Einde inhoudsopgave
Kavelruil (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2014/1.II.A.3.a
a. Decentralisatie: de provincies op de voorgrond
mr. J.W.A. Rheinfeld, datum 31-01-2014
- Datum
31-01-2014
- Auteur
mr. J.W.A. Rheinfeld
- JCDI
JCDI:ADS474940:1
- Vakgebied(en)
Ruimtelijk bestuursrecht / Grondexploitatie
Voetnoten
Voetnoten
Aldus H. Buiter, J. Korsten, Land in aanleg, p. 120.
Aldus J.A. Zevenbergen, H.E. van Rij, ‘Het ontwerp Wet inrichting landelijk gebied (Wilg), een eerste verkenning’.
Kamerstukken II 1992/1993, 22 236, nr. 17. Zie tevens Kamerstukken II 2005/2006, 30509, nr. 6, p. 17- 18, alsmede H.W. Mojet, Regelgeving inrichting landelijk gebied, p. 18. Zie tevens J.A. Zevenbergen, ‘Vernieuwing in de landinrichting: over herijking en varkens’, p. 423.
J.A. Zevenbergen, H.E. van Rij, ‘Het ontwerp Wet inrichting landelijk gebied (Wilg), een eerste verkenning’, p. 678 betitelt de WILG als ‘een wettelijke verankering van de decentralisatie.’ De versterkte rol voor de provincies is overigens ook te vinden in de Reconstructiewet concentratiegebieden, besproken in onderdeel 1 van dit hoofdstuk.
Hierna tevens: PMJP. Zie over de nieuwe taakverdeling uitgebreid Kamerstukken II 1992/1993, 23239, nr. 2, p. 41 e.v.
Zie H. Buiter, J. Korsten, Land in aanleg, p. 120.
Zie over het IMP uitgebreid Kamerstukken II 1992/1993, 23239, nr. 2, p. 41, alsmede J.A. Zevenbergen, ‘Vernieuwing in de landinrichting: over herijking en varkens’, p. 423.
Aldus H. Buiter, J. Korsten, Land in aanleg, p. 120,
Zie onder meer Kamerstukken II 1992/1993, 23239, nr. 2, p. 12.
Parallel aan de in onderdeel 1 van dit hoofdstuk beschreven discussie over de vereenvoudiging en flexibilisering van het landinrichtingsinstrumentarium werden vanaf de invoering van de Landinrichtingswet ook het beleidvormingsproces en de beleidsuitvoering kritisch tegen het licht gehouden. Voortdurend werd daarbij gesproken over (verdere) vergroting van de rol van de provincies in de landinrichting (en bij andere taken in het landelijk gebied). De spilfunctie van de rijksoverheid bij de inrichting van het landelijk gebied stond sinds begin jaren negentig ter discussie.1 De provincies wilden een prominentere rol spelen.2 Het Rijk zou zich moeten beperken tot het bepalen van de hoofdlijnen en de bijbehorende budgetten. Uitkomst van deze discussie, die bekend stond onder de naam ‘Decentralisatie Impuls’, was dat de regering besloot om de taken op het gebied van de landinrichting, grondverwerving, beheersovereenkomsten, natuurbeleid en openluchtrecreatie meer te decentraliseren. Hiertoe werd in 1993 het Decentralisatie Impuls-akkoord gesloten tussen de provincies en het Ministerie van Landbouw.3 Het is echter niet gelukt om dit akkoord wettelijk te verankeren.4 Wei is, zonder de wet aan te passen, een aantal veranderingen doorgevoerd. Zo kreeg het provinciaal bestuur in het nieuwe beleid veel meer invloed. Daarnaast waren Gedeputeerde Staten voortaan nauw betrokken bij het opstellen van het Provinciaal Meerjarenprogramma5 voor de landinrichting. Ook de beoordeling van de door de lokale landinrichtingscommissies op te stellen Iandinrichtingsplannen en de verlening van de toestemming om de uitvoering van projecten te starten, viel voortaan onder verantwoordelijkheid van Gedeputeerde Staten.6
In 1995 werd dit decentrale model uitgeprobeerd. De provincies stelden op basis van de provinciale programma’s voor het eerst gezamenlijk een Interprovinciaal Meerjarenprogramma7 op, dat het kader vormde voor de landinrichting, grondverwerving en het agrarisch natuurbeheer. Een jaar later werd het nieuwe model definitief doorgevoerd.8
Gevolg van de decentralisatie was ook het ontstaan van diverse nieuwe overlegorganen, zowel op landelijk als op provinciaal niveau, waarin overheden, belangenorganisaties en andere betrokken partijen spraken over (onder meer) landinrichting.’Gezamenlijke verantwoordelijkheid’ luidde het devies: het Rijk en de decentrale overheden zijn samen verantwoordelijk voor het oplossen van inrichtingsvraagstukken binnen het landelijk gebied, alsmede voor de uitvoering van de oplossingen.9