Einde inhoudsopgave
Stille getuigen 2015/5.3.2.1
5.3.2.1 Algemeen
Mr. B. de Wilde, datum 01-01-2015
- Datum
01-01-2015
- Auteur
Mr. B. de Wilde
- Vakgebied(en)
Internationaal publiekrecht / Mensenrechten
Strafprocesrecht / Terechtzitting en beslissingsmodel
Strafprocesrecht / Voorfase
Voetnoten
Voetnoten
Zie over de ontwikkeling van een verplichte oproeping van alle door de verdediging opgegeven getuigen naar de mogelijkheid om oproeping te weigeren Corstens 1992.
Garé & Mevis 2000, p. 93.
Zie § 3.2.5 over de betekenis van het noodzakelijkheidscriterium en het onderscheid met het criterium van het verdedigingsbelang.
Artikel 264 lid 2 Sv maakt duidelijk dat ook de oproeping van bedreigde of anonieme afgeschermde getuigen mag worden geweigerd. De Hoge Raad spreekt overigens van ‘maatstaven’ en niet van ‘criteria’.
Artikelen 264 lid 1 sub a, 288 lid 1 sub a, 410 lid 3, 414 lid 2 en 418 lid 1 Sv.
Artikelen 264 lid 1 sub b, 288 lid 1 sub b, 410 lid 3, 414 lid 2 en 418 lid 1 Sv.
Artikelen 264 lid 1 sub c, 288 lid 1 sub c, 410 lid 3, 414 lid 2 en 418 lid 1 Sv. In artikel 288 lid 1 sub c Sv is ook de grond opgenomen dat de officier van justitie redelijkerwijs niet in zijn vervolging zal worden geschaad. Die grond is voor dit onderzoek echter niet relevant.
Artikelen 315, 410 lid 3, 414 lid 2 en 418 leden 2 en 3 Sv.
Zie voor een overzicht van de van toepassing zijnde criteria Scheele 2011.
Tot 1984 moesten op grond van de wettelijke regeling alle door de verdediging opgegeven getuigen worden opgeroepen. Tegenwoordig bevat het Wetboek van Strafvordering redenen op grond waarvan getuigenverzoeken mogen worden afgewezen, dan wel van het horen van verschenen getuigen mag worden afgezien.1 De huidige regeling gaat ervan uit dat de officier van justitie in beginsel alle door de verdediging voorafgaand aan de zitting opgegeven getuigen moet oproepen. Op de in artikel 264 lid 1 Sv genoemde gronden mag hij daarvan echter afzien. Garé en Mevis spreken daarom van een ‘ja-tenzij-procedure’.2 Wordt pas ter zitting voor het eerst verzocht om de oproeping van een getuige, dan is het – in theorie3 – strengere criterium van noodzakelijkheid van toepassing. HetWetboek van Strafvordering bevat bepalingen op grond waarvan in specifieke situaties kan worden vastgesteld aan de hand van welk criterium een getuigenverzoek moet worden beoordeeld. Het gaat om de volgende criteria:4
Het is onaannemelijk dat de getuige binnen een aanvaardbare termijn ter zitting zal verschijnen.5
De gezondheid of het welzijn van de getuige zal door het afleggen van een verklaring ter terechtzitting in gevaar worden gebracht en het voorkomen van dit gevaar weegt zwaarder dan het belang om de getuige ter terechtzitting te kunnen ondervragen.6
De verdachte wordt door het uitblijven van een oproeping redelijkerwijs niet in zijn verdediging geschaad.7
De oproeping van de getuige is niet noodzakelijk.8
De weigeringsgronden zullen hieronder stuk voor stuk worden besproken, met als doel vast te stellen of deze gronden ook in Straatsburgse ogen voldoende redenen opleveren om het ondervragingsrecht te beperken.9