Einde inhoudsopgave
Aanvullen van subjectieve rechten (O&R nr. 109) 2019/14.4.3.3
14.4.3.3 Een rechtvaardiging voor de overgang van bevoegdheden is te vinden in de wet, overeenkomst, of de strekkingsopvatting
mr. drs. T.E. Booms, datum 01-01-2019
- Datum
01-01-2019
- Auteur
mr. drs. T.E. Booms
- JCDI
JCDI:ADS304019:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Kortmann 2005, p. 68, die evenwel tot de conclusie komt dat de inningsbevoegdheid zelf afdoende is om te verklaren dat de actief gerechtigde bevoegd is om het passieve zekerheidsrecht uit te oefenen.
Zie in algemene zin over de mogelijkheid om een ander de bevoegdheid te verlenen om over een recht te beschikken Groefsema 1993, p. 22 e.v.
De motivatie achter een dergelijke afspraak zou kunnen zijn gelegen in feitelijke omstandigheden die ervoor zorgen dat de lasthebber in een andere relatie tot de passief beperkt gerechtigde staat dan de lastgever. Wanneer meerdere vorderingen worden gesecureerd door hetzelfde zekerheidsobject, kan het dan nuttig zijn om de lasthebber enkele van de vorderingen alvast te laten innen zonder gebruik te hoeven maken van het zekerheidsrecht.
Zie over de verschillen tussen beide typen lastgeving Kortmann 1994a, p. 221.
Verstijlen 2013, p. 43; Asser/van Mierlo 2016, para. 211.
Dit lijkt te volgen uit de artikelen 3:256 en 3:274 BW, waarover meer in Parlementaire Geschiedenis Boek 3, p. 840. Ook wijdt de wetgever in Parlementaire Geschiedenis Boek 3, para. 309, 311 een bespreking aan het doen van afstand waarbij hij er expliciet vanuit gaat dat een beperkt recht zich uitstrekt over afhankelijke rechten die aan het moederrecht van het beperkte recht zijn verbonden.
Zie de Toelichting Meijers in Parlementaire Geschiedenis Boek 3, p. 91.
Zoals blijkt uit HR 11 maart 2005, NJ 2006/362 (Rabobank/Stormpolder). De Hoge Raad geeft in dit arrest weinig inzicht in de dogmatische onderbouwing van de bevoegdheid van de beslaglegger om de passieve zekerheidsrechten uit te oefenen.
Zie van der Kwaak 2009, p. 16-17.
Zie in deze zin ook de noot van A. van Hees bij HR 11 maart 2005, JBPr 2006/ 2 (Rabobank/Stormpolder). Hetzelfde lijkt te worden miskend door Rongen in zijn noot bij Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 2 september 2014, JOR 2015/20 (ABN Amro/Marell), onder 9.
Het passieve afhankelijke recht ontstond in deze casus in juli 2012, terwijl het actieve beperkte recht al tot stand was gekomen in maart 2012. Uit de feiten waarvan de Hoge Raad uitgaat, blijkt niet of het actieve beperkte recht daarna nog opnieuw is gevestigd; de Hoge Raad overweegt daar in ieder geval niets over.
In de Toelichting Meijers, Parlementaire Geschiedenis Boek 3, p. 309 is te vinden: “Onverschillig is bij een zodanig afhankelijk recht of het daarop bestaande beperkte recht ouder of jonger is dan het afhankelijke recht. Een vruchtgebruiker of hypotheekhouder van een erf kan zijn recht ook doen gelden op een later aan dat erf verbonden erfdienstbaarheid”. De rest van het citaat heb ik weggelaten, omdat Meijers hier een onjuiste conclusie trekt ten aanzien van de gevolgen van vermenging; zie Asser/Bartels, van Mierlo & Ploeger 2013, para. 17.
Zie de Conclusie van A.-G. Wissink bij HR 18 december 2015, JOR 2016/105 (ABN Amro/Marell) onder 2.4.3. met verdere verwijzingen.
Zie voor een voorbeeld van bevoegdheden die aan een afhankelijk recht kunnen zijn verbonden de bespreking van A. Steneker, annotatie bij Rb. Haarlem 25 mei 2002, JOR 2013/181 over het kunnen uitoefenen van een huurbeding door een ander dan de gerechtigde tot de vordering die door het hypotheekrecht wordt gesecureerd.
Anders dan Rongen 2012, p. 1288 ga ik er dus niet van uit dat de strekkingsopvatting een aanvullende dan wel alternatieve onderbouwing is ten opzichte van de inningsbevoegdheidsopvatting, maar dat het vereiste van inningsbevoegdheid als toepassingsvoorwaarde onderdeel uitmaakt van de strekkingsopvatting.
621. Door voorstanders van de inningsbevoegdheidsopvatting worden meerdere voorbeelden gegeven van gevallen waarin een afhankelijk zekerheidsrecht kan worden uitgeoefend door een ander dan de gerechtigde als gevolg van het feit dat er iets met de gesecureerde vordering gebeurt. Het eerste voorbeeld dat in de literatuur wordt genoemd, is de casus uit het arrest Rabobank/Stormpolder: 1) op de gesecureerde vordering wordt beslag gelegd. Naar aanleiding van dit arrest noemt Kortmann nog drie vergelijkbare situaties: 2) de gesecureerde vordering wordt verpand, 3) de gesecureerde vordering wordt geïnd door een lasthebber en 4) de gesecureerde vordering behoort tot een faillissementsboedel.1 Steeds wordt daarbij de (impliciete) aanname gedaan dat de overgang van de inningsbevoegdheid de rechtvaardiging vormt voor het overgaan van de bevoegdheid om het passieve afhankelijke zekerheidsrecht uit te oefenen. Een nadere beschouwing van deze vier voorbeelden laat zien dat deze rechtvaardiging elders gezocht moet worden. Ik bespreek de voorbeelden in omgekeerde volgorde, zodat de meest eenvoudige als eerst aan de beurt zijn.
622. Ik begin dus met het voorbeeld van de curator die bevoegd is om een zekerheidsrecht uit te oefenen dat afhankelijk is van een vorderingsrecht dat tot de faillissementsboedel behoort. De curator is op basis van de wet bevoegd om de faillissementsboedel te beheren en deze te vereffenen (art. 68 lid 1 Fw). In deze faillissementsboedel bevindt zich niet alleen het vorderingsrecht, maar ook het daarvan afhankelijke zekerheidsrecht. De curator hoeft de bevoegdheid om het afhankelijke zekerheidsrecht uit te oefenen dus niet te baseren op zijn inningsbevoegdheid, omdat deze bevoegdheid hem al op basis van de wet toekomt. De inningsbevoegdheid is wel nodig als de curator eenmaal tot uitwinning wil overgaan. Is een vordering die in de faillissementsboedel valt bijvoorbeeld openbaar verpand aan een derde, dan is die derde en niet de curator bevoegd om het afhankelijke zekerheidsrecht uit te oefenen.
623. Het tweede voorbeeld dat genoemd wordt, is dat van een overeenkomst van lastgeving, waarin de lastgever aan de lasthebber een last geeft om een gesecureerde vordering te innen. In zo’n geval ligt mijns inziens de verlening van de bevoegdheid om de voor die vordering gevestigde zekerheidsrechten uit te oefenen (impliciet) besloten in de lastgevingsovereenkomst.2 Zou in de lastgevingsovereenkomst expliciet zijn opgenomen dat het de lasthebber niet is toegestaan om de voor de te innen vorderingen gevestigde zekerheidsrechten uit te oefenen, dan kan de lasthebber – ongeacht het feit dat hij inningsbevoegd wordt – de zekerheidsrechten niet uitoefenen.3 De inningsbevoegdheid markeert dus slechts het moment waarop de lasthebber bevoegd wordt (bij een privatieve last) of naast de lastgever bevoegd wordt (bij een niet-privatieve last) om het zekerheidsrecht uit te oefenen als die bevoegdheid hem in de lastgevingsovereenkomst (impliciet) is toegekend.4
624. Slechts voor het voorbeeld waarin een gesecureerde vordering wordt bezwaard met een beperkt recht (zoals in het arrest ABN Amro/Marell) of wordt beslagen (zoals in het arrest Rabobank/Stormpolder) is het nodig om een truc uit te halen. Bij het vestigen van een beperkt recht op een gesecureerde vordering zal niet altijd (impliciet of expliciet) toestemming zijn gegeven aan de actief gerechtigde om het passieve afhankelijke zekerheidsrecht uit te oefenen. Indien de gesecureerde vordering wordt beslagen, zal die toestemming steevast ontbreken. De overgang van de bevoegdheid om het afhankelijke recht uit te oefenen kan dan dus niet worden gebaseerd op hetgeen de partijen zijn overeengekomen. Ook de wet biedt voor deze gevallen geen expliciete oplossing.5 Toch lijkt de wetgever ervan uit te gaan dat de bevoegdheid om het passieve zekerheidsrecht uit te oefenen over gaat op de actief beperkt gerechtigde.6 Er moet dus een andere rechtvaardiging zijn voor de overgang van deze bevoegdheid.
625. Zowel de overdrachtsopvatting als de strekkingsopvatting beogen deze rechtvaardiging te bieden (zie randnummer 617). Wat mij betreft verdient de strekkingsopvatting daarbij om twee redenen de voorkeur. Ten eerste kan enkel de strekkingsopvatting verklaren waarom ook een op het hoofdrecht gelegd beslag zich uitstrekt tot het van dit hoofdrecht afhankelijke recht. Onder de strekkingsopvatting wordt de rechtstoestand van het hoofdrecht gekopieerd naar het daarvan afhankelijke recht.7 Het beslag op het hoofdrecht treft dus tevens het afhankelijke recht, waardoor de beslaglegger het afhankelijke recht kan uitoefenen.8 De overdrachtsopvatting werkt in deze gevallen niet, omdat een gelegd beslag (anders dan het vestigen van een beperkt recht) een procesrechtelijke bevoegdheid is die geen (analoge) overdracht inhoudt.9 Ten tweede kan enkel de strekkingsopvatting verklaren waarom passieve afhankelijke rechten die ná het actieve beperkte recht ontstaan, door de actief beperkt gerechtigde kunnen worden uitgeoefend. Omdat onder de strekkingsopvatting de rechtstoestand van het hoofdrecht op ieder moment gekopieerd wordt naar het afhankepassief beperkt recht. Gaat men daarentegen uit van de overdrachtsopvatting, dan is de volgorde van vestiging van het actieve en het passieve beperkte recht van belang. Bij de vestiging van het actieve beperkte recht worden namelijk alleen de passieve afhankelijke rechten mee ‘overgedragen’ die op dat moment bestaan.10
626. De Hoge Raad lijkt er, gezien het feitencomplex in de zaak ABN Amro/Marell, van uit te gaan dat ook passieve afhankelijke rechten die ná de vestiging van het actieve beperkte recht ontstaan, door de actief beperkt gerechtigde kunnen worden uitgeoefend.11 Van eenzelfde opvatting lijkt de wetgever uit te zijn gegaan.12 In de literatuur wordt het ook als wenselijk aangemerkt indien het vestigingsmoment van beide beperkte rechten niet uitmaakt, onder meer omdat dit systeem praktisch eenvoudiger te hanteren is.13 Hetzelfde geldt in overdrachtelijke zin voor bevoegdheden die aan het afhankelijke recht zijn verbonden; ook hiervan is het wenselijk dat het niet uitmaakt wanneer deze zijn verkregen voor de vraag of ze door de actief gerechtigde kunnen worden uitgeoefend.14 Om deze redenen is naar mijn mening de strekkingsopvatting te verkiezen als verklaring voor het overgaan van de bevoegdheid om een passief afhankelijk beperkt recht uit te oefenen in gevallen waarin de gesecureerde vordering wordt bezwaard met een beperkt recht of wordt beslagen.15