen voor wat betreft de toegewezen verzoeken van Werknemer en Werknemer te veroordelen tot terugbetaling van de door de kantonrechter toegewezen bedragen.
3.6
Werknemer heeft een verweerschrift ingediend.
3.7
Op 1 augustus 2024 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. Beide partij hebben gebruik gemaakt van schriftelijke pleitnotities. Van de mondelinge behandeling is een proces-verbaal opgemaakt dat zich bij de processtukken bevindt.
3.8
Bij eindbeschikking van 12 september 2024 heeft het hof de bestreden beschikking vernietigd en de verzoeken van Werknemer alsnog afgewezen. Ook is Werknemer veroordeeld tot terugbetaling van de aan hem krachtens het vonnis van de kantonrechter betaalde bedragen.
3.9
Volgens het hof staat het wegnemen van goederen door Werknemer voldoende vast en vormt dit op zichzelf een dringende reden voor het ontslag op staande voet (rov. 3.5.4). Het gaat daarbij om het wegnemen van drie Apple iPhones, twee Samsung Galaxy en één Seagate IronWolf, met een totale waarde van € 2.572,99 (rov. 3.9.2).
3.10
Dat is komen vast te staan dat Werknemer goederen heeft weggenomen, heeft het hof, mede aan de hand van camerabeelden en met een uitgebreide motivering gebaseerd op de volgende feiten en omstandigheden (rov. 3.6.1 e.v.):
- Uit onderzoek van de camerabeelden blijkt dat de betreffende zendingen met onbeschadigde dichte dozen in Tilburg worden aangevoerd en in twee verschillende rolcontainers door Werknemer van de belader worden weggenomen om in de trailer te worden geladen;
- Werknemer heeft tijdens het laden ongeveer vier minuten doorgebracht in de trailer, zonder het licht aan en zonder dat duidelijk is geworden wat hij daar aan het doen was;
- Op de camerabeelden is te zien dat Werknemer na het laden van enkele rolcontainers stopt met laden en om onduidelijke redenen in de trailer blijft;
- Op de camerabeelden is te zien dat Werknemer het licht niet aan heeft gedaan in de trailer, zodat niet is te zien wat hij gedurende die tijd in de trailer deed;
- Op dat moment staat een grote hoeveelheid rolcontainers klaar om geladen te worden, maar Werknemer komt niet uit de trailer om te laden;
- In de vier minuten dat er bij Werknemer niets gebeurt, worden de trailers aan weerszijden van die van Werknemer in een gestaag tempo door de chauffeurs ingeladen, terwijl bij Werknemer helemaal niets gebeurt;
- Werknemer heeft de trailer door het verlaadteam laten verzegelen;
- Werknemer moest het trailernummer invoeren, maar hij heeft het verkeerde nummer ingevoerd;
- Uit de GPS-gegevens van de vrachtwagen en de trailer blijkt dat Werknemer onderweg ongeveer 30 seconden is gestopt;
- De boordcomputer van de vrachtwagen heeft tussen Tilburg en Son niet aangestaan;
- Bij aankomst in Son heeft Werknemer niet de verzegeling laten verbreken door medewerkers van het distributieteam te Son;
- Werknemer heeft de verzegeling zelf verbroken;
- Werknemer is gaan lossen en uit beeldonderzoek blijkt dat bij het lossen van de hiervoor genoemde rolcontainers de samenstelling daarvan is veranderd;
- De rolcontainers blijven in de open ruimte van het distributiecentrum staan totdat de pakketten uit die rolcontainers op de in het distributiecentrum aanwezige band worden gedeponeerd en dan beschadigd en zonder inhoud worden aangetroffen;
- Een medewerker van het distributiecentrum te Son heeft beschadigde dozen aangetroffen op de distributieband waarvan de inhoud was verdwenen.
3.11
In rov. 3.6.3 heeft het hof vastgesteld dat Werknemer tijdens het gesprek met PostNL Security op 27 juli 2023 is bevraagd over omstandigheden die aanleiding hebben gegeven tot zijn ontslag. Ook stelt het hof vast dat de camerabeelden van het laden en lossen door het hof zijn bekeken en tijdens de mondelinge behandeling samen met partijen zijn bekeken en besproken.
3.12
Het hof is eveneens ingegaan op een aantal feitelijke verweren van Werknemer ten aanzien van het wegnemen van goederen, mede aan de hand van camerabeelden. Voor een deel heeft Werknemer deze verweren ook naar aanleiding van vertoonde camerabeelden tijdens de mondelinge behandelingen in eerste aanleg en/of in hoger beroep aangevoerd. Het hof heeft al deze verweren gemotiveerd verworpen (rov. 3.6.4-3.6.8).
3.13
Aan de hand van niet steeds hetzelfde luidende verklaringen van Werknemer in eerste aanleg en in hoger beroep voor het feit dat hij na het inladen van de rolcontainers een lange tijd in de trailer bleef, heeft het hof geoordeeld dat deze verklaringen niet waarschijnlijk zijn en dat hierbij grote vraagtekens kunnen worden geplaatst. Dat Werknemer in de trailer misschien gevallen dozen terug zou hebben geplaatst, verdraagt zich onder meer niet met het feit dat deze dozen niet zijn gevallen toen de rolcontainers over de laadplank werden gerol; dat het licht in de trailer uit was; dat Werknemer dit niet heeft verklaard bij PostNL Security; dat het verblijf van Werknemer te lang duurde voor het (enkel) terugzetten van dozen, en de werkwijze van andere chauffeurs ter plaatse (rov. 3.6.4).
3.14
Over de stelling van Werknemer dat hij onderweg is gestopt bij een benzinepomp om sigaretten te kopen, heeft het hof geoordeeld dat het niet logisch is dat Werknemer de vrachtwagen geheel tot stilstand heeft gebracht, omdat hij al rijdende heeft kunnen zien dat deze benzinepomp niet open was. Het was nacht en dat de shop niet open was, moet van een afstand al duidelijk zijn geweest (rov. 3.6.5).
3.15
Verder heeft het hof aan de hand van de camerabeelden uitgebreid gemotiveerd vastgesteld dat het niet mogelijk is dat anderen iets zouden hebben gewijzigd aan de vracht in de tijd tussen de verzegeling in Tilburg en de aankomst in Son. Dat het hof niet met zekerheid kan vaststellen dat het ontzegelen altijd plaatsvindt conform de instructie door iemand van het distributiecentrum (en het door Werknemer verbreken van de verzegeling op zichzelf dus niet bijzonder is), neemt niet weg dat het niet mogelijk is dat anderen iets hebben gewijzigd aan de vracht. Bij het lossen van de rolcontainers in Son heeft een medewerker aldaar geen doos kunnen openen, nu op de camerabeelden te zien is dat de medewerker steeds in beeld blijft en in een constant tempo heen en weer blijft lopen. Hij kan in die tijd geen doos hebben geopend en er iets uitgehaald hebben zonder dat dit op camera te zien is geweest. Dat PostNL niet heeft gecontroleerd of in Son tegen de chauffeurs werd gezegd dat dat zij zelf de verzegeling konden verbreken, zoals Werknemer heeft verklaard, wil niet zeggen dat anderen de pakketten konden openmaken en er goederen uit konden meenemen en evenmin dat dit het wegnemen van goederen rechtvaardigt (rov. 3.6.6).
3.16
Volgens het hof is het erg toevallig (maar zeker niet doorslaggevend) dat juist in de nacht waarin zendingen uit de door Werknemer vervoerde vracht is verdwenen, Werknemer het verkeerde trailernummer heeft ingevuld en de boordcomputer niet werkte (rov. 3.6.7). Daarbij heeft het hof de wisselende verklaringen van Werknemer betrokken (de boordcomputer zou in slaapstand zijn gevallen / het stekkertje zou wel eens losraken).
3.17
Het hof gaat voorbij aan de stelling van Werknemer dat PostNL eerder en beter onderzoek had moeten doen, onder andere naar de door Werknemer gestelde instructie dat hij zelf de verzegeling moest verbreken. Volgens het hof kan nader onderzoek niet afdoen aan het feit dat het gelet op de vaststaande omstandigheden, het eigenlijk niet anders kan dan dat het Werknemer is geweest die de goederen heeft weggenomen (rov. 3.6.8):
“Als die bijkomende omstandigheden worden weggedacht, dan is het nog steeds zo dat het eigenlijk niet anders kan dan dat het Werknemer is geweest die de goederen heeft weggenomen. Ook dan is namelijk niet te begrijpen hoe het kan dat de pakjes intact zijn ingeladen, maar op de band in Son bleek dat ze niet meer intact waren en de inhoud was verdwenen. Nergens op de beelden is te zien dat Werknemer met zijn handen in die pakketten heeft gezeten, maar het hele proces van het inladen en het uitladen in de distributiecentra wordt vanuit allerlei hoeken met camera's opgenomen. Het enige wat niet is opgenomen, is wat er in de vrachtwagen en onderweg is gebeurd, terwijl daarvoor maar één persoon verantwoordelijk was en dat was Werknemer.”
3.18
Het hof overweegt tot slot dat geen absolute zekerheid hoeft te bestaan dat Werknemer de goederen heeft weggenomen. Het hof is van oordeel dat in dit geval sprake is van een zodanige mate van aannemelijkheid dat verdere bewijslevering niet aan de orde is (rov. 3.6.9).
3.19
Hierna overweegt het hof nog dat het ontslag op staande voet onverwijld is gegeven (rov. 3.7.1-3.7.2); dat het ontslag van Werknemer op staande voet in de gegeven (bekende en persoonlijke) omstandigheden gerechtvaardigd was (rov. 3.8.1-3.8.2) en dat het voor Werknemer zonder meer duidelijk moet zijn geweest dat het wegnemen van goederen tot ontslag op staande voet zou leiden (rov. 3.9.1-3.9.3).
3.20
De verzoeken van Werknemer om een vergoeding wegens onregelmatige opzegging, een billijke vergoeding en een transitievergoeding zijn afgewezen en Werknemer is veroordeeld tot terugbetaling van deze vergoedingen (rov. 3.10.1-3.10.3).
3.21
Bij procesinleiding van 12 december 2024 heeft Werknemer tijdig cassatieberoep ingesteld tegen de beschikking van 12 september 2024. Bij de procesinleiding zijn een aantal bijlagen gevoegd, namelijk (bijlage 1) een e-mailbericht van de advocaat van PostNL in feitelijke instanties (mr. Filippo) aan het hof Den Bosch van 22 juli 2024; (bijlage 2) een bericht van de griffie van het hof Den Bosch aan mr. Filippo van 25 juli 2024 en (bijlage 3) een brief van mr. Tel aan het hof Den Bosch van 12 december 2024. In laatstgenoemde brief is verzocht om aanvulling van het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 1 augustus 2024. Met het oog daarop heeft Werknemer een voorbehoud gemaakt om zijn procesinleiding aan te vullen.6.Werknemer heeft de procesinleiding niet op een later moment aangevuld.
3.22
PostNL heeft op 13 februari 2025 een verweerschrift ingediend, waarin is geconcludeerd tot verwerping van het cassatieberoep. Bij het verweerschrift zijn eveneens enkele bijlagen gevoegd, namelijk (1) een schrijven van mr. Filippo aan het hof Den Bosch van 23 juli 2024; (2) een V6-formulier van het hof Den Bosch van 22 juli 2024; (3) een e-mail van mr. Filippo aan het hof Den Bosch en aan mr. Tel van 22 juli 2024; (4) een schrijven van mr. Filippo aan de advocaat van Werknemer in feitelijke instanties (mr. Tel) van 23 juli 2024; (5) een e-mail van mr. Filippo aan het hof Den Bosch en aan mr. Tel van 26 juli 2024.
3.23
Op 20 februari 2025 heeft Werknemer verzocht om een schriftelijke toelichting te mogen nemen, gelet op de bij het verweerschrift van PostNL gevoegde bijlagen.
3.24
Op 28 februari 2025 is namens de griffier van de Hoge Raad aan partijen medegedeeld dat Werknemer de gelegenheid wordt gegeven om binnen twee weken te reageren op de bij het verweerschrift gevoegde bijlagen.
3.25
Op 14 maart 2025 heeft Werknemer een schriftelijke reactie ingediend.
3.26
Op 28 maart 2025 heeft PostNL daarop gereageerd. Primair voert PostNL aan dat de schriftelijke reactie van Werknemer van 14 maart 2025 door de Hoge Raad buiten beschouwing moet worden gelaten, omdat Werknemer hierin vooral het inhoudelijke debat voortzet en zich niet heeft beperkt tot bespreking van de bijlagen die PostNL bij haar verweerschrift in cassatie heeft overgelegd. Subsidiair gaat PostNL in op een aantal feitelijke stellingen die zijn ingenomen in de schriftelijke reactie van 14 maart 2025.
4. De schriftelijke reactie van Werknemer van 14 maart 2025
4.1
Eerst zal worden besproken of de schriftelijke reactie van Werknemer van 14 maart 2025 buiten beschouwing moet worden gelaten omdat, zoals PostNL aanvoert, Werknemer zich daarin niet heeft beperkt tot een bespreking van de bijlagen die PostNL bij haar verweerschrift heeft overgelegd, maar ook het inhoudelijke debat in cassatie heeft voortgezet. In dat verband is het volgende van belang.
4.2
In een bericht van 28 februari 2025 is namens de griffier van de Hoge Raad aan partijen medegedeeld dat Werknemer de gelegenheid krijgt om te reageren op de bijlagen bij het verweerschrift in cassatie van PostNL. Dit bericht vormde een reactie op het verzoek van Werknemer om een schriftelijke toelichting in te mogen dienen, gelet op de bij het verweerschrift gevoegde bijlagen. Werknemer is dus nadrukkelijk géén gelegenheid geboden om een schriftelijke toelichting in te dienen (art. 428 lid 1 Rv en art. 3.2.12.1 Procesreglement Hoge Raad).
4.3
In de schriftelijke reactie van 14 maart 2025 heeft Werknemer zich echter niet beperkt tot een reactie op de door PostNL bij verweerschrift in cassatie overgelegde bijlagen. Hij bespreekt deze bijlagen wel, maar slechts in de alinea’s met randnummers 6-9. Dat Werknemer zich niet heeft beperkt tot een reactie op de bijlagen bij het verweerschrift in cassatie van PostNL is in strijd met de goede procesorde. Werknemer heeft hiermee ten onrechte de instructie (gedeeltelijk) naast zich neergelegd en het inhoudelijke debat op andere punten voortgezet.7.
4.4
Dit leidt tot de conclusie dat de alinea’s met randnummers 1-5 en 10-12 van de schriftelijke reactie van Werknemer van 14 maart 2025 in deze conclusie buiten beschouwing worden gelaten. Alleen wat is opgemerkt in de alinea’s met randnummers 6-9 kan dus bij de beoordeling in cassatie worden betrokken.
5. Bespreking van het cassatiemiddel
5.1
Het cassatieberoep valt uiteen in drie onderdelen. Onderdeel 1 is gericht tegen rov. 3.6.1-3.6.4, 3.6.6, 3.6.8-3.6.9, en voert met verschillende klachten aan, kort gezegd, dat het hof art. 19 lid 1 Rv en/of art. 6 lid 1 EVRM heeft geschonden nu het hof de camerabeelden aan zijn oordeel ten grondslag heeft gelegd. Onderdeel 2 is gericht tegen rov. 3.6.9 en voert aan dat het hof ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd, het (tegen)bewijsaanbod van Werknemer ten aanzien van het wegnemen van goederen heeft gepasseerd. Onderdeel 3 bevat een voortbouwklacht en is gericht tegen rov. 3.10.1-3.10.2 en 3.11-3.12.
5.2
Onderdeel 1 bevat drie rechtsklachten. De eerste rechtsklacht houdt in dat het hof het beginsel van hoor en wederhoor, zoals neergelegd in art. 19 lid 1 Rv en art. 6 lid 1 EVRM, heeft geschonden door zijn oordeel mede te baseren op de camerabeelden, terwijl Werknemer deze beelden niet voorafgaand aan de mondelinge behandeling heeft kunnen zien. Aangevoerd wordt (i) dat Werknemer er bij verweerschrift in hoger beroep op voorhand met een beroep op de fundamentele vereisten van een goede procesorde, uitdrukkelijk bezwaar tegen heeft gemaakt als de camerabeelden ter zitting van het hof zouden worden vertoond zonder dat hij daar voorafgaand aan die zitting tijdig (met zijn advocaat) kennis van kon nemen, teneinde zich daar ter zitting adequaat tegen te kunnen verweren; (ii) dat het hof er (bij aanvang) van de mondelinge behandeling mee bekend was dat Werknemer en zijn advocaat de camerabeelden – ondanks hun uitdrukkelijk geuite wens – niet voorafgaand aan de mondelinge behandeling hadden bekeken doordat dit door beveiliging van de bestanden niet mogelijk was; (iii) dat PostNL de camerabeelden pas tien dagen voor de mondelinge behandeling in het geding heeft gebracht, maar op een zodanige wijze dat daarvoor een speciaal programma nodig was, waarbij het hof heeft vastgesteld “dat het misschien niet eenvoudig was om de beelden te bekijken, maar niet onmogelijk” en de advocaat van PostNL heeft opgedragen zulke camerabeelden de volgende keer op een andere manier aan te leveren. Dit terwijl aan het hof bekend was dat het de rechtbank in eerste aanleg ook niet gelukt was de beelden op de door PostNL verstrekte wijze vertoond te krijgen waardoor de beelden tijdens de mondelinge behandeling in eerste aanleg vertoond moesten worden op een laptop van PostNL, en (iv) dat van de zijde van Werknemer tijdens de mondelinge behandeling bij het hof nog eens het bezwaar is herhaald dat de camerabeelden vooraf overlegd hadden moeten worden.
5.3
Aangevoerd wordt dat Werknemer aldus de mogelijkheid is onthouden om op een adequate wijze verweer te kunnen voeren.
5.4
De tweede rechtsklacht houdt in dat het hof door zijn beslissing mede te baseren op de camerabeelden, het beginsel van equality of arms heeft geschonden. Werknemer is ten aanzien van het voeren van verweer tegen de camerabeelden op een duidelijke achterstand gezet ten opzichte van PostNL, nu hij die beelden niet voorafgaand aan de zitting (met zijn advocaat) heeft kunnen bekijken en daar pas op de zitting mee is geconfronteerd. Hierdoor is hem bovendien de mogelijkheid ontnomen om op voorhand voor hem ontlastende passages in die beelden op te sporen (en ter zitting aan te wijzen), terwijl PostNL het hof juist wel kon wijzen op passages die in haar ogen verdacht en belastend voor Werknemer waren. Het hof had, gegeven de feiten en omstandigheden van het geval, hetzij de camerabeelden buiten beschouwing moeten laten, hetzij ambtshalve Werknemer in de gelegenheid moeten stellen om, op een wijze die wel recht doet aan het beginsel van hoor en wederhoor, (met zijn advocaat) kennis te kunnen nemen van die beelden en om zich daarover uit te kunnen laten, zulks ofwel door de mondelinge behandeling aan te houden, ofwel door Werknemer een nadere akte te laten nemen.
5.5
De derde rechtsklacht luidt dat voor over de beslissing van het hof zo moet worden begrepen dat het hof van oordeel is dat (in voldoende mate) recht wordt gedaan aan het beginsel van hoor en wederhoor, wanneer het voor een partij het moeilijk maar niet onmogelijk is om kennis te nemen van gegevens die de andere partij in het geding brengt, dit getuigt van een onjuiste rechtsopvatting.
5.6
Bij de bespreking van de klachten is het volgende voorop te stellen.
5.7
Art. 6 lid 1 EVRM en art. 19 lid 1 Rv (beginsel van hoor en wederhoor) eisen dat een partij voldoende in de gelegenheid wordt gesteld om adequaat te (kunnen) reageren op stellingen en overgelegde bewijsmiddelen die de rechter ten nadele van deze partij bij zijn oordeel betrekt.8.De omstandigheden waaronder een partij haar zaak bepleit, mogen er niet toe leiden dat zij op een substantieel nadeel komt te staan ten opzichte van de wederpartij.9.
5.8
5.9
In lijn hiermee is in art. 1.1.4.5 en 1.2.4.9 van het Procesreglement gerechtshoven voor verzoekschriftprocedures voorgeschreven dat partijen de bewijsmiddelen die zij ter gelegenheid van een mondelinge behandeling in hoger beroep in het geding brengen van tevoren en binnen een bepaalde termijn aan de wederpartij en aan het hof verstrekken (voor zaken als de onderhavige: uiterlijk op de zevende kalenderdag voorafgaand aan de mondelinge behandeling).11.Deze termijn is echter niet beslissend voor het antwoord op de vraag of bewijsmiddelen in strijd met de goede procesorde zijn overgelegd: of bewijsmiddelen die binnen of buiten deze termijn zijn overgelegd (toch) niet of wel worden toegelaten, hangt mede af van de aard en omvang van de bewijsmiddelen en de vraag of de wederpartij bezwaar heeft gemaakt.12.
5.10
Of voor een reactie als hiervoor bedoeld voldoende gelegenheid is geboden met een gekozen wijze van verstrekking (en gebruik) van bepaalde bewijsmiddelen, zal uiteindelijk afhankelijk zijn van alle relevante omstandigheden van het geval.13.De rechter vervult in dit verband een sleutelrol:14.
“Indien een partij in een geding zich op (bewijs)materiaal wil beroepen en daartoe bijvoorbeeld geluidsopnamen (en uitgewerkte verslagen daarvan) ter griffie deponeert, is de rechter, teneinde de goede procesorde en in het bijzonder het beginsel van hoor en wederhoor te waarborgen, gehouden genoegzame maatregelen te nemen om een adequate kennisneming van het materiaal door hem en de wederpartij mogelijk te maken, zo nodig met door de deponerende partij te verschaffen technische hulpmiddelen. De rechter zal hierbij zowel een goed verloop van het geding als de praktische uitvoerbaarheid van zulke maatregelen in het oog moeten houden. Afhankelijk van de omstandigheden van het geval zal voormelde verplichting hem ertoe nopen de partij die het materiaal in het geding brengt te vragen welk belang gediend is met kennisneming van dat materiaal. De rechter kan het immers geboden achten - gelet op onder meer de omvang van het gedeponeerde, de toegankelijkheid ervan, de positie van de wederpartij en de aard van het geschil - dat ten behoeve van de wederpartij en hemzelf wordt opgehelderd ter toelichting of staving van welke stelling het gedeponeerde materiaal is bedoeld en welk (onder)deel van het gedeponeerde daartoe van belang is. Bij het uitblijven van de gevraagde opheldering of medewerking kan de rechter het gedeponeerde materiaal terzijde laten.”
5.11
Ten aanzien van bewijsmiddelen in de vorm van camerabeelden is nog het volgende op te merken.
5.12
Gelet op het belang van hoor en wederhoor geldt de wegwijsplicht – de verplichting voor een partij om duidelijk te maken welke (onderdelen van) bewijsmiddelen betrekking hebben op welke stellingen – m.i. ook voor een beroep op camerabeelden.15.
5.13
Verder zal een rechter een verzoek van een partij om relevante camerabeelden op een mondelinge behandeling te laten zien en bespreken, in beginsel niet mogen afwijzen.16.In dit verband kan van belang zijn dat een partij geen kennis kan nemen van de camerabeelden zonder rechterlijke tussenkomst.17.Hoe dan ook verdient het de voorkeur dat de rechter camerabeelden gezamenlijk met partijen bekijkt, en niet alleen achter haar bureau.18.
5.14
Ten slotte is van belang dat de rechter in het proces-verbaal van de mondelinge behandeling de inhoud van de vertoonde beelden zoveel mogelijk op zodanige wijze vastlegt, dat de mogelijke betekenis van dit bewijsmiddel voldoende vaststaat, aldus de parlementaire geschiedenis van het bewijsrecht.19.Verder zullen partijen ter gelegenheid van het vertonen van de beelden de resultaten daarvan moeten kunnen bespreken en elkaar daarover vragen kunnen stellen.20.Ook dit zal de rechter in het proces-verbaal moeten vastleggen.
5.15
Tegen deze achtergrond geldt voor de eerste rechtsklacht het volgende.
5.16
Als uitgangspunt heeft te gelden dat, gelet op het beginsel van hoor en wederhoor, Werknemer in voldoende mate in de gelegenheid moet zijn geweest om adequaat te kunnen reageren op de camerabeelden van PostNL.
5.17
Gelet op alle feiten en omstandigheden van het geval, is dat m.i. het geval geweest. Ter toelichting geldt het volgende.
5.18
In de eerste plaats staat vast dat de camerabeelden voorafgaand aan de mondelinge behandeling in hoger beroep door PostNL tijdig in het geding zijn gebracht, en dat de camerabeelden (inclusief het benodigde afspeelprogramma) zowel het hof als de advocaat van Werknemer ook tijdig hebben bereikt:
(i) Op 22 juli 2024 heeft mr. Filippo (advocaat van PostNL) aan het hof en aan mr. Tel (advocaat van Werknemer) per e-mail een link verstuurd, waarmee de camerabeelden en het daarvoor benodigde afspeelprogramma te downloaden waren.21.Deze e-mail bevat gebruiksinstructies, ook voor wat betreft het afspeelprogramma. De e-mail vermeldt tevens dat toezending van de link plaatsvindt met het oog op het bekijken en het voortvarend doornemen van de camerabeelden tijdens de mondelinge behandeling van 1 augustus 2024. In dit kader bevat de e-mail een weergave van hoe – volgens PostNL – tijdens de mondelinge behandeling in eerste aanleg camerabeelden zijn bekeken en een passage die luidt dat PostNL (zekerheidshalve) een eigen laptop met de camerabeelden zal meenemen naar de mondelinge behandeling in hoger beroep. Ook bevat de e-mail nog een aankondiging dat een usb-stick met de camerabeelden en het daarvoor bestemde afspeelprogramma per koerier zullen worden verstuurd aan het hof en aan mr. Tel.
(ii) Bij brieven van 23 juli 2024 heeft mr. Filippo een usb-stick met daarop de camerabeelden en het benodigde afspeelprogramma aan mr. Tel en aan het hof verstuurd.22.
(iii) Op 25 juli 2024 heeft het hof verzocht om de camerabeelden uiterlijk op 29 juli 2024 op een toegankelijke drager, zoals een usb-stick, aan de griffie en mr. Tel te verstrekken, zodat deze camerabeelden op de mondelinge behandeling aan de orde kunnen komen;23.
(iv) Op 26 juli 2024 heeft mr. Filippo per e-mail aan het hof en aan mr. Tel laten weten dat de usb-stick op 23 juli 2024 is verstuurd, waarbij zij een ontvangstbewijs heeft gevoegd.24.
(v) Mr. Tel heeft de usb-stick met daarop zowel de camerabeelden als het voor het bekijken daarvan benodigde programma, daadwerkelijk ontvangen.
(vi) Mr. Tel heeft hierover op 30 juli 2024 contact opgenomen met mr. Filippo contact, waarbij hij aangaf dat het hem niet lukte om de beelden af te spelen en dat hij net terug was van vakantie en niet op kantoor maar thuis aan het werk was; mr. Filippo heeft daarop mr. Tel een vrij gedetailleerde beschrijving van de camerabeelden gegeven.25.
5.19
In de tweede plaats staat vast dat het niet zo is dat Werknemer tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep voor het eerst de camerabeelden zag, en voorafgaand daaraan in het geheel geen kennis zou hebben gehad van wat er te zien is op de camerabeelden. In dit verband is te wijzen op het volgende:
(vii) Reeds het verweerschrift in eerste aanleg van PostNL bevat screenshots van camerabeelden en beschrijvingen daarvan (ontleend aan het als productie 12 bijgevoegde ‘Verslag van Beeldonderzoek’ van PostNL Security), waarbij ook duidelijk is gemaakt op welke punten een beroep wordt gedaan op camerabeelden.26.
(viii) Tijdens de mondelinge behandeling bij de kantonrechter op 17 november 2023 zijn camerabeelden van het laden en lossen vertoond en besproken.27.
(ix) In haar verzoekschrift in hoger beroep heeft PostNL vermeld op welke punten een beroep op camerabeelden wordt gedaan.28.
(x) In zijn verweerschrift in hoger beroep heeft Werknemer, al dan niet impliciet, op de camerabeelden gereageerd.29.
(xi) Mr. Filippo heeft voorafgaand aan de mondelinge behandeling in hoger beroep de camerabeelden vrij uitgebreid beschreven aan mr. Tel (zie hiervoor onder 5.18).
5.20
In de derde plaats kan niet worden aangenomen dat het (technisch) niet mogelijk was voor (de advocaat van) Werknemer om de camerabeelden voorafgaand aan de mondelinge behandeling in hoger beroep te bekijken:
(xii) Het hof heeft dat niet vastgesteld; de voorzitter heeft tijdens de mondelinge behandeling slechts opgemerkt “dat het misschien niet eenvoudig was om de beelden te bekijken, maar niet onmogelijk”.30.
(xiii) Vaststaat dat het hof zelf de camerabeelden voorafgaand aan de mondelinge behandeling wel heeft kunnen bekijken; de camerabeelden zijn niet op een andere wijze verstrekt aan het hof dan aan mr. Tel/Werknemer.
(xiv) Mr. Tel heeft voorafgaand aan de mondelinge behandeling in hoger beroep tegen mr. Filippo gezegd dat hij in verband met de beveiliging (van de werkomgeving van mr. Tel) de camerabeelden niet heeft kunnen bekijken en dat hij net terug was van vakantie.
5.21
In de vierde plaats staat vast dat tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep de camerabeelden uitgebreid zijn vertoond en besproken. Werknemer en zijn advocaat hebben toen ook gereageerd op de vertoonde beelden, zo blijkt uit zowel het proces-verbaal als de bestreden beschikking (rov. 3.6.3 e.v.). Er zijn geen aanknopingspunten in het proces-verbaal dat Werknemer of zijn advocaat zich niet in staat hebben geacht adequaat te reageren op de beelden, de bespreking van die beelden door het hof of opmerkingen daarover van de zijde van PostNL.
5.22
In de vijfde plaats staat vast dat van de zijde van Werknemer geen bezwaar is gemaakt tegen het vertonen van de camerabeelden tijdens de mondelinge behandeling, noch voorafgaand daaraan noch tijdens de mondelinge behandeling.
(xv) In de aanloop naar en tijdens de mondelinge behandeling van 1 augustus 2024 is van de zijde van Werknemer geen bezwaar gemaakt tegen het laten zien van de camerabeelden en het gebruik daarvan door het hof. Waar Werknemer in cassatie aanvoert dat wel bezwaar is gemaakt en dat het hof is verzocht niet toe te staan dat de camerabeelden tijdens de mondelinge behandeling worden vertoond (procesinleiding onder punt 11), is op te merken dat dit bezwaar is gemaakt in het verweerschrift in hoger beroep, voordat de e-mail en de usb-stick met de camerabeelden waren toegezonden.31.Dit bezwaar is tijdens de mondelinge behandeling niet gehandhaafd; mr. Tel heeft daar verklaard dat hij de camerabeelden niet vóór de mondelinge behandeling van 1 augustus 2024 heeft kunnen bekijken in verband met de beveiliging (van zijn werkomgeving) en dat hij net terug was van vakantie, maar dat mr. Filippo hem wel een vrij gedetailleerde beschrijving van de beelden heeft kunnen geven.32.
(xvi) Mr. Tel heeft weliswaar tijdens de mondelinge behandeling gezegd dat de beelden overgelegd hadden moeten worden, maar die uitlating moet worden gezien in haar context, namelijk als reactie op de door mr. Tel opgeworpen zelf vraag of de beelden wel dezelfde zijn als die in eerste aanleg zijn getoond. In het proces-verbaal staat daarover het volgende: “Mr. Tel: die beelden is een productie, is dat bewijs voor de stelling van PostNL? Dat had overgelegd moeten worden. Dan was er geen vraag of er een andere productie is overgelegd nu en in 1e aanleg.”33.Hieruit kan niet worden afgeleid dat mr. Tel tijdens de mondelinge behandeling ‘het bezwaar tegen het vertonen van de beelden zonder dat deze voorafgaand als productie in het geding zijn gebracht heeft herhaald’ (procesinleiding onder punt 17).
5.23
Dat van de zijde van Werknemer niet geklaagd is dat niet in voldoende mate gereageerd kon worden op de camerabeelden omdat deze voorafgaand aan de mondelinge behandeling niet zijn ingezien door de advocaat van Werknemer en met Werknemer zijn doorgenomen, is overigens op zichzelf niet doorslaggevend. Terecht gaat de tweede rechtsklacht van het eerste onderdeel ervan uit dat op de rechter de taak rust om ambtshalve te bewaken of het beginsel van hoor en wederhoor in acht wordt genomen. Ook als een partij zelf niet (direct) klaagt over schending van het beginsel, kan er aanleiding zijn voor de rechter om in te grijpen en processuele maatregelen te nemen om te zorgen dat recht wordt gedaan aan het beginsel. In voorkomende gevallen kan de rechter, om recht te doen aan het beginsel van hoor en wederhoor, een partij in de gelegenheid stellen nog een akte te nemen of de zitting aanhouden (zie ook het onder punt 5.10 geciteerde arrest van de Hoge Raad). Maar er moet wel aanleiding zijn voor de rechter om hiertoe over te gaan. In de voorliggende zaak was dat m.i. niet het geval. Gelet op alle feiten en omstandigheden die hiervoor zijn vermeld, mocht het hof er redelijkerwijs aannemen dat Werknemer zich in voldoende mate kunnen uitlaten over de camerabeelden. Voor zover Werknemer ervan uitgaat dat deze feiten en omstandigheden niet zijn komen vast te staan, mist de klacht feitelijke grondslag.
5.24
Dan rest nog de vraag: was het inderdaad lastig om de camerabeelden op de usb-stick te openen, waardoor Werknemer op achterstand is komen te staan ten opzichte van PostNL? Dat is niet het geval. De usb-stick met daarop de camerabeelden en de benodigde hulpprogramma’s (die zich in beide procesdossiers bevinden) zijn op eenvoudige wijze te openen op een standalone computer, zo heb ik zelf vastgesteld. Waarschijnlijk is het zo dat als enige belemmering geldt dat de hulpprogramma’s niet kunnen worden gedownload op een computer die onderdeel uitmaakt van een netwerk, omdat daarop doorgaans beveiligingsprogramma’s zitten die het downloaden van de hulpprogramma’s onmogelijk maken.
5.25
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat geen sprake is geweest van schending van het beginsel van hoor en wederhoor; Werknemer is in voldoende mate in de gelegenheid geweest om adequaat te kunnen reageren op de camerabeelden van PostNL.
5.26
Daarmee faalt de eerste klacht.
5.27
Voor de derde rechtsklacht, die inhoudt, kort samengevat, dat het hof ten onrechte ervanuit is gegaan dat (in voldoende mate) recht wordt gedaan aan het beginsel van hoor en wederhoor, wanneer het voor een partij moeilijk maar niet onmogelijk is om kennis te nemen van gegevens die de andere partij in het geding brengt, geldt dat voor deze klacht een feitelijke grondslag ontbreekt en dat de klacht reeds daarom niet slaagt.
5.28
Door het hof is namelijk niet geoordeeld dat (in voldoende mate) recht wordt gedaan aan het beginsel van hoor en wederhoor, wanneer het voor een partij het moeilijk maar niet onmogelijk is om kennis te nemen van gegevens die de andere partij in het geding brengt. Het hof heeft overwogen dat het “misschien niet eenvoudig was om de beelden te bekijken, maar niet onmogelijk”. Dat is niet hetzelfde. De overweging van het hof is kennelijk ingegeven door het feit dat voor het bekijken van de camerabeelden een speciaal programma nodig is (op een laptop buiten een werknetwerk), zo is uit het proces-verbaal af te leiden.34.
5.29
Anders dan de procesinleiding (kennelijk) veronderstelt (onder randnummer 16) heeft het hof niet geoordeeld dat het nodig dat de bestanden worden bekeken op een ‘lege’ computer met alleen de fabrieksinstellingen; vereist is slechts – zo maak ik op uit p. 2 van het proces-verbaal – dat de computer niet verbonden is met een netwerk (zoals het netwerk van het kantoor van de advocaat van Werknemer en het netwerk van de rechtspraak) dat zo is beveiligd, dat het programma dat gedownload moet worden om de beelden te bekijken geblokkeerd wordt. Zoals gezegd zijn de camerabeelden op de usb-stick te bekijken op een standalone computer (zie onder 5.24).
5.30
Nu de eerste en de derde klacht niet kunnen slagen, faalt ook de tweede rechtsklacht van het eerste onderdeel. Volgens die klacht heeft het hof het beginsel van equality of arms geschonden door zijn beslissing mede te baseren op de camerabeelden. Nu aangenomen moet worden dat Werknemer in voldoende mate heeft kunnen reageren op de camerabeelden en er geen aanleiding was voor het hof om nadere instructies te geven teneinde recht te doen aan het beginsel van hoor en wederhoor, terwijl er bovendien van moet worden uitgegaan dat Werknemer tijdig voor de mondelinge behandeling beschikte over de e-mail en de usb-stick waarop de camerabeelden stonden en die beelden ook raadpleegbaar waren, is niet in te zien dat sprake is geweest van schending van het beginsel van equality of arms. Werknemer is dus ten opzichte van PostNL niet op een substantieel nadeel komen te staan.
5.31
De slotsom is dat het hof noch art. 6 lid 1 EVRM noch art. 19 lid 1 Rv heeft geschonden door de camerabeelden aan zijn oordeel ten grondslag te leggen. Daarmee falen de klachten van onderdeel 1.
Onderdeel 2: tegenbewijsaanbod van Werknemer ten onrechte gepasseerd?
5.32
Onderdeel 2 valt uiteen in twee rechtsklachten en een motiveringsklacht. De klachten zijn gericht tegen het oordeel van het hof in rov. 3.6.9, dat in de onderhavige zaak sprake is van een zodanige mate van aannemelijkheid (van het wegnemen van goederen door Werknemer) dat verdere bewijslevering niet aan de orde is. De klachten van het onderdeel gaan ervan uit dat het hof hiermee een tegenbewijsaanbod van Werknemer heeft gepasseerd.
5.33
De eerste rechtsklacht houdt in dat indien de beslissing zo moet worden begrepen dat het hof heeft geoordeeld dat aan het leveren van tegenbewijs (door het horen van getuigen) niet wordt toegekomen – en het bewijsaanbod van Werknemer dus gepasseerd wordt – omdat het zodanig aannemelijk is dat Werknemer de goederen heeft weggenomen, dat het niet in de rede ligt dat hij het door PostNL (door middel van de camerabeelden) geleverde bewijs van de aan het ontslag ten grondslag gelegde dringende reden zal weten te ontzenuwen, die beslissing van een onjuiste rechtsopvatting getuigt. Het hof heeft dan miskend dat een bewijsaanbod – en ook een aanbod tot het leveren van tegenbewijs – niet mag worden gepasseerd op grond van een prognose omtrent de waarde van het te leveren bewijs.
5.34
Indien het hof aan het aanbod van Werknemer tot het leveren van tegenbewijs voorbij is gegaan omdat hij dat aanbod onvoldoende gespecificeerd vond, zo luidt de tweede rechtsklacht, getuigt ook dat van een onjuiste rechtsopvatting omdat een aanbod tot het leveren van tegenbewijs niet gespecificeerd hoeft te worden.
5.35
Ten slotte houdt de derde klacht van onderdeel twee in dat indien het hof het aanbod tot het leveren van tegenbewijs op andere gronden heeft verworpen, die impliciete beslissing onvoldoende is gemotiveerd, omdat noch uit rov. 3.6.9, noch uit enige andere overweging blijkt op welke gronden het hof dat bewijsaanbod dan heeft gepasseerd.
5.36
Bij de bespreking van de klachten is het volgende voorop te stellen.
5.37
Het staat een partij in beginsel vrij om tegenbewijs te leveren, voordat de rechter overgaat tot een definitieve waardering van de stellingen van partijen en van het reeds beschikbare bewijs (art. 151 lid 2 Rv). De rechter is, als uitgangspunt, verplicht om een partij die een tegenbewijsaanbod heeft gedaan de gelegenheid te bieden tegenbewijs te leveren.
5.38
Een tegenbewijsaanbod behoeft in beginsel geen specificatie en hoeft ook niet in te houden welk bewijs daarmee beoogd wordt te ontkrachten.35.Een uitzondering op het niet hoeven specificeren van het aanbod tot tegenbewijs vormt het geval dat in eerste aanleg reeds in het kader van door een partij te leveren tegenbewijs getuigen zijn gehoord en het bewijsaanbod dat die partij vervolgens in appel doet, gericht is op het leveren van aanvullend tegenbewijs.36.
5.39
Ook mag de rechter niet aan een aanbod tot tegenbewijs voorbijgaan op grond van het (verwachte) resultaat van de tegenbewijslevering (het zogenaamde prognoseverbod).37.
5.40
Wel geldt ook voor een aanbod tot tegenbewijs dat een partij moet hebben voldaan aan haar stelplicht, dus een betwisting heeft gedaan in de vorm van (voldoende) gemotiveerde stellingen die, indien bewezen, tot een ander oordeel kunnen leiden.38.Ontbreekt een dergelijke betwisting, dan komt de rechter niet toe aan tegenbewijslevering. Voor tegenbewijslevering is immers slechts plaats wanneer de door de andere partij ingenomen stellingen, mede in het licht van het reeds aanwezige bewijsmateriaal, voldoende gemotiveerd betwist is.
5.41
Een tegenbewijsaanbod moet verder ter zake dienend zijn. Dat is al het geval als het tegenbewijs betrekking heeft op een feitelijke stelling die dragend is voor het dictum; vereist is dat het tegenbewijs – als de levering daarvan is geslaagd – mogelijk tot een ander oordeel leidt.39.
5.42
Voor wat betreft de stelplicht in de voorliggende zaak geldt als uitgangspunt dat de stelplicht en bewijslast ten aanzien van de feiten die aan een ontslag op staande voet ten grondslag worden gelegd rusten op de werkgever.40.
5.43
Daartegenover kan van de werknemer een voldoende gemotiveerde betwisting worden verlangd.41.Blijft deze betwisting uit, dan kan de rechter oordelen dat de dringende reden is komen vast te staan. Onder (zeer) bijzondere omstandigheden kan de bewijslast ten aanzien van de dringende reden zelfs worden omgedraaid.42.
5.44
Wat in dit kader aan de motivering van de betwisting door de werknemer kan worden gevergd, hangt af van de ontwikkeling van het processuele debat. Hoe meer gedetailleerd de stellingen van de werkgever zijn, des te gedetailleerder zal de werknemer zijn verweer moeten toelichten en motiveren. Verder geldt dat méér van de werknemer wordt gevraagd als het gaat om de toelichting of motivering van stellingen die in zijn domein liggen. Ook als de werknemer tegenstrijdige of steeds wisselende stellingen inneemt, kunnen hogere eisen worden gesteld aan de motivering van de betwisting door werknemer.43.In dergelijke gevallen kan de werknemer niet volstaan met een ‘blote ontkenning’.44.
5.45
Tegen deze achtergrond worden de klachten besproken.
5.46
Werknemer heeft in hoger beroep het volgende (tegen)bewijsaanbod gedaan:45.
“Werknemer biedt aan bewijs te leveren door alle mogelijke middelen. Daaronder is in ieder geval begrepen het horen van getuigen en het overleggen van nadere bescheiden. Dit zonder onverplicht bewijslast naar zich toe te willen halen. Tot slot is Werknemer bereid, en wenst zij in voorkomend geval te worden toegelaten, tot het leveren van tegenbewijs.”
5.47
Het hof heeft niet expliciet beslist op dit bewijsaanbod. Wel heeft het hof geoordeeld dat het eigenlijk niet anders kan dan dat Werknemer de goederen heeft weggenomen:
“3.6.8. Werknemer heeft aangevoerd dat PostNL een tunnelvisie heeft en dat van haar mocht worden verwacht dat zij eerder en beter de argumenten van Werknemer had moeten onderzoeken, onder andere het argument dat hij zelf de verzegeling moest verbreken. Het hof is van oordeel dat het bij dat (volgens Werknemer gebrekkige) onderzoek gaat om bijkomende omstandigheden die maken dat er extra redenen zijn om ervan uit te gaan dat Werknemer goederen heeft weggenomen. Als die bijkomende omstandigheden worden weggedacht, dan is het nog steeds zo dat het eigenlijk niet anders kan dan dat het Werknemer is geweest die de goederen heeft weggenomen. Ook dan is namelijk niet te begrijpen hoe het kan dat de pakjes intact zijn ingeladen, maar op de band in Son bleek dat ze niet meer intact waren en de inhoud was verdwenen. Nergens op de beelden is te zien dat Werknemer met zijn handen in die pakketten heeft gezeten, maar het hele proces van het inladen en het uitladen in de distributiecentra wordt vanuit allerlei hoeken met camera's opgenomen. Het enige wat niet is opgenomen, is wat er in de vrachtwagen en onderweg is gebeurd, terwijl daarvoor maar één persoon verantwoordelijk was en dal was Werknemer.”
5.48
Deze overweging volgt na een uitvoerige bespreking door het hof van alle feitelijke stellingen die PostNL aan de dringende reden ten grondslag heeft gelegd; van wat daarover op de camerabeelden te zien is of welk bewijs daar anderszins voor bestaat, en wat Werknemer daar tegenover als verweer heeft gevoerd (rov. 3.6.1-3.6.7).
5.49
Tegen die achtergrond kan rov. 3.6.8 niet anders worden begrepen, dan dat het hof daarmee uitdrukt dat er geen (voldoende gemotiveerde) stellingen van Werknemer zijn overgebleven die, indien bewezen, tot een ander oordeel over de bewijslevering door PostNL zouden kunnen leiden. Het hof heeft de stellingen van Werknemer die een betwisting inhouden van het door PostNL gestelde in de rov. 3.6.1-3.6.7 besproken. Voor een deel van die stellingen heeft het hof geoordeeld dat zij geen voldoende betwisting inhouden van de stellingen van PostNL, omdat Werknemer – na de weerspreking daarvan door PostNL – geen nadere stellingen heeft ingenomen. Voor een ander deel van die stellingen geldt dat het hof heeft geoordeeld dat die stellingen, ook als zij juist zouden zijn, niet tot een andere beslissing kunnen leiden.
5.50
Het eerste geldt bijvoorbeeld voor de stelling van Werknemer dat hij onderweg bij een benzinepomp is gestopt omdat hij sigaretten wilde kopen, terwijl vaststaat dat de shop niet open was en Werknemer dit ook van een afstand heeft kunnen zien (rov. 3.6.5). Op dit punt heeft Werknemer geen nadere of andere stellingen ingenomen die, indien bewezen, tot een verklaring voor zijn tussenstop zou leiden.
5.51
Het geldt ook voor wat Werknemer heeft aangevoerd tegenover de stelling van PostNL dat hij bij het inladen van de rolcontainers onverklaarbaar lang (vier minuten) en met het licht uit in de trailer is gebleven en niet is doorgegaan met inladen (rov. 3.6.4). Het hof constateert dat Werknemer hierover wisselende verklaringen heeft afgelegd. Eerst heeft hij verklaard dat hij soms rustig aan doet met laden; daarna heeft hij verklaard dat hij niet door kon gaan met laden omdat hij niet over de rode streep stond en er geen rolcontainers voor de rode streep stonden; vervolgens heeft hij gezegd dat er uit de rolcontainers dozen zijn gevallen en dat hij misschien bezig was die weer in te laden.46.Al deze stellingen heeft het hof besproken en, mede aan de hand van de camerabeelden, niet steekhoudend bevonden. Ook hier geldt dat Werknemer geen nadere of andere stellingen heeft ingenomen die, indien bewezen, tot een aannemelijke verklaring voor zijn vier minuten durende verblijf in de trailer kunnen leiden.
5.52
Verder blijkt uit rov. 3.6.8 dat het hof van oordeel is dat de juistheid van de stelling van Werknemer dat hem bij het distributiecentrum in Son zou zijn opgedragen om, in strijd met de instructies van PostNL, zelf de verzegeling te verbreken, in het midden kan blijven. Datzelfde geldt, zo ligt besloten in rov. 3.6.7, voor de stellingen van Werknemer dat hij per ongeluk het verkeerde trailernummer heeft ingevoerd (waardoor de GPS gegevens aanvankelijk niet aan de trailer van Werknemer konden worden gelinkt47.), en de boordcomputer niet werkte omdat er een stekkertje loszat. Daarbij heeft het hof kennelijk meegewogen dat Werknemer op het punt van het niet werken van de boordcomputer aanvankelijk een andere stelling had ingenomen, namelijk dat deze in slaapstand was geraakt. Nadat PostNL had aangevoerd dat dat niet mogelijk was, heeft Werknemer verklaard dat het stekkertje wel eens los zit. Voor al deze stellingen overweegt het hof dat het gaat om ‘bijkomende omstandigheden’, die niet tot een ander oordeel kunnen leiden, ‘omdat het eigenlijk niet anders kan dan dat het Werknemer is geweest die de goederen heeft weggenomen.’ Met andere woorden: in het licht van de door PostNL ingenomen stellingen en het daartegen door Werknemer gevoerde verweer, zijn er geen scenario’s denkbaar die tot een andere uitkomst zouden kunnen leiden en waarin Werknemer zou worden vrijgepleit (omdat alleen Werknemer verantwoordelijk was voor het transport). De overweging dat het eigenlijk niet anders kan dan dat het Werknemer is geweest die de goederen heeft weggenomen, is in cassatie niet bestreden.
5.53
Tegen deze achtergrond moet het oordeel van het hof dat het wegnemen van goederen door Werknemer voldoende vast staat en dat in de onderhavige zaak sprake is van een zodanige mate van aannemelijkheid (van het wegnemen van goederen door Werknemer) – die niet absoluut hoeft te zijn – dat verdere bewijslevering niet aan de orde is, zo worden begrepen dat het hof heeft geoordeeld dat Werknemer het wegnemen van goederen onvoldoende gemotiveerd heeft betwist. Dit getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is ook in het licht van de gedingstukken niet onbegrijpelijk.
5.54
Het voorgaande betekent dat het hof het aanbod tot tegenbewijs niet heeft gepasseerd op grond van een verboden prognose van de bewijslevering (eerste klacht), en ook niet op grond van een onterechte eis van specificatie van het aanbod tot tegenbewijs (tweede klacht). Deze klagen falen derhalve.
5.55
De derde klacht slaagt evenmin. Hoewel het hof dit niet expliciet heeft overwogen, kan de bestreden rechtsoverweging, in samenhang met wat het hof in de daaraan voorafgaande overwegingen heeft besproken en beslist, niet anders worden begrepen dan dat het hof van oordeel is dat aan tegenbewijs niet wordt toegekomen omdat Werknemer, in het licht van alles wat door PostNL is aangevoerd, niet heeft voldaan aan zijn stelplicht. Voor wat betreft de door Werknemer tijdens de mondelinge behandeling van 1 augustus 2024 genoemde alternatieve verklaringen voor het ontbreken van (de inhoud van) pakketten geldt bovendien dat het hof aan de hand van concrete stellingen van PostNL en een overgelegde productie door PostNL de inhoud van de weggenomen goederen uitdrukkelijk heeft vastgesteld (rov. 3.9.2, als zodanig niet bestreden in cassatie).48.
5.56
Hiermee falen ook de klachten van het tweede onderdeel.
Onderdeel 3: voortbouwklacht
5.57
Nu de onderdelen 1 en 2 falen, is ook de voortbouwklacht in onderdeel 3 tevergeefs voorgesteld.
Slotsom
5.58
De slotsom is dat geen van de onderdelen slaagt. Het cassatieberoep moet daarom worden verworpen.
6. Conclusie
De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 12‑09‑2025
Het hof heeft in plaats van PostNL Transport B.V. abusievelijk Koninklijke PostNL Transport B.V. als verweerster in cassatie aangemerkt (p. 1, bestreden beschikking). Zie procesinleiding, voetnoot 1.
Hof Den Bosch 12 september 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:2884, rov. 3.2.1 e.v.
Rb. Oost-Brabant (ktr.) 12 december 2023, ECLI:NL:RBOBR:2023:5790, rov. 1.1 e.v.
Zie beschikking kantonrechter van 12 december 2023, rov. 2.7, waarin de brief is geciteerd. Zie ook de bestreden beschikking, rov. 3.6.3.
Idem.
Procesinleiding, onder punt 31.
Vgl. HR 19 december 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC2534, NJ 1999/399 m.nt. H.J. Snijders (X/Y), rov. 3 (terzijdelegging van een niet-toegestane reactie op een verweerschrift in cassatie). Vgl. voor andere gevallen van beperkingen van het partijdebat in cassatie: HR 20 december 2024, ECLI:NL:HR:2024:1890 (X/Officier van Justitie Amsterdam), rov. 1 (in beginsel geen aanvulling van stukken bij borgersbrief); HR 15 november 2024, ECLI:NL:HR:2024:1666 (X/Erasmus Universiteit Rotterdam), rov. 2.1.1 e.v. (een verweerschrift in cassatie dat in strijd met een oordeel van de rolraadsheer is ingediend, moet buiten beschouwing worden gelaten); HR 25 februari 2022, ECLI:NL:HR:2022:163 (Philips/Wiko SAS), rov. 3.1-3.3 (over de toelaatbaarheid van een conclusie van repliek); HR 12 februari 1988, ECLI:NL:HR:1988:AC2360, NJ 1988/443 (Staat/ABN), rov. 2 (beoordeling van een verzoek om een mondelinge of schriftelijke toelichting).
Dat volgt uit HR 29 november 2002, ECLI:NL:HR:2002:AF1210, NJ 2004/172 m.nt H.J. Snijders (Dipasa Europe/X), rov. 3.5.1; HR 26 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1751 (X/Provincie Noord-Holland c.s.), rov. 3.3.2; HR 7 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2263 (X/Warnaar c.s.), rov. 5.2; HR 12 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:588 (X/Vesteda), rov. 3.3.2. Uitgebreid over art. 19 lid 1 Rv: GS Burgerlijke Rechtsvordering, art. 19 (T.F.E. Tjong Tjin Tai), aant. 1-7 (actueel tot en met 18 februari 2024). Zie voor een uitgebreide bespreking van rechtspraak van het EHRM: ECHR Guide on Article 6 of the European Convention on Human Rights (updated 28 February 2025), p. 106-116.
Zie bijvoorbeeld EHRM 4 juni 2013, nr. 7963/05 (Vasilev/Bulgarije), rov. 32.
Zie bijvoorbeeld HR 17 februari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU4616 (Life Fit Centre Hengelo/X), rov. 3.3.2.
Procesreglement gerechtshoven verzoekschriftprocedures (16e versie, 2024). Vgl. ook art. 85 Rv over de verplichting om (schriftelijke) stukken in het geding te brengen waarop een partij een beroep doet, en daarover HR 22 november 2013, ECLI:NL:HR:2013:1384, NJ 2014/114 m.nt T.F.E. Tjong Tjin Tai (X/Y), rov. 3.5.2-3.5.3; GS Burgerlijke Rechtsvordering, art. 85 Rv (R.H. de Bock), aant. 6-8 (actueel tot en met 1 juni 2021); mijn conclusie van 3 september 2021 (ECLI:NL:PHR:2021:784), nrs. 3.19-3.20 (ten aanzien van geluidsopnames en camerabeelden), met verdere verwijzingen.
Dat volgt uit HR 29 november 2002, ECLI:NL:HR:2002:AF1210, NJ 2004/172 m.nt H.J. Snijders (Dipasa Europe/X), rov. 3.5.1-3.5.2; HR 17 februari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU4616 (Life Fit Centre Hengelo/X), rov. 3.3.2; HR 7 december 2007, ECLI:NL:HR:2007:BB9613, NJ 2008/554 m.nt. H.J. Snijders (X/Y), rov. 3.5; HR 3 december 2010, ECLI:NL:HR:2010:BO0197 (X c.s./Y), rov. 3.3.1-3.3.2.
Dat kan worden afgeleid uit EHRM 17 oktober 2019, nrs. 1874/13 en 8567/13 (López Ribalda c.s./Spanje), rov. 150 en 155-158 (over art. 6 lid 1 EVRM en gebruik van videobeelden); HR 29 november 2002, ECLI:NL:HR:2002:AF1210, NJ 2004/172 m.nt H.J. Snijders (Dipasa Europe/X), rov. 3.5.1-3.5.2; HR 3 december 2010, ECLI:NL:HR:2010:BO0197 (X c.s./Y), rov. 3.3.1-3.3.2.
HR 31 januari 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF0201, NJ 2004/48 m.nt. W.D.H. Asser (X/Jeugdzorg Noord-Brabant c.s.), rov. 3.5..
Zie mijn conclusie van 3 september 2021 (ECLI:NL:PHR:2021:784), onder punt 3.21-3.25 (ook over de rol van de rechter in dit verband), met verdere verwijzingen.
Zie mijn conclusie van 3 september 2018, ECLI:NL:PHR:2021:784, onder punt 3.26 e.v., met verdere verwijzingen. Zie ook HR 18 februari 2022, ECLI:NL:HR:2022:274 (X c.s./Nationale Politie), rov. 3.1.3, waaruit dit wellicht kan worden afgeleid.
Zie HR 18 februari 2022, ECLI:NL:HR:2022:274 (X c.s./Nationale Politie), rov. 3.1.3. In die zaak was de vordering van eisers tot afgifte van een kopie van de beelden afgewezen en in plaats daarvan was de politie opgedragen de beelden in de hoofdzaak ter zitting te tonen indien de rechter vertoning van de beelden toestaat. Eisers konden de beelden dus niet zelf als bewijs in het geding brengen (zie rov. 3.1.2 van het arrest).
Zie mijn conclusie van 3 september 2021, ECLI:NL:PHR:2021:784, onder punt 3.29-3.32.
Parl. Gesch. Bewijsrecht nieuw bewijsrecht 1988, p. 54 (MvA EK), p. 57 (Algemene beraadslaging EK). Zie ook mijn conclusie van 3 september 2021, ECLI:NL:PHR:2020:1153, onder punt.3.28-3.29.
Parl. Gesch. Bewijsrecht nieuw bewijsrecht 1988, p. 104-105 (MvA EK).
Bijlage 1, verweerschrift in cassatie. Zie ook het V6-formulier dat onderdeel is van de gedingstukken.
Bijlage 1, verweerschrift in cassatie. Zie ook het V6-formulier dat onderdeel is van de gedingstukken en rov. 2.1, derde gedachtestreepje van de bestreden beschikking.
Procesinleiding, bijlage 2.
Verweerschrift in cassatie, bijlage 2.
Zie proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 1 augustus 2024, p. 2, en pleitnotitie in hoger beroep van Werknemer, nr. 18. Zie verder verweerschrift in cassatie, p. 9.
Verweerschrift PostNL eerste aanleg, p. 11 e.v.
Zie proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 17 november 2023, p. 13-17.
Verzoekschrift hoger beroep PostNL, p. 9-13, 15 en 20-23.
Verweerschrift hoger beroep Werknemer, onder 22, 26-27, 45, en 48-49.
Zie proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 1 augustus 2024, p. 2
Werknemer heeft hierin bezwaar gemaakt tegen het laten zien van de camerabeelden tijdens de mondelinge behandeling als hem niet de mogelijkheid wordt geboden om de camerabeelden van tevoren te bekijken (door overlegging van de camerabeelden). Zie verweerschrift in hoger beroep, p. 2-3.
Proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 1 augustus 2024, p. 2, en pleitnotitie in hoger beroep van Werknemer, nr. 18.
Proces-verbaal mondelinge behandeling 1 augustus 2024, p. 17.
Proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 1 augustus 2024, p. 2.
Zie o.m. HR 29 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP9860 (X/Y), rov. 3.4.3; HR 3 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU7245 (X/SLS Wonen), rov. 3.3; HR 14 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2320, NJ 2019/20; HR 17 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:726, NJ 2022/87 m.nt H.J. Snijders (X/Y), rov. 3.5.2; HR 11 juli 2025, ECLI:NL:HR:2025:1141 (X/Y c.s.), rov. 3.2.
HR 3 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU7245 (X/SLS Wonen), rov. 3.3.
HR 17 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:726, NJ 2022/87 m.nt H.J. Snijders (X/Y), rov. 3.5.2; HR 11 juli 2025, ECLI:NL:HR:2025:1141 (X/Y c.s.), rov. 3.2.
HR 14 november 2003, ECLI:NL:HR:2003:AK4841, NJ 2005/269 m.nt. W.D.H. Asser onder NJ 2005/270, rov. 3.5.2-3.5.3; HR 8 oktober 2004, ECLI:NL:HR:2004:AP1083, NJ 2006/478 m.nt. J. Hijma (X/Y), rov. 3.9; HR 3 december 2004, ECLI:NL:HR:2004:AQ8089, NJ 2005/160 m.nt. M.M. Mendel (X/London Verzekeringen), rov. 3.7; HR 5 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY8101 (Lundiform/Mexx), rov. 3.4.4; HR 6 december 2024, ECLI:NL:HR:2024:1808 (Rozenstraat Amsterdam Beheer/X), rov. 3.1.2. Zie ook Asser Procesrecht/Asser 3 2023/224 e.v.
HR 12 september 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF7677, NJ 2005/268 m.nt W.D.H. Asser (TIMCO/NN), rov. 3.4.2-3.4.3; HR 17 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:726, NJ 2022/87 m.nt H.J. Snijders (X/Y), rov. 3.5.2; Asser Procesrecht/Asser 3 2023/220 en 224 e.v. Zie tevens HR 8 november 2024, ECLI:NL:HR:2024:1598 (X/Y c.s.), rov. 3.3; HR 8 oktober 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO9549, NJ 2007/48 m.nt G.J.J. van Voss (Vixia/X), rov. 3.6.
HR 4 mei 1984, ECLI:NL:HR:1984:AG4803, NJ 1984/609 (X/Meubelagenturen), rov. 3.3; HR 7 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3126 (X/Hyatt Aruba), rov. 3.4.3; HR 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:290 (X/Autocentrum Zuid Nederland), rov. 3.5.2; HR 18 januari 2019, ECLI:NL:HR:2019:55 (Stichting Mondriaan/X), rov. 3.3.2. Zie ook G.C. Boot, Arbeidsprocesrecht (Burgerlijk Proces & Praktijk nr. 17), Deventer: Wolters Kluwer 2019, p. 150.
HR 27 september 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZC2148, NJ 1997/42 (Brinkman/X), rov. 3.5. Zie ook HR 23 maart 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ7616 (X/Tetterode Nederland), rov. 3.4.2.
Zie HR 21 mei 1982, ECLI:NL:HR:1982:AG4385, NJ 1982/605 m.nt. P.A. Stein (X/Ardanta), rov. 3.2; HR 18 juni 1982, ECLI:NL:HR:1982:AG4408, NJ 1982/606 m.nt. P.A. Stein (X/Y), rov. 3.1; HR 17 december 1982, ECLI:NL:HR:1982:AG4508, NJ 1983/355 (Oranje Kruis/X), rov. 3.2; HR 1 juni 1984, ECLI:NL:HR:1984:AG4825NJ 1984/721 (X/RBC), rov. 3.1; HR 13 juni 1986, ECLI:NL:HR:1986:AC3111, NJ 1986/764 m.nt. P.A. Stein (Galvanitas/X), rov. 3.3; HR 11 december 1987, ECLI:NL:HR:1987:AG5723, NJ 1988/339 m.nt. P.A. Stein (Bakkerijen c.s./X), rov. 3.2.1; HR 3 oktober 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC2448, NJ 1998/83 (X/Motel E3 Eindhoven Exploitatie), rov. 3.3; HR 14 december 2001, ECLI:NL:HR:2001:AD3959 (X/BN International), rov. 3.5.
Zie idem (over de stelplicht en een mogelijke bewijslastomkering) S.F. Sagel, Het ontslag op staande voet (Monografieën Sociaal Recht nr. 58) (diss. Leiden), Deventer: Kluwer 2013, par. 4.8.1. Vgl. ook M.J.A.M. Ahsmann, De weg naar het civiele vonnis, Den Haag: Boom juridisch 2020 (tweede druk), par. 11.7.1. en par. 11.9.
Ahsmann a.w., par. 11.7.1.
Verweerschrift in hoger beroep Werknemer, nr. 117.
Zie overigens ook nog zijn (al dan niet andere) stellingen hieromtrent in verweerschrift in hoger beroep, nrs. 26 e.v.; proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 1 augustus 2024, p. 7; pleitnotitie van Werknemer in hoger beroep, nr. 15.
Zie verweerschrift eerste aanleg PostNL, p. 26.
Zie verweerschrift van PostNL in eerste aanleg, nrs. 5.2-5.3 en 6.13 en productie 20 bij dit verweerschrift. Zie ook proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 1 augustus 2024, p. 18, waaruit volgt dat PostNL direct heeft aangevoerd dat de inhoud van de weggenomen goederen bekend is.
Beroepschrift 12‑11‑2024
PROCESINLEIDING IN CASSATIE
(VERZOEKPROCEDURE)
1. Verzoekende partij
1.
Verzoeker tot cassatie is:
[de werknemer] (‘[de werknemer]’),
wonende te [woonplaats],
[adres]
[postcode] [woonplaats].
2.
[de werknemer] kiest in deze zaak woonplaats aan het Burgerweeshuispad 201, 1076 GR Amsterdam, op het kantoor van mr. S.F. Sagel (De Brauw Blackstone Westbroek N.V.). [de werknemer] stelt in deze zaak mr. S.F. Sagel tot advocaat bij de Hoge Raad.
2. Verwerende partij
3.
Verweerster in cassatie is:
De besloten vennootschap
POSTNL TRANSPORT B.V. (‘PostNL’),
statutair gevestigd te Hoofddorp, gemeente Haarlemmermeer, en kantoorhoudende aan de Waldorpstraat 3,
2521 CA 's‑Gravenhage.1.
4.
PostNL is in de vorige instantie vertegenwoordigd door de advocaat mevrouw mr. B. Filippo (SteensmaEven) die kantoor houdt aan het Stationsplein 45 A3.208, 3013 AK Rotterdam.
3. Bestreden uitspraak
5.
[de werknemer] komt in cassatieberoep van de beschikking die het gerechtshof 's‑Hertogenbosch (‘Hof’) op 12 september 2024 heeft gegeven onder zaaknummer 200.338.898/01 tussen [de werknemer] als verweerder en PostNL als appellante.
4. Bevoegde rechter
6.
Dit cassatieberoep zal worden behandeld door de Hoge Raad der Nederlanden, Korte Voorhout 8, 2511 EK Den Haag.
5. Middel van cassatie
7.
[de werknemer] voert tegen de hiervoor vermelde beschikking het volgende middel van cassatie aan:
schending van het recht en/of verzuim van op straffe van nietigheid in acht te nemen vormen, doordat het Hof recht heeft gedaan op de wijze als in het dictum van die beschikking is omschreven en op de gronden die in het lichaam van die beschikking zijn vermeld, dit om de volgende, zo nodig in onderlinge samenhang te beoordelen redenen.
Inleiding; feiten en procesverloop
8.
De onderhavige zaak betreft de rechtsgeldigheid van het ontslag op staande voet dat PostNL op 27 juli 2023 aan [de werknemer] heeft gegeven wegens, kort gezegd, de verdwijning van een aantal mobiele telefoons en een harde schijf, tijdens een transport dat [de werknemer] in de nacht van 18 op 19 juli 2023 heeft uitgevoerd tussen de distributiecentra van PostNL in Tilburg en Son. In die nacht heeft [de werknemer] verschillende rolcontainers met pakketten vervoerd. Nadat de pakketten in Tilburg in de vrachtwagen van [de werknemer] zijn gezet, is de vrachtwagen door een werknemer van PostNL verzegeld en is [de werknemer] naar Son gereden. Op de PostNL vestiging in Son heeft [de werknemer] de verzegeling van zijn vrachtwagen verbroken en zijn de rolcontainers uitgeladen. Bij het sorteren van de pakketten bleken er enkele goederen te ontbreken.
9.
Naar aanleiding van het verdwijnen van de pakketten heeft PostNL [de werknemer] op 25 juli 2023 eerst op non-actief gesteld en vervolgens op 27 juli 2023 op staande voet ontslagen. [de werknemer], die ontkent iets met de verdwijning / het ontbreken van de pakketten te maken te hebben, is bij de kantonrechter van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats 's‑Hertogenbosch (‘kantonrechter’) tegen zijn ontslag opgekomen en heeft, na eiswijziging, verzocht PostNL te veroordelen tot betaling van (i) een billijke vergoeding in de zin van art. 7:681 BW, (ii) de transitievergoeding in de zin van art. 7:673 BW en (iii) een vergoeding wegens onregelmatige opzegging.
10.
Door PostNL zijn tijdens de mondelinge behandeling ten overstaan van de kantonrechter camerabeelden getoond waaruit zou moeten blijken dat [de werknemer] de persoon is geweest die de vermiste goederen heeft meegenomen. PostNL had de camerabeelden niet vooraf (als productie) in het geding gebracht. De Kantonrechter oordeelde, in rov. 5.6.2 van haar beschikking, dat uit de ter zitting door PostNL vertoonde camerabeelden onvoldoende blijkt dat het [de werknemer] is geweest die de pakketten heeft weggenomen:
‘5.6.2
[de werknemer] betwist dat hij (bewust) goederen heeft weggenomen. Tijdens de mondelinge behandeling zijn de door PostNL gemaakte videobeelden getoond. De kantonrechter is van oordeel dat uit deze videobeelden (en de foto's van die beelden) onvoldoende blijkt dat daarvan sprake is.’
De kantonrechter heeft vervolgens in rov. 5.6.3 overwogen dat uit de feiten en omstandigheden die wel zijn komen vast te staan, zoals het feit dat [de werknemer] na het laden in Tilburg nog even in de trailer is gebleven, het feit dat hij onderweg even is gestopt bij een tankstation en in Son zelf de verzegeling van de vrachtwagen heeft gehaald, evenmin het bewijs valt te ontlenen dat [de werknemer] goederen die niet aan hem toebehoren uit het PostNL proces heeft weggenomen. Weliswaar, zo vervolgt de kantonrechter in rov. 5.6.4, is begrijpelijk dat PostNL twijfelt aan het handelen van [de werknemer], omdat er niemand anders in de buurt van de goederen is geweest en de zendingen intact de trailer zijn ingegaan, maar die ‘blote twijfel’ levert volgens de kantonrechter nog geen dringende reden op en ‘concrete aanwijzingen dat [de werknemer] daadwerkelijk bij de verdwijning van de desbetreffende goederen betrokken is geweest,ontbreken’, volgens de kantonrechter. Dat leidde de kantonrechter in rov. 5.6.6 van de in eerste aanleg gegeven beschikking tot de conclusie dat
‘(…) niet [is, toevoeging SFS] komen vast te staan dat [de werknemer] goederen die niet aan hem toebehoren uit het PostNL proces heeft weggenomen. Het lijkt er weliswaar op dat de goederen zijn verdwenen tijdens de dienst van [de werknemer] en dat hij de goederen in zijn trailer vervoerde, maar dat levert geen dringende reden op als bedoeld in artikel 7:677 lid 1 BW.’
De kantonrechter heeft het aan [de werknemer] gegeven ontslag op staande voet bij gebreke van de daarvoor vereiste dringende reden niet rechtsgeldig geacht en PostNL veroordeeld tot, onder meer, betaling van de transitievergoeding, een billijke vergoeding van EUR 9.630,25 bruto en een vergoeding wegens onregelmatige opzegging van EUR 3.578,71 bruto.
11.
PostNL is tegen de beschikking van de kantonrechter in hoger beroep gegaan. PostNL heeft ervoor gekozen om de camerabeelden die zij als bewijs van de dringende reden beschouwt en tijdens de mondelinge behandeling in eerste aanleg had laten vertonen (op een laptop van PostNL), wederom niet als productie bij haar beroepschrift in het geding te brengen. Bij verweerschrift in hoger beroep, heeft [de werknemer] uitdrukkelijk protest aangetekend tegen de processtrategie van PostNL, voor zover die erop neerkomt dat beeldmateriaal wel op de zitting wordt getoond, maar niet tijdig vooraf (als productie) in het geding wordt gebracht. Zulks omdat die aanpak [de werknemer] belemmert in zijn mogelijkheden om zich op voorhand in dat beeldmateriaal te verdiepen en om zich daartegen in het kader van hoor en wederhoor, deugdelijk te verweren. Bij verweerschrift in hoger beroep onder 10 is daarover het navolgende opgemerkt:
‘10.
Belangrijker echter; niet valt in te zien waarom PostNL de camerabeelden niet op voorhand, desnoods met het verzoek deze in depot te plaatsen, naar Uw Hof en de advocaat van [de werknemer] heeft toegezonden, zodat deze beelden voorafgaand aan de zitting bekeken hadden kunnen worden. Op die wijze krijgt ook (de advocaat van) [de werknemer] de mogelijkheid om de beelden zorgvuldig te bestuderen ten einde een volledig beeld van de bewuste nacht te krijgen en Uw Hof zo mogelijk ook op ontlastende gedeelten te wijzen.’
Bij verweerschrift in hoger beroep onder 11 heeft [de werknemer] op voorhand uitdrukkelijk bezwaar aangetekend tegen het (opnieuw) vertonen van de camerabeelden tijdens de mondelinge behandeling bij het Hof, nu hem (opnieuw) niet de mogelijkheid werd geboden om de beelden voorafgaand aan de mondelinge behandeling te bekijken:
‘11.
Door [de werknemer] dan ook niet de mogelijkheid te bieden om de beelden voorafgaan aan de mondelinge behandeling te bekijken, handelt PostNL in strijd met de goede procesorde, reden waarom [de werknemer] Uw Hof nadrukkelijk verzoekt om het PostNL niet toe te staan om tijdens de mondelinge behandeling de camerabeelden te tonen.’
12.
Bij e-mail van 22 juli 2024 (19:09 uur) heeft Mr Filippo, de advocaat van PostNL, aan het Hof en aan Mr Tel, de advocaat van [de werknemer], bericht de camerabeelden (die in eerste aanleg ter zitting waren bekeken) alsnog te willen delen ‘zodat deze voorafgaand aan de mondelinge behandeling desgewenst kunnen worden bekeken en er tijdens de mondelinge behandeling voortvarend doorheen kan worden gegaan.’ Dit e-mailbericht wordt ten gerieve van de Hoge Raad als bijlage [de werknemer] — 1 aan dit verzoekschrift gehecht. Om de beelden te bekijken, moesten deze — zo schreef Mr Filippo — vanaf de zogeheten onedrive van PostNL worden gedownload via een link die Mr Filippo in haar e-mail had opgenomen. In de betreffende e-mail van Mr Filippo is bovendien vermeld dat alvorens de beelden zouden kunnen worden afgespeeld, eerst een bepaald programma / een app moest worden gedownload en uitgevoerd. In de e-mail is ook vermeld dat het downloaden van dit programma / deze app bij de kantonrechter zelfs een IT-medewerker van de rechtbank niet was gelukt en dat om die reden tijdens de zitting bij de kantonrechter uiteindelijk een laptop van de afdeling security van PostNL aan het beeldscherm van de rechtbank was gekoppeld, omdat de beelden alleen zo getoond konden worden. Daaraan heeft Mr Filippo nog toegevoegd dat om diezelfde reden:
‘PostNL Security […] er tijdens de mondelinge behandeling bij Uw Hof d.d. 1 augustus as voor [zal, toevoeging SFS] zorgdragen dat de camerabeelden al direct op een zelf meegenomen laptop gereed staan, zodat deze laptop enkel nog in de zittingszaal aan een beeldscherm van Uw Hof hoeft te worden gekoppeld om te betreffende camerabeelden te bekijken voorzien van een aanvullende mondelinge toelichting van een van de Security Officers van PostNL Security die het onderzoek naar de vermiste zendingen heeft verricht.’2.
Dit laat zich niet anders duiden dan aldus dat PostNL zeer wel op de hoogte was van het feit dat de wijze waarop de beelden door haar werden gedeeld, nadrukkelijk het risico behelsde dat daarvan (voorafgaand aan de mondelinge behandeling) geen kennis kon worden genomen en dat zij om die reden een eigen laptop mee wilde nemen naar het Hof om de camerabeelden tijdens de mondelinge behandeling alsnog te tonen.
13.
Bij e-mailbericht van 25 juli 2024, dat ten gerieve van de Hoge Raad als bijlage [de werknemer] — 2 aan deze procesinleiding wordt gehecht, heeft het Hof aan Mr Filippo bericht (dat het Hof had beslist) dat PostNL werd opgedragen om uiterlijk maandag 29 juli 2024 de camerabeelden
‘(…) op een toegankelijke drager (USB-stick / harde schijf / DVD) te bezorgen zowel aan de griffie als aan Mr Tel, de advocaat van de heer [de werknemer].
Aldus kunnen deze beelden op voorhand door zowel het hof als Mr Tel en de heer [de werknemer] worden bekeken en tijdens de mondelinge behandeling zo nodig nader aan de orde komen.’
(onderstreping toegevoegd, SFS)
PostNL heeft vervolgens aan Mr Tel een usb-stick doen toekomen, waarop twee bestanden stonden, te weten de hiervoor genoemde app die benodigd was om de camerabeelden te bekijken, alsmede een bestand dat de camerabeelden zelf zou bevatten. Het bleek evenwel voor Mr Tel (en de IT-afdeling van DAS rechtsbijstand) niet mogelijk om de app te installeren en de beelden te bekijken. Mr Tel heeft vervolgens op 31 juli 2024 om 10:01 uur in de ochtend gebeld met de griffie van het Hof, waarmee hij 9 minuten heeft gesproken over het feit dat de door PostNL verstrekte beelden niet toegankelijk waren. Een medewerker van het Hof heeft Mr Tel toen verteld dat het bij het Hof wel was gelukt om de beelden te openen. Mr Tel heeft daarop verzocht om de beelden op de griffie, die op korte afstand ligt van het kantoor van DAS rechtsbijstand waar Mr Tel werkzaam is, te mogen komen bekijken, maar dat verzoek is afgewezen.
14.
Tijdens de mondelinge behandeling op 1 augustus 2024 heeft Mr Tel aan het Hof laten weten dat het hem niet was gelukt om de camerabeelden vooraf te bekijken. Dat is ook vermeld in zijn pleitnotities onder 18. Bij aanvang van de mondelinge behandeling heeft Mr Tel het Hof ook deelgenoot gemaakt van het feit dat hij contact had opgenomen met de griffie van het Hof om navraag te doen of het bij het Hof wel was gelukt om de beelden te openen. Dat is ook vermeld in het proces-verbaal van de mondelinge behandeling (pagina 2, eerste alinea). Mr Tel heeft ook aan het Hof bericht dat hij de griffie heeft gevraagd om de beelden bij het Hof vooraf te mogen komen bekijken en dat hem dat is geweigerd. Dat laatste is in het proces-verbaal ten onrechte niet vermeld. Mr Tel heeft bij brief van heden, die als bijlage [de werknemer] — 3 aan deze procesinleiding wordt gehecht, het Hof verzocht om het proces-verbaal onder meer op dit punt aan te vullen.
15.
Naar blijkt uit het proces-verbaal van de mondelinge behandeling (pagina 2, eerste twee alinea's) heeft de voorzitter van het Hof, Mr Van Ham, bij aanvang van de zitting PostNL, althans haar advocate Mr Filippo, geïnstrueerd ‘de volgende keer de beelden aan te leveren op een zodanige manier dat de beelden zonder een speciaal programma kunnen worden bekeken.’ Mr Filippo heeft daarop meegedeeld dat dat ‘niet mogelijk is omdat het beelden zijn van beveiligingscamera's die enkel op die programma's draaien en de beelden niet geconverteerd kunnen worden.’ De voorzitter heeft blijkens het proces-verbaal vervolgens beslist en meegedeeld dat het ‘misschien niet eenvoudig was om de beelden te bekijken, maar niet onmogelijk’. De voorzitter heeft voorts meegedeeld ‘dat het hof de beelden voorafgaand aan de zitting volledig heeft bekeken.’ Zie voor één en ander pagina 2 van het proces-verbaal. Ook heeft de voorzitter bij de aftrap van de mondelinge behandeling meteen meegedeeld dat het Hof voornemens was vragen te gaan stellen ‘aan de hand van de camerabeelden.’ Zie pagina 1 van het proces-verbaal, voorlaatste alinea.
16.
Bij de aanvang van de zitting bleek verder dat ook het Hof, net als eerder de rechtbank, de app waaraan wordt gerefereerd in het e-mailbericht van Mr Filippo van 22 juli 2024, aanvankelijk niet kon installeren en de camerabeelden om die reden dus ook niet kon bekijken. De voorzitter van het Hof, Mr Van Ham, deelde vervolgens aan partijen mee dat een bij het Hof werkzame ICT-specialist van de rechtspraak uiteindelijk uit zichzelf op het idee was gekomen om de betreffende app te downloaden / installeren op een lege laptop, dat wil zeggen: op een laptop met daarop slechts de zogeheten fabrieksinstellingen en vrij van enige andere bestanden. Op die manier kon de app wel geïnstalleerd worden, althans konden de beelden op zo'n ‘lege laptop’ wel worden bekeken. Die ‘work-around’ methode was in het e-mailbericht van Mr Filippo van 22 juli 2024 niet vermeld en [de werknemer] en zijn advocaat niet bekend tot het moment waarop Mr Van Ham tijdens de mondelinge behandeling aan partijen berichtte dat het Hof op die manier toegang tot de beelden had verkregen, nu de voornoemde ICT-medewerker die ingeving had gehad.
‘Mr Tel heeft het Hof bij brief van heden (bijlage 3 bij deze procesinleiding) verzocht om het proces-verbaal ook ten aanzien van de onder 16 genoemde uitlatingen van de voorzitter, Mr Van Ham, nader uit te werken, althans om de wijze waarop het Hof uiteindelijk toegang heeft verkregen tot de camerabeelden anderszins schriftelijk aan hem te bevestigen.’
17.
Aan het einde van de mondelinge behandeling heeft Mr Tel zijn reeds bij verweerschrift in hoger beroep op voorhand gemaakte bezwaar ten aanzien van het vertonen van de camerabeelden ter zitting, zonder dat deze vooraf als productie in het geding waren gebracht, herhaald. Dat bezwaar heeft zijn weg gevonden naar pagina 18 van het proces-verbaal, waar is vermeld dat Mr Tel het Hof erop heeft geattendeerd dat als de ter zitting vertoonde beelden als bewijs voor de stellingen van PostNL dienen, zij dan overgelegd hadden moeten worden. Letterlijk vermeldt het proces-verbaal:
‘Mr Tel: die beelden is een productie, is dat bewijs voor de stelling van PostNL? Dat had overgelegd moeten worden.’
18.
In zijn thans in cassatie bestreden beschikking heeft het Hof de beschikking van de kantonrechter vernietigd en geoordeeld dat het ontslag op staande voet dat PostNL aan [de werknemer] heeft gegeven, wél rechtsgeldig is. [de werknemer] is veroordeeld tot terugbetaling van de door PostNL aan hem betaalde (i) billijke vergoeding, (ii) transitievergoeding en (iii) vergoeding wegens onregelmatige opzegging.
19.
Het Hof heeft daartoe in rov. 3.6.2 beslist dat het, in de gegeven omstandigheden ‘niet anders kan dan dat [de werknemer] de dozen heeft geopend en de inhoud ervan heeft weggenomen’. In rov. 3.6.9 heeft het Hof bovendien beslist dat sprake is van een ‘zodanige mate van aannemelijkheid’ dat [de werknemer] de goederen heeft weggenomen, dat nadere bewijslevering niet aan de orde is. Die oordelen in de rov.'en 3.6.2 en 3.6.9 berusten, blijkens de rov.'en 3.6.1, 3.6.2, 3.6.3, 3.6.4, 3.6.6 en 3.6.8 — waarin keer op keer wordt verwezen naar de ter zitting vertoonde camerabeelden — kennelijk in belangrijke mate op de camerabeelden die PostNL tijdens de mondelinge behandeling bij het Hof heeft laten vertonen.
Onderdeel 1: strijd met art. 19 Rv. I art. 6 EVRM
Rechtsklacht
20.
De onder 19. genoemde beslissingen van het Hof als vervat in de rov.'en 3.6.2 en 3.6.9, gelezen in samenhang met de daaraan ten grondslag liggende overwegingen als vervat in de rov.'en 3.6.1, 3.6.2, 3.6.3, 3.6.4, 3.6.6 en 3.6.8, laten zich — als hiervoor onder 19. gezegd — niet anders verstaan dan aldus dat het Hof zijn oordeel dat de aan het ontslag van [de werknemer] ten grondslag gelegde dringende reden, bestaande in het wegnemen van goederen, in voldoende mate door PostNL bewezen is, in belangrijke mate heeft gebaseerd op de tijdens de mondelinge behandeling ten overstaan van het Hof vertoonde camerabeelden. Door zijn beslissing dat het bewijs van de dringende reden door PostNL (in voldoende mate) geleverd is, in belangrijke mate te baseren op de ter zitting vertoonde camerabeelden heeft het Hof het fundamentele beginsel van hoor en wederhoor, zoals opgenomen in art. 19 lid 1 Rv en art. 6 EVRM geschonden, (mede) nu in cassatie tot uitgangspunt heeft te gelden:
- i)
dat [de werknemer] er bij verweerschrift in hoger beroep op voorhand met een beroep op de fundamentele vereisten van een goede procesorde, uitdrukkelijk bezwaar tegen heeft gemaakt als die camerabeelden ter zitting van het Hof zouden worden vertoond zonder dat hij daar voorafgaand aan die zitting tijdig (met zijn advocaat) kennis van kon nemen, teneinde zich daar ter zitting adequaat tegen te kunnen verweren (zie hiervoor onder 11);
- ii)
dat het Hof er bij (aanvang van) de mondelinge behandeling mee bekend was dat [de werknemer] en zijn advocaat die camerabeelden — ondanks hun uitdrukkelijk geuite wens daartoe — niet voorafgaand aan de mondelinge behandeling hadden bekeken omdat dit door de beveiliging van de bestanden niet lukte (zie hiervoor onder 14);
- iii)
dat PostNL die camerabeelden, (pas) tien dagen voor de mondelinge behandeling in het geding heeft gebracht, althans heeft getracht te brengen, op een wijze die — in de woorden van het proces-verbaal van de mondelinge behandeling bij het Hof — het gebruik van een ‘speciaal programma’ vereiste, waarbij de voorzitter van het Hof a) de advocaat van PostNL heeft opgedragen zulke camerabeelden ‘de volgende keer’ op een andere manier aan te leveren, te weten een manier waarbij de beelden zonder zo'n programma kunnen worden bekeken (waarin besloten ligt dat het Hof de wijze waarop PostNL toegang tot het beeldmateriaal had verschaft niet wenselijk achtte) en b) heeft vastgesteld dat het ‘misschien niet eenvoudig was om de beelden te bekijken, maar niet onmogelijk,’ terwijl c) het aan het Hof bekend was dat het de rechtbank in eerste aanleg ook niet gelukt was de beelden op de door PostNL verstrekte wijze vertoond te krijgen waardoor de beelden tijdens de mondelinge behandeling in eerste aanleg vertoond moesten worden op een laptop van PostNL (zie hiervoor onder 12 en 15).
en
- iv)
dat zijdens [de werknemer] tijdens de mondelinge behandeling bij het Hof nog eens het bezwaar is herhaald dat de camerabeelden, als zij als bewijsmiddel voor de stelling van PostNL dat sprake was van een dringende reden dienen, vooraf overlegd hadden moeten worden (zie hiervoor onder 17).
Meer specifiek heeft het Hof het bepaalde in art. 19 lid 1 Rv en/of art. 6 EVRM geschonden door zijn oordeel, ten nadele van [de werknemer], te baseren op gegevens — hier: de camerabeelden die ter zitting zijn vertoond — waarover [de werknemer] zich ter zitting niet voldoende, althans niet op een wijze die recht doet aan het fundamentele vereiste van hoor- en wederhoor, heeft kunnen uitlaten. [de werknemer] heeft immers — anders dan zijn werkgeefster PostNL die de betreffende camerabeelden gedurende de gehele procedure onder zich had en zich na het instellen van hoger beroep maanden op de vertoning van de beelden tijdens de mondelinge behandeling bij het Hof kon voorbereiden — niet, althans op zijn best op een manier die volgens het Hof ‘niet eenvoudig, zij het niet onmogelijk’ was en die het Hof in volgende gevallen niet herhaald wilde zien, kennis kunnen nemen van de camerabeelden. Aldus is hem — ondanks dat hij daarop uitdrukkelijk aanspraak maakte — de mogelijkheid onthouden om tegen die beelden en de (verstrekkende) gevolgtrekkingen die PostNL daaraan ter zitting wilde verbinden, op een adequate wijze verweer te kunnen voeren.
Rechtsklacht; equality of arms
21.
Door zijn beslissing dat de door PostNL aan het ontslag ten grondslag gelegde dringende reden bewezen is, ondanks de hiervoor onder 20. met (i) tot en met (iv) weergegeven omstandigheden zo niet geheel, dan toch in belangrijke mate, althans mede, te baseren op de betreffende camerabeelden, heeft het Hof ook overigens het bepaalde in art. 6 EVRM geschonden en is aldus uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting. [de werknemer] is immers ten aanzien van het voeren van verweer tegen dat bewijsmiddel van PostNL op een duidelijke achterstand gezet, ten opzichte van de positie van PostNL, hetgeen naar vaste rechtspraak van het EHRM niet verenigbaar is met de voornoemde verdragsbepaling en het daaruit volgende vereiste van ‘equality of arms’, zeker nu [de werknemer] niet heeft ingestemd met het feit dat hij de beelden pas ter zitting te zien kreeg en hij zich daarop, anders dan PostNL, niet vooraf heeft kunnen voorbereiden. Art. 6 EVRM noopt er immers ook toe dat ‘each party be given a reasonable opportunity to have knowledge of and comment on (.…) evidence adduced by the other party, and to present his case under conditions that do not place him or her at a substantial disadvantage vis-à-vis his or her opponent ’ (zie EHRM 4 juni 2013, nr. 7963/05, Stoyanov Vasilev t. Bulgarije, rov. 32).3. Van die gelijkwaardigheid is geen sprake in het geval dat één partij — PostNL — tijdens een mondelinge behandeling ten bewijze van haar stellingen een beroep kan doen op camerabeelden, op de vertoning waarvan zij zich uitvoerig heeft kunnen voorbereiden — terwijl haar wederpartij — [de werknemer] — die beelden niet voorafgaand aan de vertoning daarvan ter zitting (met zijn advocaat) heeft kunnen bekijken en bestuderen, maar hij daarmee pas ter zitting wordt geconfronteerd en hij op dat moment, gelijktijdig met de vertoning van de beelden, daarover onvoorbereid vragen moet beantwoorden. Door de beelden niet vooraf te hebben kunnen bestuderen, is [de werknemer] bovendien de mogelijkheid ontnomen om op voorhand voor hem ontlastende passages in die beelden op te sporen (en ter zitting aan te wijzen), terwijl PostNL het Hof nu juist wel kon wijzen op passages die in haar ogen verdacht en belastend voor [de werknemer] waren.
22.
Gegeven de hiervoor onder 20 met i) tot en met iv) aangeduide feiten en omstandigheden, had het Hof om recht te doen aan het bepaalde in art. 19 Rv en/of aan de uit art. 6 EVRM volgende vereisten van een fair trial, ofwel a) de camerabeelden van PostNL bij zijn oordeelsvorming in de in cassatie bestreden beschikking buiten beschouwing moeten laten, ofwel b) [de werknemer] alsnog, ambtshalve, in de gelegenheid moeten stellen om, op een wijze die wel recht doet aan het fundamentele vereiste van hoor en wederhoor, (met zijn advocaat) kennis te kunnen nemen van die beelden en om zich daarover uit te kunnen laten, zulks ofwel door de mondelinge behandeling daartoe aan te houden, ofwel door [de werknemer] minst genomen nog een nadere akte te laten nemen na de mondelinge behandeling. Het Hof heeft dat miskend en is, ook om die reden uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting.
Rechtsklacht
23.
Voor zover de beslissing van het Hof als vervat in de rov.'en 3.6.1, 3.6.2, 3.6.3, 3.6.4, 3.6.6, 3.6.8 en 3.6.9 om het bewijs van de dringende reden in belangrijke mate, althans mede op basis van de ter zitting vertoonde camerabeelden geleverd te achten, gelezen in samenhang met de hiervoor onder 15 genoemde uitlating van de voorzitter van het Hof tijdens de mondelinge behandeling dat het ‘misschien moeilijk, maar niet onmogelijk’ was voor [de werknemer] om zich toegang te verschaffen tot die camerabeelden, aldus moet worden begrepen dat het Hof van oordeel is dat (in voldoende mate) recht wordt gedaan aan het uit art. 19 Rv volgende vereiste dat een partij in de gelegenheid moet worden gesteld om zich uit te laten ‘over alle bescheiden en andere gegevens die in de procedure ter kennis van de rechter zijn gebracht’ door de andere partij, wanneer die andere partij de betreffende gegevens op een manier in het geding brengt waarbij het ‘moeilijk, maar niet onmogelijk’ is om daarvan kennis te nemen, getuigt dat van een onjuiste opvatting omtrent het bepaalde in art. 19 Rv. Die bepaling noopt de rechter er namelijk toe om erop toe te zien dat producties en gegevens door een partij op een zodanig moment en op een zodanige wijze in het geding worden gebracht, dat deze eenvoudig toegankelijk zijn, althans dat deze in elk geval zonder (technische) belemmeringen toegankelijk zijn (waaraan niet is voldaan als die gegevens slechts ‘moeilijk’ toegankelijk zijn en/of wanneer het ‘niet onmogelijk’ is zich daartoe toegang te verschaffen).
‘Overigens lijkt het Hof er in zijn hiervoor onder 13. geciteerde instructie aan PostNL van 25 juli 2024 zelf ook nog vanuit te zijn gegaan dat de camerabeelden op een zodanige manier in het geding moesten worden gebracht dat zij, zoals de Engelsen dat noemen, ‘readily accessible’ zouden zijn voor het Hof en de wederpartij, in dit geval [de werknemer]. PostNL is immers opgedragen om de beelden op een toegankelijke wijze in het geding te brengen. Het Hof heeft dat vereiste vervolgens, met zijn door de rechtsklacht onder 23. bestreden beslissing, zelf uit het oog verloren en is aldus uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting.’
Onderdeel 2 — bewijsaanbod
24.
[de werknemer] heeft in eerste aanleg, bij verzoekschrift onder randnr. 46, een bewijsaanbod gedaan. [de werknemer] heeft er daar — met juistheid — op gewezen dat PostNL de bewijslast draagt van de opgegeven dringende reden. Daaraan heeft [de werknemer] toegevoegd dat hij, voor zover op hem enige bewijslast rust, aanbiedt om al zijn stellingen te bewijzen door alle middelen rechtens, waaronder het horen van getuigen.
25.
In hoger beroep (randnummers 114 — 117 van zijn verweerschrift in hoger beroep) heeft [de werknemer] opnieuw een uitgebreid bewijsaanbod gedaan, onder meer gericht op het leveren van tegenbewijs:
‘117
[de werknemer] biedt aan bewijs te leveren door alle mogelijke middelen. Daaronder in ieder geval begrepen het horen van getuigen en het overleggen van nadere bescheiden. Dit zonder onverplicht bewijslast naar zich toe te willen halen. Tot slot is [de werknemer] bereid, en wenst zij in voorkomend geval te worden toegelaten, tot het leveren van tegenbewijs.’
(verschrijving in het origineel)
26.
In rov. 3.6.9 heeft het Hof beslist als volgt:
‘Het hof overweegt tot slot dat geen absolute zekerheid hoeft te bestaan dat [de werknemer] de goederen heeft weggenomen. Het hof is van oordeel dat in dit geval sprake is van een zodanige mate van aannemelijkheid dat verdere bewijslevering niet aan de orde is.’
Rechtsklachten
27.
Met zijn beslissing in rov. 3.6.9 dat verdere bewijslevering niet aan de orde is, heeft het Hof het aanbod van [de werknemer] tot het leveren van tegenbewijs (impliciet) verworpen. Indien de beslissing van het Hof in de tweede volzin van rov. 3.6.9 zo moet worden begrepen dat het Hof heeft geoordeeld dat aan het leveren van tegenbewijs (door het horen van getuigen) niet wordt toegekomen — en het bewijsaanbod van [de werknemer] dus gepasseerd wordt — omdat het zodanig aannemelijk is dat [de werknemer] de goederen heeft weggenomen, dat het niet in de rede ligt dat [de werknemer] het door PostNL (door middel van de camerabeelden) geleverde bewijs van de aan het ontslag ten grondslag gelegde dringende reden zal weten te ontzenuwen, getuigt zijn beslissing in die zin van een onjuiste rechtsopvatting dat het Hof heeft miskend dat een bewijsaanbod — en ook een aanbod tot het leveren van tegenbewijs (door het horen van getuigen) — niet mag worden gepasseerd op grond van een prognose omtrent de waarde van het te leveren bewijs (zie o.a. HR 14 januari 1994, NJ 1994/333; HR 20 maart 1998, NJ 1999/693; HR 9 juli 2004, NJ 2005/270).
28.
Indien het Hof aan het aanbod van [de werknemer] tot het leveren van tegenbewijs voorbij is gegaan omdat hij dat aanbod onvoldoende gespecificeerd vond, getuigt ook dat van een onjuiste rechtsopvatting en wel omdat een aanbod tot het leveren van tegenbewijs — zoals hier het aanbod om tegenbewijs te leveren tegen het door PostNL geleverde bewijs van de door haar aan het ontslag van [de werknemer] ten grondslag gelegde dringende reden — niet gespecificeerd hoeft te worden (HR 9 januari 1998, NJ 1999/413; HR 14 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2320 en HR 17 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:726).
Motiveringsklacht
29.
Indien het Hof het aanbod tot het leveren van tegenbewijs zijdens [de werknemer] op andere gronden heeft verworpen, is die impliciete beslissing onvoldoende gemotiveerd omdat noch uit rov. 3.6.9, noch uit enige andere overweging van het Hof blijkt op welke gronden het Hof dat bewijsaanbod dan heeft gepasseerd. Die motivering was hier eens te meer vereist, nu [de werknemer] het Hof ten processe op verschillende alternatieve scenario's heeft gewezen die het verdwijnen / ontbreken van de goederen (ten aanzien waarvan hem wordt verweten dat hij deze heeft weggenomen), kunnen verklaren (zie onder meer proces-verbaal van de mondelinge behandeling bij het Hof, pagina 17):
‘We weten niet hoeveel telefoons er zijn geweest. (…) Telefoons worden opgehaald bij [A] door een andere chauffeur en die brengt ze naar het distributiecentrum van Tilburg. Het is mogelijk dat ze toen al weg zijn gehaald door [A]. Het is ook mogelijk dat er met enige regelmaat voorkomt dat er een fout is gemaakt bij [A] of Bol dat die inhoud niet in de doos zit. Het kan ook nog dat er nooit iets in die doos heeft gezeten.’
Onderdeel 3: voortbouwklacht
30.
De beslissing van het Hof in rov. 3.10.1 inzake de terugbetaling van zowel de billijke vergoeding als van de vergoeding wegens onregelmatige opzegging, de beslissing van het Hof in rov. 3.10.2 dat uit het voorgaande blijkt dat ‘door [de werknemer] nieuwe mobiele telefoons zijn verdwenen die PostNL voor haar klanten moest vervoeren’ en dat om die reden sprake is van ernstige verwijtbaarheid in de zin van art. 7:673 lid 7 sub c BW, alsmede de beslissingen in rov. 3.11 (inzake de proceskosten) en in rov. 3.12 (inzake ‘de slotsom’ ten aanzien van de vorderingen over en weer), bouwen voort op de door de onderdelen 1 en 2 bestreden beslissingen van het Hof. Gegrondbevinding van één of meer van de klachten van die onderdelen vitieert dan ook de in dit onderdeel 3 genoemde beslissingen in de rov.'en 3.10.1, 3.10.2, 3.11 en 3.12.
Aanvulling procesinleiding
31.
Aangezien [de werknemer] het Hof heeft verzocht om het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in voorgaande instantie aan te vullen, althans hem schriftelijk te bevestigen hoe het Hof toegang heeft gekregen tot de camerabeelden die PostNL voorafgaand aan de mondelinge behandeling in hoger beroep in het geding heeft willen brengen, behoudt [de werknemer] zich het recht voor deze procesinleiding te mogen aanvullen.
6. Conclusie
32.
Op grond van dit middel verzoekt [de werknemer] de Hoge Raad de beschikking waartegen het cassatieberoep is gericht te vernietigen, en verder te beslissen zoals hij passend acht.
33.
[de werknemer] verzoekt verder dat PostNL wordt veroordeeld in de kosten van het geding, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf veertien dagen na de datum van de uitspraak.
Advocaat
Bijlagen: 3
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 12‑11‑2024
Op de in cassatie bestreden beschikking is als appellante ten onrechte de (niet beslaande) besloten vennootschap Koninklijke PostNL Transport B.V. vermeld. Zulks terwijl de uitspraak in eerste aanleg is gewezen tussen PostNL Transport B.V. en [de werknemer]. Het beroepschrift vermeldt als appellante ten onrechte Koninklijke PostNL B.V. Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep (zie proces-verbaal, p. 2, derde alinea) heeft het Hof aan Mr Filippo, de advocaat van appellante, gevraagd ‘of sprake is van een verschrijving en dat het Transport BV is?’. Mr Filippo heeft dat blijkens het proces-verbaal bevestigd. Vervolgens heeft het Hof evenwel in de in cassatie bestreden beschikking als appellante abusievelijk niet PostNL Transport B.V. maar Koninklijke PostNL Transport B.V. vermeld, terwijl die entiteit, als gezegd, niet bestaat.
Verschrijving in het origineel
‘32. Third, the principle of adversarial proceedings and equality of arms, which is one of the elements of the broader concept of a fair hearing, requires that each party be given a reasonable opportunity to have knowledge of and comment on the observations made or evidence adduced by the other party, and to present his case under conditions that do not place him or her at a substantial disadvantage vis-à-vis his or her opponent (…).’