Kiesrecht, verkiezingen en verkiezingscampagnes
Einde inhoudsopgave
Kiesrecht, verkiezingen en verkiezingscampagnes (SteR nr. 63) 2024/12.7:12.7 Afsluiting
Kiesrecht, verkiezingen en verkiezingscampagnes (SteR nr. 63) 2024/12.7
12.7 Afsluiting
Documentgegevens:
mr. L.S.A. Trapman, datum 19-02-2024
- Datum
19-02-2024
- Auteur
mr. L.S.A. Trapman
- JCDI
JCDI:ADS949747:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Met de invoering van verschillende subsidieregelingen voor aan politieke partijen verbonden instellingen, vanaf het begin van de jaren ’70 van de vorige eeuw, was sprake van een indirecte vorm van partijsubsidiëring. Opeenvolgende kabinetten hebben dit echter lange tijd ontkend, hetgeen aan een principieel debat over partijsubsidiëring in de weg stond. Pas in 1999, met de totstandkoming van de Wspp, werd een einde gemaakt aan het fictieve onderscheid tussen partijen en de aan hen verbonden instellingen en was directe partijsubsidiëring een feit. In dat subsidiestelsel staat het beginsel van brede doeluitkering centraal, dat oorspronkelijk voortvloeide uit de kwalitatieve benadering van de rol van politieke partijen die de Commissie-Van den Berg voorstond. In de loop der jaren is de lijst met (breed geformuleerde) doelen echter dusdanig uitgebreid, dat nu de facto sprake is van een systeem van lumpsumfinanciering.
De beslissing om verkiezingscampagnes als subsidiabele doelen aan te merken, geeft uitdrukking aan een faciliterende rol van de overheid op het gebied van de vrije meningsvorming van de kiezer. De opname van ‘activiteiten in het kader van verkiezingscampagnes’ in die lijst ging niet zonder slag of stoot. In de uiteindelijke keuze om toch tot opname over te gaan speelde mee dat de regering de mogelijkheid tot het voeren van inhoudelijke verkiezingscampagnes wilde faciliteren, omdat dergelijke campagnes in het belang van het adequate functioneren van de democratie zijn. Inhoudelijke verkiezingscampagnes helpen de kiezer bij het maken van een geïnformeerde keuze.
Met het opnemen van campagneactiviteiten als subsidiabel doel in de subsidieregeling wordt van belang in hoeverre de regeling aan de uitgangspunten voor vrije en eerlijke verkiezingen voldoet. Ik spitste deze vraag in paragraaf 5 toe op de vereisten voor subsidiegerechtigdheid, waarbij het uitgangspunt van (juridische) kansengelijkheid een centrale rol speelde. Duidelijk werd dat het regime op een aantal punten wijziging behoeft om het beginsel van kansengelijkheid beter in acht te nemen. Zo werd duidelijk dat de verenigingseis in de subsidieregeling geen plaats moet hebben, omdat alle groeperingen die zetels hebben behaald, voor subsidie in aanmerking moeten komen. Organisatorische eisen aan de indieners van kandidatenlijsten moeten elders gesteld worden. Dat geldt eveneens voor het ledenvereiste, dat voortkomt uit de gedachte dat partijen een zekere maatschappelijke worteling moeten kennen. Ook naamsregistratie zou geen vereiste moeten zijn. In het (zij het theoretische) geval dat een groepering geen naam registreert, is er geen rechtvaardiging om deze groepering subsidie te onthouden.
Paragraaf 6 ging in op de regeling omtrent subsidieontzegging in het geval van een strafrechtelijke veroordeling voor bepaalde misdrijven. Deze subsidieontzegging vormt een doorbreking van het uitgangspunt van kansengelijkheid, dat (afgezien van de in de vorige paragraaf geplaatste kanttekeningen) bij de subsidieregeling centraal staat. Ook beperkt de subsidieontzegging de vrijheid van meningsuiting van partijen. Deze beperkingen worden gerechtvaardigd door een materiële democratieopvatting, waarin plaats is voor het nemen van maatregelen die democratische rechten beperken, juist om het fundament van de democratie te versterken. Met het onthouden van overheidssteun aan partijen die zich tegen de grondslagen van de democratische rechtsstaat keren, is van een dergelijke maatregel sprake.