Einde inhoudsopgave
De reikwijdte van medezeggenschap (MSR nr. 63) 2014/4.4.3
4.4.3 Art. 31a WOR
Datum 01-01-2014
- Datum
01-01-2014
- JCDI
JCDI:ADS392015:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Het afgeven van een dergelijke art. 403-verklaring betreft een adviesplichtig besluit. Het intrekken van de 403-verklaring is dit in het algemeen niet, tenzij hierover toezeggingen zijn gedaan aan de or van de dochtervennootschappen. Zie: Ondernemingskamer 13 juli 2000, JOR 2000/174 m. nt. RvK, ROR 2001, 15 (EBS I). Ook kan de (C)or het intrekken van de 403-verklaring aan de orde stellen in een procedure ex art. 2:14-16 BW. Zie: Rechtbank Arnhem (voorzieningenrechter) 21 juli 2004, JIN 2004/27. Zie hierover ook: L.G. Verburg, De OK, de medezeggenschap en het jaar 2000, Arbeidsrecht 2001, 23. R.H. van het Kaar, ‘Kroniek medezeggenschap 2004’, SR 2005, 43, S.M. Bartman, ‘werkgeversverplichtingen onder de art. 403-verklaring’, ArbeidsRecht 2002, 35.
Zie ook: J. Roest, Medezeggenschap van werknemers bij financieel-economische besluiten. Met enige beschouwingen naar Duits recht, Diss. 1996, p. 101.
Kantonrechter Rotterdam 23 april 2007, JAR 2007/152 (ADM Europoort).
Art. 31a WOR bepaalt dat de ondernemer de or gegevens verstrekt over werkzaamheden en resultaten van de onderneming. Indien de onderneming in stand wordt gehouden door een jaarrekeningplichtige onderneming, moeten op grond van het tweede lid van dit artikel de jaarrekening, het jaarverslag en de overige gegevens aan de or verstrekt worden. In concernverhoudingen biedt Titel 9 van Boek 2 BW de mogelijkheid de jaarrekening te consolideren, indien aan bepaalde eisen wordt voldaan. Dit houdt in dat de moedervennootschap een jaarrekening opstelt waarin tevens de resultaten van de verschillende dochtervennootschappen zijn verwerkt. De dochtervennootschappen zijn vervolgens vrijgesteld van de jaarrekeningplicht, wat inhoudt dat zij kunnen volstaan met een summiere (vereenvoudigde) jaarrekening: de zogenoemde 2:403-vrijstelling. Tevens gelden de regels inzake het jaarverslag, de overige gegevens en het accountantonderzoek niet. Het consolideren van de jaarrekening in concernverhoudingen kan gevolgen hebben voor de aan de vennootschap verbonden onderneming. Zo is één van de voorwaarden voor de 403-verklaring dat de moedervennootschap aansprakelijkheid aanvaardt voor de schulden van de dochtervennootschappen.1
Vrijgestelde ondernemers hoeven slechts de vereenvoudigde jaarrekening te overleggen aan de or (art. 31a lid 3 WOR). Nu deze jaarrekening zeer summier is, dient daarnaast de geconsolideerde jaarrekening van de moedermaatschappij voorgelegd te worden. Ook moeten gegevens worden verstrekt waaruit de or kan opmaken wat de bijdrage van de groepsmaatschappij aan het totale resultaat is geweest. Deze gegevens zullen niet in alle gevallen het gebrek aan een afzonderlijke jaarrekening compenseren. Hierdoor zullen ondernemingsraden van vrijgestelde groepsmaatschappijen minder informatie krijgen dan ondernemingsraden van jaarrekeningplichtige ondernemingsraden (art. 31a lid 2 WOR).2 Voordat het jaarrekeningenrecht was aangepast aan de vierde EG-richtlijn, waren groepsmaatschappijen verplicht alleen voor de informatie aan de or jaarstukken op te maken die voldeden aan het Besluit verstrekking financiële informatie aan ondernemingsraden. Dit besluit is in 1985 vervallen. In 1989 heeft de minister bij zijn adviesaanvraag inzake knelpunten van de Wet op de ondernemingsraden de SER verzocht te adviseren of herinvoering van deze verplichting wenselijk is. De SER kon niet tot een unaniem advies komen en het verschil tussen jaarrekeningplichtige en vrijgestelde ondernemingen is blijven bestaan. In de zaak-ADM Europoort is door de Kantonrechter Rotterdam dit verschil echter teniet gedaan.3
De kantonrechter overwoog het volgende:
“Geoordeeld wordt dat artikel 31a WOR een vergaande informatieverplichting aan de Ondernemer oplegt. Nakoming van deze verplichting is onontbeerlijk om aan de bedoeling van de WOR te kunnen voldoen. Uit artikel 31a WOR volgt dat de or recht heeft op jaarrekening en jaarverslag. Als er sprake is van consolidatie dient de Ondernemer zodanige informatie te verschaffen dat de wederwaardigheden van de onderneming voor de or navolgbaar zijn. Dit betekent dat van de Ondernemer mag worden gevergd de hiervoor vermelde gegevens te verschaffen. Immers, op deze wijze wordt informatie verstrekt als ware de verslaggeving niet geconsolideerd. Dit geldt temeer nu gebleken is dat sprake is van een groot aantal vennootschappen die opgenomen zijn in de geconsolideerde verslaggeving. Deze vennootschappen hebben geen COR of GOR, althans dit is gesteld noch gebleken. De or dient inzicht te hebben in de bijdrage van de onderneming aan het gezamenlijk resultaat van deze vennootschappen, temeer nu het totaaloverzicht niet door een dergelijke overkoepelende ondernemingsraad of andere overlegvorm kan worden beoordeeld. (....) De ondernemer dient deze gegevens (overigens in de Nederlandse taal) met toelichting schriftelijk aan de or te verschaffen. Een reguliere jaarrekening van en jaarverslag van een niet geconsolideerde vennootschap kan als voorbeeld strekken. Het kan niet zo zijn dat een or van een geconsolideerde vennootschap qua informatie op achterstand wordt gezet van een vennootschap die dat niet is en waarbij de or de jaarrekening en het jaarverslag ontvangt.”
Uit dit citaat blijkt dat de kantonrechter de achterstand van vrijgestelde dochtermaatschappijen niet toelaatbaar acht. De ondernemer dient volgens hem daarom alle informatie te verschaffen die hij zou moeten verschaffen wanneer de jaarrekening niet geconsolideerd zou zijn. Hij geeft zelfs aan dat een jaarrekening van een niet-vrijgestelde onderneming als voorbeeld kan dienen. Deze interpretatie van art. 31a
WOR komt erop neer dat de ondernemer een afzonderlijke jaarrekening dient op te stellen om aan zijn financiële informatieplicht te voldoen. De groepsmaatschappij heeft op deze wijze eigenlijk weer dezelfde verplichtingen als voor 1985. Dit heeft tot gevolg dat de voordelen die Boek 2 BW biedt voor vrijgestelde ondernemingen, met uitzondering van de vereisten ten aanzien van openbaarmaking en accountantsonderzoek, minder aantrekkelijk zijn door het zware informatierecht van ondernemingsraden op grond van de Wet op de ondernemingsraden. De Kantonrechter Rotterdam acht het belang van de or bij voldoende inzicht in de resultaten van de onderneming belangrijker dan de voordelen voor de vennootschapsorganen om de beperkte jaarstukken op te stellen. De kantonrechter maakt niet geheel duidelijk of de zware informatieplicht op alle vrijgestelde ondernemingen rust of alleen op de vrijgestelde ondernemingen van een concern waarin geen cor is ingesteld, zoals in casu het geval was.