Art. 2:11 BW, doorgeefluik van bestuurdersaansprakelijkheid
Einde inhoudsopgave
Art. 2:11 BW, doorgeefluik van bestuurdersaansprakelijkheid (IVOR nr. 106) 2017/4.8.1:4.8.1 Lammers-Aerts: feitencomplex en procesverloop bij Rechtbank en Hof
Art. 2:11 BW, doorgeefluik van bestuurdersaansprakelijkheid (IVOR nr. 106) 2017/4.8.1
4.8.1 Lammers-Aerts: feitencomplex en procesverloop bij Rechtbank en Hof
Documentgegevens:
mr. C.E.J.M. Hanegraaf, datum 25-06-2017
- Datum
25-06-2017
- Auteur
mr. C.E.J.M. Hanegraaf
- JCDI
JCDI:ADS304847:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Gerechtshof Arnhem 6 juli 2004, 13 september 2005 en 10 januari 2006, JOR 2006, 173 (Lammers/mr. Aerts q.q.).
Het Gerechtshof verwijst daarbij naar HR 10 maart 1995, NJ 1995, 595 (Janssen Pers).
Het stond Van Raai vanwege een concurrentiebeding niet vrij om formeel bestuurder te zijn van Blankenhoef Participatie.
R.o. 2.5.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Hieronder geef ik de casus die ten grondslag ligt aan de zaak Lammers-Aerts komt weer.
Blankenhoef Participatie B.V. (“Blankenhoef Participatie”) is op 19 december 2001 in staat van faillissement verklaard. Mr. Aerts is benoemd tot curator. NVR Adviesgroep B.V. (“NVR”) stond tot 1 december 2001 in het handelsregister ingeschreven als bestuurder van Blankenhoef Participatie. NVR was tezamen met twee anderen (natuurlijke personen) aandeelhouder van Blankenhoef Participatie. Blankenhoef Holding B.V. (“Blankenhoef Holding”) was enig aandeelhouder en bestuurder van NVR. Mevrouw Lammers (“Lammers”) was op haar beurt enig aandeelhouder en bestuurder van Blankenhoef Holding. Zij was derhalve tweedegraads bestuurder van NVR.
NVR is via de echtgenoot van Lammers (“Van Raai”) opgetreden als feitelijk beleidsbepaler van Blankenhoef Participatie. De curator constateerde dat de activiteiten van laatstgenoemde vennootschap hadden bestaan uit een soort piramidespel. Blankenhoef Participatie heeft in de periode van maart tot en met september 2001 ongeveer NLG 14 miljoen geleend van een aantal personen en heeft dit geld (gedeeltelijk) uitgezet bij diverse personen. Zij beschikte niet over de vereiste vergunning op grond van de (toenmalige) Wet toezicht kredietwezen. Op 16 oktober 2001 heeft Blankenhoef Participatie een bedrag ad EUR 26.092 overgemaakt naar Lammers. Volgens haar berustte deze betaling op de verkoop van aandelen in die vennootschap aan een mede-aandeelhouder en op het niet-doorgaan van een andere transactie. De curator betwist deze rechtsgrond. Het tekort in het faillissement bedraagt ongeveer EUR 5.000.000. Volgens de curator is er sprake van kennelijk onbehoorlijk bestuur als belangrijke oorzaak van het faillissement (art. 2:248 BW). De curator vordert dat Lammers het bedrag ad NLG 57.500 op grond van onverschuldigde betaling terugbetaalt. Daarnaast vordert hij een verklaring voor recht dat Lammers haar bestuurstaak zodanig onbehoorlijk heeft vervuld dat dit als een belangrijke oorzaak van het faillissement is aan te merken, alsmede dat zij jegens de boedel hoofdelijk aansprakelijk is voor het bedrag van de schulden voor zover deze niet door vereffening van de overige baten kunnen worden voldaan. De curator heeft conservatoir beslag doen leggen op enkele aan Lammers in eigendom toebehorende registergoederen.
De rechtbank geeft in haar vonnis van 26 maart 2003 verklaringen voor recht af inhoudende dat Lammers haar bestuurstaak zodanig onbehoorlijk heeft vervuld dat het als een belangrijke oorzaak van het faillissement is aan te merken en dat zij jegens de boedel hoofdelijk aansprakelijk is voor het bedrag van de schulden voor zover deze niet door vereffening van de overige baten kunnen worden voldaan. De rechtbank veroordeelt Lammers tot betaling van het tekort in het faillissement van Blankenhoef Participatie. Lammers gaat in hoger beroep.
Het Gerechtshof Arnhem1 gaat eerst in op de vraag of NVR bestuurder is van Blankenhoef Participatie. Het Gerechtshof oordeelt op 13 september 2005 dat NVR nimmer bestuurder van Blankenhoef Participatie is geworden. In de notariële akte (van aandelenoverdracht) was het besluit waarbij NVR tot bestuurder van Blankenhoef Participatie werd benoemd, vervat. Het Gerechtshof oordeelt dat door deze handelwijze niet voldaan was aan het bepaalde in art. 2:238 BW. Dat artikel bepaalt dat de aandeelhouders buiten vergadering hun stem schriftelijk dienen uit te brengen. Het nemen van een aandeelhoudersbesluit door vastlegging van het benoemingsbesluit in een notariële akte is slechts mogelijk indien er slechts één aandeelhouder zou zijn geweest.2 Gevolg van de constatering dat een rechtsgeldig aandeelhoudersbesluit ontbreekt, is dat NVR blijkbaar nooit (formeel) bestuurder van Blankenhoef Participatie is geweest. Vervolgens oordeelt het Gerechtshof dat Lammers niet als indirect bestuurder van Blankenhoef Participatie kan worden aangemerkt. Volgens het Gerechtshof is zij om die reden niet op grond van artt. 2:248 leden 1 en 2 jo. 2:11 BW aansprakelijk voor het faillissementstekort. Het Gerechtshof vervolgt echter met de opmerking dat door het handelen van Van Raai NVR wél aangemerkt kan worden als (mede-)beleidsbepaler van Blankenhoef Participatie. Het Gerechtshof oordeelt dat NVR via Van Raai is opgetreden als (mede-)beleidsbepaler van Blankenhoef Participatie en dat NVR op de voet van art. 2:248 lid 7 jo. lid 1 en/of lid 2 BW mogelijk aansprakelijk kan worden gehouden als ware zij bestuurder. Lammers kan als indirect (formeel) bestuurder van NVR aansprakelijk worden gehouden voor het tekort in het faillissement van Blankenhoef Participatie (zulks op grond van het bepaalde in de artt. 2:248 leden 1 en/of 2 en 7 jo. 2:11 BW). De curator heeft zijn vordering evenwel niet gebaseerd op artt. 2:248 lid 7 jo. 2:11 BW. Het Gerechtshof stelt bij tussenarrest partijen in de gelegenheid zich uit te laten over de aansprakelijkheid van Lammers op deze rechtsgrondslag.
In het eindarrest d.d. 10 januari 2006 overweegt het Gerechtshof dat Lammers – als bestuurder van Blankenhoef Holding en als (indirect) bestuurder van NVR – gefungeerd heeft als “strovrouw” van Van Raai, die via die vennootschappen het beleid van Blankenhoef Participatie bepaalde als ware hij bestuurder.3 In deze hoedanigheid gaf Van Raai feitelijk leiding aan handelingen van Blankenhoef Participatie in strijd met de (toenmalige) Wet toezicht kredietwezen. Volgens het Gerechtshof moet hij geweten hebben dat laatstgemelde vennootschap vroeg of laat niet aan haar verplichtingen zou kunnen voldoen en dat schuldeisers hierdoor zouden worden benadeeld. Deze handelingen leveren onbehoorlijk bestuur op waarvan zonder meer aannemelijk is dat dit een belangrijke oorzaak is van het faillissement van Blankenhoef Participatie. Dat sprake is geweest van onbehoorlijk bestuur blijkt ook uit de betreffende strafrechtelijke veroordelingen van betrokkenen. NVR is als (mede-)beleidsbepaler van Blankenhoef Participatie op grond van art. 2:248 leden 1 en 7 BW jegens de boedel aansprakelijk voor de schulden voor zover deze niet door vereffening van de overige baten kunnen worden voldaan. Op grond van art. 2:11 BW rust deze aansprakelijkheid tevens hoofdelijk op Lammers nu zij ten tijde van het ontstaan van de aansprakelijkheid via Blankenhoef Holding bestuurder was van NVR.
Het Gerechtshof veroordeelt Lammers tot betaling van EUR 1.000.000 aan de curator ter zake van haar hoofdelijke aansprakelijkheid en tot terugbetaling van ruim EUR 22.000 wegens onverschuldigde betaling. Naar het oordeel van het Hof heeft Lammers onvoldoende gemotiveerd betwist dat NVR via Van Raai feitelijk heeft gehandeld als (mede-)beleidsbepaler van Blankenhoef Participatie.4 Lammers betoogt in cassatie – onder verwijzing naar het Montedison-arrest – dat indien een rechtspersoon op grond van art. 2:248 lid 7 BW als (mede-)beleidsbepaler voor (nader omschreven) schulden aansprakelijk is, geen “doorbraak” van aansprakelijkheid plaatsvindt op grond van art. 2:11 BW naar de bestuurder van die rechtspersoon.