Parallelle procedures en misbruik van procesrecht onder de EEX-Verordening II
Einde inhoudsopgave
Parallelle procedures en misbruik van procesrecht onder de EEX-Verordening II (BPP nr. XVI) 2015/48:48 Verdragen van Amsterdam en Lissabon
Parallelle procedures en misbruik van procesrecht onder de EEX-Verordening II (BPP nr. XVI) 2015/48
48 Verdragen van Amsterdam en Lissabon
Documentgegevens:
mr. J.F. Vlek, datum 30-10-2014
- Datum
30-10-2014
- Auteur
mr. J.F. Vlek
- JCDI
JCDI:ADS506445:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht / Europees burgerlijk procesrecht
Internationaal privaatrecht / Internationaal bevoegdheidsrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Verdrag van Amsterdam, ondertekend 2 oktober 1997 (PbEG 1997, C 340/1), in werking getreden op 1 mei 1999.
Na inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon in het Nederlands niet langer ‘rechtvaardigheid’ maar kortweg ‘recht’.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Eind jaren ‘90 is met het Verdrag van Amsterdam een communautaire rechtsbasis gegeven om maatregelen op het gebied van het IPR tot stand te brengen.1 Met het oog op de geleidelijke totstandbrenging van een ‘ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid’ diende de Gemeenschap (meer specifiek: de Raad) maatregelen op het gebied van justitiële samenwerking in burgerlijke zaken tot stand te brengen (art. 61 sub c EG). Art. 65 EG (thans art. 81 VWEU) specificeerde die maatregelen en mandateerde de vaststelling van maatregelen ‘op het gebied van samenwerking in burgerlijke zaken met grensoverschrijdende gevolgen (…)’. Met de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon is de justitiële samenwerking in burgerlijke zaken in Hoofdstuk 3 van Titel V van het VWEU terechtgekomen. Titel V heeft als opschrift ‘De ruimte van vrijheid, veiligheid en recht’2 en bepaalt in art. 67 lid 1 VWEU direct dat de Unie een ruimte van vrijheid, veiligheid en recht is – deze behoeft niet meer ‘geleidelijk tot stand te worden gebracht’ – waarin de grondrechten en de verschillende rechtsstelsels en -tradities van de lidstaten worden geëerbiedigd. Voorts dient de Unie volgens art. 67 lid 4 VWEU de toegang tot de rechter te vergemakkelijken, in het bijzonder door het beginsel van wederzijdse erkenning van gerechtelijke en buitengerechtelijke beslissingen in burgerlijke zaken. Hoofdstuk 3 van Titel V is getiteld ‘Justitiële samenwerking in burgerlijke zaken’ en bevat in art. 81 VWEU een omschrijving van de bevoegdheden van de Unie op dit gebied. In vergelijking met art. 65 EG (oud) valt allereerst op dat in art. 81 lid 1 VWEU expliciet gesteld wordt dat de samenwerking in burgerlijke zaken ‘berust op het beginsel van wederzijdse erkenning van rechterlijke beslissingen en van beslissingen in buitengerechtelijke zaken’. Dat is op zich geen verrassing – vele Europese IPR-instrumenten maken melding van dit beginsel – maar het is wel nieuw dat het nu ook als beginsel in het primaire verdragsrecht van de EU is opgenomen.