Einde inhoudsopgave
Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken (FM nr. 180) 2024/3.2.3
3.2.3 Plaatsing van fiscale sancties binnen het strafrecht (19e eeuw)
mr. drs. A. Heidekamp, datum 13-10-2023
- Datum
13-10-2023
- Auteur
mr. drs. A. Heidekamp
- JCDI
JCDI:ADS940801:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht (V)
Fiscaal procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie paragraaf 3.2.2.
Volledigheidshalve moet vermeld worden dat er ook in de wetgeving van kort voor en na de Franse tijd wel administratieve (bestuursrechtelijke) boetes voorkwamen. Deze boetes waren versnipperd (zij kwamen voor in diverse, afzonderlijke officiële voorschriften) en namen gaandeweg de 19e eeuw in aantal af. Zie Van der Poel 1942, p. 269-270. Feteris 2002, par. 1.3.2 geeft enkele voorbeelden van deze boetes.
Dat wil zeggen: vallend onder de vigeur van het Wetboek van Strafvordering en (later) het Wetboek van Strafrecht, hetgeen vooral betekende: opgelegd door de strafrechter. De delictsomschrijvingen waren echter doorgaans in de verschillende heffingswetten te vinden. Zie Scheltens (losbl.), p. 495, ook voor enkele voorbeelden, en voorts Van der Poel 1942, p. 265-266.
De Blieck e.a. 1995, par. 3.8.1 en 3.8.2. Zie ook Scheltens 1959, p. 15-17.
Van Nieuwkuijk 1909, par. 140.
Scheltens (losbl.), par. 58.
Zie daarover nader paragraaf 9.4.16.
Scheltens (losbl.), par. 58, p. 501 (noot 1).
Op grond van het evenredigheidsbeginsel dient de straf immers in verhouding te staan tot de ernst van het begane delict, zie Van Bemmelen-Van Veen/De Jong & Knigge 1998, p. 274-275. Zie voorts paragraaf 14.4.
Zie hierover ook: Scheltens (losbl.), par. 57, alsmede Scheltens 1959, p. 16.
Scheltens noemt een aantal fraaie voorbeelden van tegenstanders die geen misverstand lieten bestaan over hun ongenoegen (Scheltens 1959, p. 17).
Bijvoorbeeld Adriani 1949, p. 84. Anders: Rombach, die meende dat er vanwege de bijzonderheden van de administratieve boete geen sprake was van strafrecht, en dat daarom de administratieve boete ook niet verder mocht gaan dan de schade die de staat had geleden (zie Van der Poel 1942, p. 272-274).
Ik breng in herinnering dat er in die tijd nog geen administratieve rechter bestond, en er dus noodgedwongen een keuze moest worden gemaakt tussen de civiele rechter en de strafrechter. Vgl. ook Van der Poel, p. 284.
Voor 1892 bestond er nog geen ‘echte’ fiscale bestuursrechtelijke sanctie. Zoals hiervoor is opgemerkt, had onder invloed van de Franse codificatiedrang aan het begin van de 19e eeuw een overgang van het civiele (in de zin van: het niet-strafrechtelijke) naar het strafrechtelijke plaatsgevonden.1 Het strafrecht was in de periode daarna dus in wezen het enige instrument om fiscale ongerijmdheden te bestrijden.2 Fiscale delicten waren nu eenmaal vrijwel uitsluitend geplaatst binnen het strafrecht.3
Ten tijde van het wetsontwerp dat heeft geleid tot het Wetboek van Strafvordering van 1838 werd de strafrechtelijke geldboete bij fiscale delicten niettemin veelal gezien als een schadevergoeding voor de ontdoken belasting.4 Van Nieuwkuijk heeft erop gewezen dat in strafbepalingen van vóór 1838 zelfs expliciet formuleringen als ‘bij wijze van schadeloosstelling voor ’s rijks schatkist’ voorkwamen.5 Deze visie heeft feitelijk gedurende de gehele 19e eeuw bestaan.6 Het gevolg van de karakterisering als schadevergoeding was, dat voor bepaalde aan ‘echte’ straffen gewone kenmerken (zoals het verval van de sanctie bij overlijden van de dader7), een uitzondering kon worden gemaakt voor de fiscale delicten.8
Het komt mij voor dat deze visie op zijn minst voor een belangrijk deel is ingegeven door de omstandigheid dat destijds de mogelijkheid tot navordering van de belasting zelf nog ontbrak. Omdat er geen (andere) mogelijkheid was om de ten onrechte niet betaalde belasting achteraf alsnog te innen, ligt het voor de hand om de rechtvaardiging voor de fiscale strafrechtelijke geldboete tegen deze achtergrond in te kleuren. Binnen het strafrecht kan deze inkleuring vooral handzaam zijn bij het bepalen van de strafmaat.9 Om een passende en rechtvaardige straf op te kunnen leggen, moet op de een of andere manier een maatstaf gevonden worden voor de ernst van het delict. Bij fiscale zaken kan die maatstaf eenvoudig worden gevonden door aan te sluiten bij de aan de schatkist toegebrachte schade. Het resultaat was dat er een fiscaalrechtelijke compensatieregeling in een strafrechtelijk jasje was gegoten.
De wetgeving van 1838 week voor wat betreft de fiscale strafrechtelijke geldboetes op twee punten af van hetgeen elders in het strafrecht gebruikelijk was (en is).10 In de eerste plaats stond de strafmaat in een vaste verhouding tot de niet geheven belasting (er vond geen individuele straftoemeting plaats). In de tweede plaats was de mate van verwijtbaarheid niet relevant (bewijs van enige mate van schuld was niet vereist). Uitgaande van het schadevergoedingskarakter dat de wetgever onderkende, waren deze afwijkingen op zichzelf niet verwonderlijk. Verschillende schrijvers leverden echter ook toen al ongezouten commentaar op de ingevoerde wetgeving.11 Ook bij latere schrijvers overheerste de opvatting dat de schadevergoedingsgedachte niet houdbaar was en dat er sprake was van straffen in de zin van leedtoevoeging.12
Volledigheidshalve merk ik op, dat er in de wetgeving van kort voor en na de Franse tijd ook wel enige ‘losse’ administratieve boetes voorkwamen, die niet onder het strafrecht waren geschaard. De rechterlijke toetsing van deze administratieve boetes werd lange tijd overgelaten aan de civiele rechter, die na een actie wegens het niet-betalen toetste of de boete al of niet verschuldigd was.13