Lokale democratische innovatie
Einde inhoudsopgave
Lokale democratische innovatie (R&P nr. DR2) 2021/4.1:4.1 Inleiding
Lokale democratische innovatie (R&P nr. DR2) 2021/4.1
4.1 Inleiding
Documentgegevens:
mr. drs. J. Westerweel , datum 01-03-2020
- Datum
01-03-2020
- Auteur
mr. drs. J. Westerweel
- JCDI
JCDI:ADS248566:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen / Algemeen
Staatsrecht / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het wettelijk kader biedt al geruime tijd mogelijkheden voor gemeentebesturen om initiatieven als de Coöperatieve Wijkraad te faciliteren. Zoals in paragraaf 4.3.1 zal blijken, zijn die mogelijkheden zelfs oorspronkelijk geïntroduceerd met het oog op veelal dezelfde doelstellingen als die van democratische experimenten als de CWR, namelijk het betrekken van burgers bij het bestuur en het overdragen van zeggenschap aan instanties op een lager niveau dan dat van het gemeentebestuur. In hoofdstuk twee is de verbinding tussen maatschappelijk eigenaarschap en publieke zeggenschap, oftewel subsidiariteit, genoemd als beginsel dat ten grondslag ligt aan de gemeentelijke democratie. De manier waarop de CWR maatschappelijk eigenaarschap probeert te realiseren, is in het vorige hoofdstuk beschreven. In dit hoofdstuk staat de vraag centraal welke mogelijkheden het wettelijk kader biedt om aan dergelijke initiatieven publieke zeggenschap te geven en wat de grenzen zijn die daarbij in acht moeten worden genomen. Verreweg het belangrijkste instrument dat het gemeentebestuur ter beschikking staat, is uiteraard het gemeentelijk commissiestelsel uit de artikelen 82 tot en met 86 Gemeentewet. Dit wordt in paragraaf 4.3 behandeld. Daarvoor moet eerst worden stilgestaan bij drie manieren waarop gemeentebesturen juridische bevoegdheden kunnen toekennen, overdragen of delen. Het betreft dan de leerstukken van attributie, delegatie en mandaat. Deze worden behandeld in paragraaf 4.2. Wanneer bevoegdheden worden geattribueerd, gedelegeerd of gemandateerd, is het van belang te realiseren dat bepaalde publiekrechtelijke institutionele kaders geactiveerd (kunnen) worden. Gezien de opzet van de Coöperatieve Wijkraad is het dan allereerst relevant te weten of het initiatief moet worden aangemerkt als bestuursorgaan in de zin van artikel 1:1 lid 1 Awb. Als dat het geval is, zijn namelijk de normen uit de Awb van toepassing, wat gevolgen kan hebben voor de werkwijze van initiatieven als deze. Daarnaast is het van belang te weten of het initiatief als algemeen vertegenwoordigend orgaan in de zin van artikel 4 Grondwet moet worden aangemerkt. Wanneer dat het geval is, moet het orgaan worden samengesteld door middel van verkiezingen en kan er dus niet worden gewerkt met loting. Deze twee kwalificaties worden in respectievelijk paragraaf 4.4 en 4.5 behandeld. Paragraaf 4.6 sluit af met een conclusie.