Verzekering verzekerd?
Einde inhoudsopgave
Verzekering verzekerd? (R&P nr. FR13) 2015/1.4:1.4 Toetsingskader
Verzekering verzekerd? (R&P nr. FR13) 2015/1.4
1.4 Toetsingskader
Documentgegevens:
mr. N. Lavrijssen, datum 15-01-2015
- Datum
15-01-2015
- Auteur
mr. N. Lavrijssen
- JCDI
JCDI:ADS616279:1
- Vakgebied(en)
Financieel recht / Financieel toezicht (juridisch)
Verzekeringsrecht / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De gevolgen voor verzekerden kunnen worden onderverdeeld in twee categorieën: gevolgen voor de dekking (ontvangt de verzekerde een uitkering wanneer de verzekerde gebeurtenis zich voordoet?) en gevolgen voor de voortzetting van de verzekeringsovereenkomst (kan de verzekerde onder dezelfde voorwaarden verzekerd blijven?).1 Aan de hand van het onderstaande toetsingskader zullen de gevolgen van het faillissement respectievelijk de vier saneringsregelingen in kaart worden gebracht:
1. Uitkeringen veilig gesteld? JA/NEE
Vorderingen van verzekerden te gelde te maken via:
Oorspronkelijke verzekeraar: ja/nee
Opvolgend verzekeraar: ja/nee
Alternatieve route: ja/nee
2. Verzekeringsovereenkomst veilig gesteld? JA/NEE
Voortzetting verzekeringsovereenkomst onder gelijke voorwaarden: ja/nee
Nieuwe verzekeringsovereenkomst onder gelijke voorwaarden: ja/nee
In de eerste plaats hebben verzekerden belang bij het veilig stellen van hun uitkeringen (vraag 1). Verzekerden sluiten immers een verzekeringsovereenkomst met een verzekeraar, met het doel om bepaalde risico’s te laten dragen door de verzekeraar. Zoals in paragraaf 1.1 is aangegeven, gaat het hierbij veelal om risico’s die bij verwezenlijking ervan grote financiële gevolgen kunnen hebben voor verzekerden. Deze gevolgen zijn vaak niet of moeilijk te dragen op individuele basis. Door zichzelf te verzekeren, wordt het individuele risico in wezen gedragen door het collectief van verzekerden. Het gaat bij verzekering dus om de verdeling van risico’s over alle premiebetalers. Met het oog op deze risicospreiding is het van belang dat uitkeringen ook daadwerkelijk kunnen worden gedaan door de verzekeraar zodra de verzekerde gebeurtenis zich voordoet. Is dit niet het geval, dan heeft dit alsnog grote financiële gevolgen voor verzekerden; kan de uitkering niet (volledig) aan de verzekerde worden gedaan, komen de gevolgen van de verwezenlijking van het verzekerde risico geheel of gedeeltelijk voor rekening van de individuele verzekerde. De eerste component van het toetsingskader bestaat daarom uit de vraag of uitkeringen veilig worden gesteld.
Omdat de verzekeringsovereenkomst is aangegaan met de verzekeraar, zal in eerste instantie worden bezien of de verzekerden hun vorderingen voldaan kunnen krijgen via hun oorspronkelijke verzekeraar (sub a). Dit zal niet altijd mogelijk zijn, omdat de financiële problemen van de oorspronkelijke verzekeraar daarvoor te groot kunnen zijn. Is er sprake van een opvolgend verzekeraar, dan is het van belang na te gaan of verzekerden hun vorderingen kunnen innen via deze opvolgend verzekeraar (sub b). Is dit niet het geval of is er geen sprake van een opvolgend verzekeraar, dan bestaat de mogelijkheid dat verzekerden hun vorderingen voldaan kunnen krijgen via een alternatieve route (sub c). Denk hierbij bijvoorbeeld aan een eventueel garantiestelsel dat dient als vangnet om te voorkomen dat verzekerden – veelal consumenten – met een grote schadepost blijven zitten.2
Naast het veilig stellen van uitkeringen kunnen verzekerden er onder omstandigheden ook belang bij hebben om de verzekeringsovereenkomst zelf veilig te stellen, omdat het afsluiten van een nieuwe verzekeringsovereenkomst niet langer mogelijk is of uitsluitend onder minder gunstige voorwaarden (vraag 2). Bij minder gunstige voorwaarden kan het bijvoorbeeld gaan om een hogere premie, een hoger eigen risico of een beperktere looptijd van de verzekeringsovereenkomst. Een hogere premie kan zich bijvoorbeeld voordoen ten aanzien van levensverzekeringen. Voor de berekening van de te betalen premie van een levensverzekering is de sterftekans erg belangrijk.3 Hoe ouder een potentiële verzekerde is, hoe hoger de sterftekans. Dat betekent dat de nieuwe verzekeraar in kwestie meer risico’s loopt wanneer het gaat om een overlijdensrisicoverzekering en dit zal tot uitdrukking worden gebracht in de te betalen verzekeringspremie. Deze zal hoger zijn dan de premie die de verzekerde bij zijn eerste levensverzekeraar betaalde, omdat de verzekerde ten tijde van het sluiten van deze verzekeringsovereenkomst jonger was.
Ook kan het zo zijn dat het aangaan van een nieuwe verzekeringsovereenkomst in sommige gevallen gewoonweg onmogelijk is. Denk bijvoorbeeld aan het afsluiten van een arbeidsongeschiktheidsverzekering voor zelfstandigen, terwijl de verzekerde in kwestie inmiddels te kampen heeft met ernstige gezondheidsklachten. Het risico dat de verzekerde uiteindelijk een beroep moet doen op diens arbeidsongeschiktheidsverzekering is vele malen groter dan toen deze verzekerde in goede gezondheid een verzekeringsovereenkomst afsloot met de inmiddels (nagenoeg) failliete verzekeraar. Wanneer de kans dat de verzekeraar tot uitkering over zal moeten gaan heel groot is, zal de verzekeraar ervoor kiezen om geen verzekeringsovereenkomst aan te gaan met de verzekerde of om de verzekeringspremie zo hoog vast te stellen dat het voor de verzekerde feitelijk onmogelijk wordt om de verzekeringsovereenkomst te sluiten. In beide gevallen leidt het voor de verzekerde tot onverzekerbaarheid van het voorheen wel (volledig) verzekerde risico. Voortzetting van de verzekeringsovereenkomst (sub a) voorkomt dat verzekerden het risico lopen dat zij geen andere verzekeringsovereenkomst af kunnen sluiten of uitsluitend onder minder gunstige voorwaarden. Is voortzetting van de oorspronkelijke verzekeringsovereenkomst niet mogelijk, dan hebben verzekerden er belang bij om een nieuwe verzekeringsovereenkomst te sluiten onder dezelfde voorwaarden als de voorwaarden die golden ten aanzien van de eerste verzekeringsovereenkomst (sub b).
De twee categorieën toetsingscriteria (‘uitkering veilig gesteld?’ en ‘verzekeringsovereenkomst veilig gesteld?’) vormen het kader waarbinnen het faillissement en de diverse saneringsregelingen zullen worden onderzocht. Door toetsing aan de criteria kan worden vastgesteld wat de gevolgen voor verzekerden bij een faillissement en bij de vier saneringsregelingen zijn. Voor de bescherming van verzekerden is overigens niet nodig dat alle deelvragen met ‘ja’ beantwoord worden. Ten aanzien van het veilig stellen van de uitkeringen (vraag 1) is voldoende dat de vorderingen van verzekerden kunnen worden voldaan ofwel via de oorspronkelijke verzekeraar (sub a), ofwel via de opvolgende verzekeraar (sub b) ofwel via een alternatieve route (sub c). Ook kunnen de uitkeringen veilig worden gesteld wanneer een deel van de vordering bijvoorbeeld geïnd kan worden via de route van sub a, en een deel via de route van sub c.
Ook ten aanzien van het veilig stellen van de verzekeringsovereenkomst (vraag 2) is het niet nodig dat beide deelvragen met ‘ja’ worden beantwoord. Ofwel het voortzetten van de reeds aangegane verzekeringsovereenkomst, ofwel het kunnen sluiten van een nieuwe verzekeringsovereenkomst onder gelijke voorwaarden brengt met zich mee dat verzekerden worden beschermd. Een combinatie van beide is overigens ook hier denkbaar. Zou er namelijk in verband met een overdracht van de verzekeringsportefeuille gekort moeten worden op de rechten van verzekerden ten aanzien van de reeds bestaande verzekeringsovereenkomst, dan kan worden nagegaan of het mogelijk is om een nieuwe – aanvullende – verzekeringsovereenkomst te sluiten onder gelijke voorwaarden voor het deel waarop is gekort in het kader van die overdracht.