Einde inhoudsopgave
Voorlichting door de Belastingdienst in rechtsstatelijke context (FM nr. 177) 2022/1.2.4
1.2.4 Uitvoeringstechnische signalen
Mr. dr. T.A. Cramwinckel, datum 29-07-2022
- Datum
29-07-2022
- Auteur
Mr. dr. T.A. Cramwinckel
- JCDI
JCDI:ADS661336:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht / Algemene rechtsbeginselen en abbb
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Belastingrecht algemeen / Organisatie Belastingdienst
Voetnoten
Voetnoten
Zie de titel van het Belastingdienst Jaarplan 2022: ‘Bouwen aan vertrouwen’. Verder in paragraaf 3.2.8.
Consumentenbond 2018, p. 16; Kamervragen Mulder (PVV), Kamerstukken II 2017/2018, Aanhangsel nr. 2300.
Bijv. Kamerstukken II 2015/2016, Aanhangsel handelingen, nr. 2709 (kenmerk 2016Z09028); over een fout in het IB-aangifteprogramma zie in de brief van staatssecretaris van Financiën De Jager van 11 september 2007, nr. DGB2007–4312, V-N 2007/41.4. Over onduidelijke voorlichting in het kader van de vermogensrendementsheffing in Beantwoording Kamervragen over de 19e Halfjaarsrapportage van de Belastingdienst, brief van 2 juni 2017, kenmerk 2017-0000109201, vraag 26; Vgl. klachten over de afhandeling aangifte erfbelasting (waaronder de communicatie van de Belastingdienst, o.a. in aangifteformulier erfbelasting) in de brief van staatssecretaris van Financiën Vijlbrief van 29 juni 2021, nr. 2021-0000032204, V-N 2021/35.8.
Zie de brief van de staatssecretaris van Financiën Wiebes van 1 juli 2014, kenmerk AFP/2014/590, NTFR 2014/1764, p. 6-7. Zie ook klacht van burger bij Vaste commissie voor Financiën in de brief van 12 mei 2014, kenmerk 2014Z08528, over de aftrekbaarheid van trapliften als specifieke zorgkosten en de brief van staatssecretaris van Financiën Wiebes van 9 mei 2014, kenmerk DGB/2014/2300 U.
Kamerstukken II 2013/2014, 33750 IX, nr. 31, p. 4, met antwoord op p. 14.
Kamerstukken II 2013/2014, 33750 IX, nr. 31, p. 6, met antwoord op p. 14.
Inbreng van een schriftelijk overleg over algemene informatie aangiftecampagne en werkwijze BelastingTelefoon tijdens aangiftecampagne van 4 april 2018 (Kamerstuk 31066-397), kenmerk 2018D23070, p. 3.
Zie in het kader van een fout in het IB-aangifteprogramma in de brief van staatssecretaris van Financiën De Jager van 11 september 2007, nr. DGB2007–4312, V-N 2007/41.4, bijv. Vraag 7.
Nationale ombudsman brief van 24 juni 2021 met update van 29 september 2021, kenmerk 2021/098 (Vrouw wordt door verkeerde informatie van de Belastingdienst verrast door terugvordering toeslagen).
Tot slot bestaan concrete signalen in de uitvoering dat de huidige koers aan herijking toe is. De Belastingdienst legt sinds een paar jaar in zijn uitvoeringsstrategie een (noodgedwongen) toenemende focus op het belang van het vertrouwen in en betrouwbaarheid van de Belastingdienst.1 Dat staat inherent op gespannen voet met het gegeven dat burgers juridisch gezien als hoofdregel niet op zijn voorlichting kunnen vertrouwen.
Verder zijn de afgelopen jaren diverse Kamervragen gesteld over de mate van kwaliteit van de door de Belastingdienst verstrekte voorlichting, bijvoorbeeld naar aanleiding van onderzoeken van de Consumentenbond2 naar de kwaliteit van informatie in bijvoorbeeld het aangifteprogramma en de toelichting.3 Sommige Kamervragen zien zelfs specifiek op de consequenties voor burgers bij tekortkomingen in de verstrekte informatie.4
Voorbeeld
In 2014 kwam aan de orde dat een toelichting van de Belastingdienst onjuiste, want niet-actuele, informatie over de aftrekbaarheid van trapliften als hulpmiddel bevatte.5 Volgens de Staatssecretaris loopt de informatie in brochures ondanks alle inspanningen soms achter. Wel acht hij de wetswijziging voldoende kenbaar voor burgers, omdat deze volgt uit de tweede nota van wijziging op het Belastingplan 2014. De leden van de CDA-fractie begrijpen dit formele standpunt van de staatssecretaris. Toch hebben zij ‘moeite met de maatschappelijke gevolgen van dit formele standpunt, aangezien zij menen dat niet van, mogelijk ernstig zieke belastingplichtigen, verwacht kan worden dat zij op de hoogte zijn van alle nota’s van wijziging en dat zij wel zouden moeten kunnen vertrouwen op de informatie van de Belastingdienst.’6 De leden van de D66-fractie constateren dat er vaker sprake is van onjuiste, achterhaalde informatie. Dit kan volgens hen tot vervelende situaties leiden voor mensen die hierdoor verkeerd zijn voorgelicht en zij achten dit schadelijk voor het vertrouwen in de Belastingdienst.7
In 2018 werd door diverse politieke partijen aangekaart dat het gebrek aan juridische status van onjuiste informatie via de BelastingTelefoon leidt tot onevenwichtige gevolgen.
‘(…) dat het een groot probleem bij de BelastingTelefoon is dat de antwoorden niet rechtsgeldig zijn, maar belastingplichtigen ook geen alternatief hebben. Een foutief antwoord door medewerkers van de BelastingTelefoon heeft voor de Belastingdienst geen gevolgen, maar voor de belastingplichtige wel.’8
Deze voorbeelden staan niet op zichzelf.9 Recentere signalen dat de huidige koers ter discussie moet worden gesteld, komen ook vanuit andere instituties. Zo oordeelde de Commissie voor de verzoekschriften in mei 2021 naar aanleiding van een klacht over onjuiste informatie door de Belastingdienst dat burgers ervan uit mogen gaan dat informatie op de website van de Belastingdienst klopt. Klachten over onjuiste informatievoorziening van de Belastingdienst dienen volgens de Commissie direct gegrond horen te worden verklaard.10 In juni 2021 oordeelde de Nationale Ombudsman in een zaak over onjuiste informatie van Belastingdienst/Toeslagen dat ‘een burger moet kunnen vertrouwen op informatie die wordt gegeven door medewerkers van een overheidsinstantie’.11
De in genoemde oordelen besloten liggende norm – de burger moet kunnen vertrouwen op informatie van de Belastingdienst – staat haaks op de huidige koers van de Hoge Raad. Valt nog wel uit te leggen dat burgers in beginsel het risico dragen van onjuistheden in voorlichting, terwijl zij vaak juist zijn aangewezen op die voorlichting?