Einde inhoudsopgave
Het inzagerecht (BPP nr. IX) 2010/4.1
4.1 Het rapport van de Commissie Storme
Mr. J.R. Sijmonsma, datum 17-05-2010
- Datum
17-05-2010
- Auteur
Mr. J.R. Sijmonsma
- JCDI
JCDI:ADS450399:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Prominenten kijken om. Achttien rechtsgeleerden uit de Lage Landen over leven, werk en recht. Bijdragen tot de rechtsgeschiedenis der Nederlanden, 2004, C.H. van Rhee en L. Coenraad, Jurist zonder grenzen: interview met M.L.L.V. Stonne, p. 144-167.
M. Stonne (ed), Rapprochement du Droit Judiciaire de l'Union européenne/Approximation of Judiciary Law in the European Union, Kluwer Rechtswetenschappen België, Martinus Nijhoff Publishers, Dordrecht 1994. In het in de vorige noot genoemde interview vertelt Storme dat elk commissielid minimaal 1 onderwerp kreeg waarover hij een rechtsvergelijkende studie moest schrijven en een concepttekst van wetsartikelen. Gezamenlijk werd dan een toelichting bij de wetsartikelen geschreven.
Enkele andere onderwerpen waren 'respect voor het partijdebat', 'de wijze waarop getuigen gedwongen kunnen worden te verschijnen en te verklaren', 'de wijze van registratie van de getuigenverklaring', 'de kosten van de civiele procedure', 'voorlopige voorzieningen', 'het bevel tot betaling' en 'de dwangsom'.
Zoals ik `document(s)' in deze tijd maar vertaal.
De commissie komt dus tot een andere conclusie dan de hiervoor in par. 3.3 door Kremer en Rehbock en Krans getrokken conclusies.
Rapprochement DJ p. 97. Dit rapport bevat teksten in het Frans en in het Engels waarbij niet alle teksten in twee talen zijn verschenen. Onder andere de rechtsvergelijkende studie 'la découverte des documents-discovery' is enkel in het Engels. Waarschuwing: de inhoudsopgave in het Rapprochement DJ op p. 223 e.v. vermeldt foute paginaverwijzingen.
In de Rapprochement DJ wordt de disclosure in hoofdstuk 4 besproken. Om die reden is ook het exhibitie-artikel als vier genummerd.
Zie bijlage 11 van dit boek voor de Franse tekst van het voorstel.
P. 128 tot en met 135.
Ik gebruik hier de woorden zoals vermeld in art. 155a lid 1 van de schets van de Adviescommissie voor het Burgerlijk Procesrecht (ABP).
Dit lijkt een inbreuk te zijn op de wijze waarop in Nederland inhoud wordt gegeven aan de geheimhoudingsplicht van bijvoorbeeld een advocaat of arts. Zij hoeven immers zelfs niet te vertellen of iemand 'bij hen aan de deur is geweest'. Dat lijken zij nu wel te moeten vertellen.
De commissie spreekt over `excessive harm'.
In een interview vertelt Marcel L.L.V. Storme 1 dat gezegd kan worden dat hij het initiatief heeft genomen tot het doen van een studie naar de harmonisering van procesrecht in Europa. Die studie is verricht door de Commissie Storme, en het resultaat is neergelegd in het in 1994 tot stand gekomen Rapport Storme.2 In dat interview vertelt Storme dat het idee ontstond in Milaan in 1986 waar hij tijdens een gastcollege heeft gepleit voor eenmaking van het procesrecht in Europa. Met beperkte fondsen van de EG is hij vervolgens met de naar hem genoemde commissie aan het werk gegaan. Vooral wegens geldgebrek heeft de commissie zich beperkt tot 15 onderwerpen en één daarvan was 'la découverte des documents-discovery' .3
In de EG-landen, aldus hoofdstuk vier van het rapport, zijn grote verschillen wat de bepalingen omtrent inzage betreft. Dit geldt vooral voor gegevens4 die in bezit zijn van procespartij A, maar waarop procespartij A in het geding geen beroep doet. In de Common Law landen is er voor die gevallen een algemene verplichting om het bestaan van alle mogelijk relevante gegevens te openbaren. In de andere landen kan een partij wel inzage afdwingen, maar voorafgaand aan dat afdwingen staat de bekendheid met het bestaan van die gegevens en niet elke partij weet af van het bestaan van bepaalde gegevens. Dit verschil in regelgeving heeft tot gevolg dat niet elke procespartij in de EU (toen dus nog EG) dezelfde rechten en mogelijkheden heeft in elk land.5 De commissie komt dan ook tot de conclusie dat harmonisering van dit onderwerp gewenst is. De meest geschikte wijze van harmonisering in het kader van het volledig informeren van de rechter volgens de commissie
`...would be the one which requires as substantial a disclosure or communication of documents as is reasonably possible. If this proposal is included in any future Directive, only those documents under a party's control which, according to national law, are protected against disclosure or communication will not be open to inspection by an opposing party.’6
Na een lange considerans op de pagina's 172-173, komt de commissie met het volgende tekstvoorstel voor een exhibitieartikel.7
4.1 Lists of documents
4.1.1 It shall be the obligation of every party to an action to serve on all other parties a list of the documents which are in his possession, custody or power, which relate to any question in issue in the action and which have not previously been communicated to those parties:
a) where a general rule of national law so requires or
b) where the court, after all parties have been given the opportunity to be heard, so orders.
4.1.2 The list of documents shall indicate which, if any, of the documents the party objects to disclose or communicate on the ground of privilege against disclosure or communication.
4.1.3 The grounds of privilege against disclosure or communication shall be determinated by national law.
4.2 Communication and inspection of documents
4.2.1 Subject to 4.2.2, a party who has served a list of documents in accordance with article 4.1 shall communicate to or allow all other parties to inspect and to take copies of all or any of the document listed other than those in respect of which a claim of privilege against disclosure or communication has been made
4.2.2 Where the court is satisfied, on the application of a party and after all parties have been given the opportunity to be heard, that the communication or the inspection and copying of a document contained in a list of documents would cause undue harm to the party making the list or to any other person, it may relieve that party of the obligation contained in 4.2.1 in respect of the document.
4.3 Order for disclosure or communication
Provided that no order shall be made under this article unless the court is satisfied, after all parties have been given the opportunity to be heard, that such order is necessary for the just determination of the action, the court may order a party to disclose or communicate:
a) document in respect of which an unjustified claim of privilege against disclosure or communication had been made
b) a particular document which has not been included in any list of documents served by that party and which is shown both to be in the possession, custody or power of the party and to relate to a question in issue in the action.
4.4 Consequences of failure to disclose or communicate
A document which has not been disclosed or communicated to all parties to the action in advance of any proof-taking procedure in or trial of (or? JRS) the action, shall not be taken into account by the court in the formation of its decision, unless, decision made after all parties have been given the opportunity to be heard, the court orders otherwise.
4.5 Third parties
4.5.1 Subject to 4.5.2, the court may, upon the application of a party, order a person not a party to the action to disclose or communicate to the parties any document which he has in his possession, custody or power and which relates to a question in issue in the action.
4.5.2 No order shall be made under 4.5.1, unless:
a) the court is satisfied, after all parties and the person against whom the order is sought have been given the opportunity to be heard, that:
i) the document to which the application relates is in the possession, custody or power of the person against whom the order is sought;
ii) the order is necessary to the just determination of the action; and
iii) the order does not extend to any document which would be privileged foren (from? JRS) disclosure or communication if it were in the custody(,? JRS) power or control of a party to the action; and
b) the party applying for the order undertakes to indemnify the person against whom the order is sought in respect of all costs reasonably incurred by him.8
Uit de toelichting op de artikelen in het rapport9 haal ik het volgende.
Art. 4.1.1 heeft twee doelstellingen. Ten eerste harmonisatie van regelgeving: een procespartij moet in elke lidstaat dezelfde mogelijkheden hebben om gegevens in te zien. Ten tweede maakt dit artikel het mogelijk dat een partij ook die gegevens van de tegenpartij in kan zien die de tegenpartij niet in het geding wil brengen, maar die wel relevant zijn voor het betreffende dispuut. Het is niet de bedoeling dat alle gegevens terstond in het geding worden gebracht. Een partij moet allereerst een lijst maken van gegevens waarop alle relevante gegevens worden genoemd, waaruit de andere partij een keus kan maken. Dit voorkomt dat de wederpartij ook afschriften ontvangt van stukken die zij niet wenst te hebben. Een overvloed aan stukken kan immers ook de belangen van de ontvanger frustreren omdat het hem onmogelijk is om alles te lezen.
Elke lidstaat mag volgens sub a van art. 4.1.1 een algemene, voor alle verschillende zaken geldende regel maken, maar elk land moet ook de mogelijkheid hebben om bepaalde onderwerpen van de algemene regel uit te zonderen. In dat geval dient de rechter per zaak te beslissen of een lijst van gegevens moet worden verstrekt (sub b van art. 4.1.1).
Met de woorden `possession, custody or power' wordt een zo breed mogelijk spectrum bedoeld. Het gaat niet alleen om gegevens in bezit van de wederpartij, maar ook om gegevens over welke zij rechtmatig de beschikking kan krijgen.10
Art. 4.1.2: de lijst met gegevens moet compleet zijn. Dit betekent dat ook vermeld moet worden dat er gegevens zijn die afkomstig zijn van geheimhouders. Indien immers niet vermeld zou hoeven worden dat er gegevens van geheimhouders of verschoningsgerechtigden bestaan, kan geen procedure worden gestart om een antwoord te krijgen op de vraag of het betreffende gegeven ook geheim mag worden gehouden.11
Met het woord `disclose' bedoelt de commissie de wijze waarop het gegeven beschikbaar wordt gesteld, bijvoorbeeld inzage van het origineel of het verstrekken van een kopie. Met `communicate' wordt het feitelijk beschikbaar stellen bedoeld.
De commissie acht het zeer wenselijk, maar desondanks onhaalbaar om de regels omtrent verschoningsrecht en geheimhoudingsplicht te harmoniseren. Elk land mag wat dit onderwerp betreft (nog) zijn eigen regels handhaven (of nog scheppen).
Art. 4.2.1: lidstaten hebben de bevoegdheid om een procespartij te verplichten om alle gegevens feitelijk beschikbaar te stellen. De commissie vindt een dergelijke ruime regeling overbodig en te veel van het goede. Het is minder verspillend om een wederpartij te laten bepalen welke gegevens zij wenst in te zien en welke niet. De feitelijke uitvoering van één en ander zal volgens de commissie normaliter plaats vinden in het kantoor van de gemachtigde van de partij die de lijst heeft gemaakt. Het is aan elke staat zelf om de wijze waarop dit plaatsvindt, te bepalen waarbij de betreffende staat ook redelijke termijnen mag stellen om de betreffende rechten uit te oefenen.
Art. 4.2.2: het recht op inzage mag niet worden uitgeoefend indien dit de gegevens verstrekkende partij onevenredig nadeel toebrengt.12 De commissie verwacht dat deze beperking slechts heel zelden zal worden toegepast. Het verschoningsrecht en de geheimhoudingsplicht vallen niet onder het begrip 'onevenredig nadeel'. Beiden zijn immers al in art. 4.1.2 geregeld.
In art. 4.3 wordt een regeling gegeven om te voorkomen dat door een onterecht beroep op een geheimhoudingsplicht/verschoningsrecht een document niet ter inzage wordt gelegd. Tevens wordt de situatie geregeld indien een gegeven ten onrechte niet op de lijst is vermeld. Bij een en ander behoort een belangenafweging plaats te vinden. Een gegeven dat formeel niet onder een verschoningsrecht of geheimhoudingsplicht valt maar waarvan de inhoud een partij zeer in verlegenheid brengt, hoeft niet ter inzage te worden gegeven. Bij de vraag of er recht op inzage is, dient rekening gehouden te worden met alle omstandigheden van het geval en het belang van de goede rechtspleging.
Art. 4.4: dit `uitsluitingsartiker is alleen maar duidelijk bij een goed begrip van het systeem. Voorop staat dus de door alle partijen te verstrekken lijst. Die lijst behoort compleet te zijn en uit die lijst moet elke partij tijdig een keuze maken welke gegevens zij wenst in te zien. Nadat deze keuze is gemaakt, valt de bijl: gegevens die op de lijst stonden maar waarvan geen inzage is gevraagd, worden niet meer in de procedure toegelaten. De rechter kan, gehoord partijen, toch nog anders beslissen.
Art. 4.5.1: er zijn landen, aldus de commissie, die in verschillende variaties een regeling kennen waarbij niet in de procedure betrokken derden verplicht kunnen worden om inzage in bepaalde gegevens te verstrekken. In het kader van de harmonisatie van procesregels acht de commissie het noodzakelijk dat een dergelijke regeling in de onderhavige regeling wordt opgenomen. De betreffende regeling mag niet ambtshalve door de rechter worden toegepast en dient omzichtig te worden gehanteerd waarbij de rechter een eigen toetsingsverantwoordelijkheid heeft, tenzij de derde zonder voorbehoud instemt met inzage. Degene die stelt dat de derde een gegeven in bezit heeft dient, bij ontkenning van die stelling door de derde, dit te bewijzen.
De in art. 4.5.2 aanhef, onder a sub ii verwoorde voorwaarde is strikt. Het moet niet betreffen een gegeven dat 'bruikbaar' is; de inzage in het in bezit van de derde zijnde gegeven moet noodzakelijk zijn voor de uitslag van het geschil. De rechter dient hier onafhankelijk en volledig te toetsen.
De verplichting onder sub b van dit artikel acht de commissie vanzelfsprekend. Het is soms noodzakelijk om een derde in het geschil te betrekken. Soms is dit vervelend voor die derde en soms zelfs meer dan vervelend. Er is echter geen enkele reden om de derde zelf enige kosten te laten dragen. Alle door die derde redelijk gemaakte kosten moeten dan ook meteen worden vergoed door de partij die de derde in het geschil heeft betrokken. Aan het eind van de procedure dient de rechter te bepalen ten laste van welke procespartij die kosten uiteindelijk komen.