Einde inhoudsopgave
Verbondenheid in het belastingrecht (FM nr. 128) 2008/11.3.1.1
11.3.1.1 Wettelijke omschrijving
Dr. R.N.F. Zuidgeest, datum 20-11-2008
- Datum
20-11-2008
- Auteur
Dr. R.N.F. Zuidgeest
- JCDI
JCDI:ADS606591:1
- Vakgebied(en)
Schenk- en erfbelasting / Algemeen
Schenk- en erfbelasting / Erfbelasting
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Schenk- en erfbelasting / Schenkbelasting
Voetnoten
Voetnoten
Kabinetsstandpunt inzake het rapport ‘De warme, de koude en de dode hand’ van de werkgroep modernisering successiewetgeving, Kamerstukken II 2000/01, 27 789, nr. 1.
Kamerstukken II 2001/02, 28 015, nr. 1-2.
Kamerstukken II 2001/02, 28 015, nr. 3, p. 3.
Kamerstukken II 2001/02, 28 015, nr. 6, p. 13.
Kamerstukken II 2001/01, 28 015, nr.12, p. 3.
Kamerstukken II 2001/02, 28 015, nr. 3, p. 35.
Kamerstukken II 2001/01, 28 015, nr.12.
De kring van verbonden personen voor de toepassing van art. 2 lid 1 SW 1956 omvat in de eerste plaats de echtgenoot van de ambtenaar, van wie hij niet duurzaam gescheiden leeft. Op basis van art. 2 lid 6 AWR wordt hieronder tevens de geregistreerde partner verstaan. De woonplaatsfictie geldt echter niet voor de partner met wie de ambtenaar ongehuwd samenwoont.
Tot de verbonden personen behoren wel de eigen kinderen en stiefkinderen die jonger zijn dan 27 jaar, en in belangrijke mate door de belastingplichtige worden onderhouden. De kinderen van de ongehuwde en niet-geregistreerde partner tellen echter niet mee.
Ik merk op dat de bepaling van art. 2 lid 1 SW 1956 vergelijkbaar is met die van art. 2.2 lid 2 en 3 Wet IB 2001, waarin eveneens een woonplaatsfictie is opgenomen voor ambtenaren. De fictie voor de inkomstenbelasting gaat echter uit van het ruimere begrip ‘partner’ in de zin van art. 1.2 Wet IB 2001, waardoor deze zich ook uitstrekt tot ongehuwde samenwoners. Voorts wordt in art. 2.2 lid 3 Wet IB 2001 gesproken over ‘kinderen’ als bedoeld in art. 1.4 Wet IB 2001, waaronder ook een kind van de ongehuwde en niet-geregistreerde partner lijkt te moeten worden begrepen.
Overigens is in het rapport ‘De warme, de koude en de dode hand’ van 13 maart 2000 door de Commissie Moltmaker aanbevolen om in de SW 1956 één partnerbegrip te hanteren voor zowel gehuwden, geregistreerde partners en ongehuwde samenwoners.1 Deze suggestie is destijds ook ter harte genomen door het kabinet, hetgeen leidde tot een voorstel om in art. 19a (voorstel) SW 1956 één begrip ‘partner’ te omschrijven.2 De inhoud van dit begrip leek veel op het partnerbegrip in art. 1.2 Wet IB 2001. Het omvatte ook ongehuwde samenwoners, in situaties waarin sprake is van een samenlevingsvorm die in termen van duurzaamheid en onderlinge zorgplicht naar maatschappelijke opvattingen gelijkwaardig is met het huwelijk en het geregistreerde partnerschap.3 Hierbij werd de eis gesteld dat de betrokkenen een notarieel samenlevingscontract waren aangegaan. Het nieuwe partnerbegrip moest gelden voor de fictieve legaten, tariefgroepen, samentellingsbepalingen en de vrijstellingen. Hierbij wilde men ook een vrijstelling voor het successie- en schenkingsrecht invoeren voor partners, die was gebaseerd op de ‘continuïteitsgedachte’. Met deze gedachte werd bedoeld, dat de overblijvende partner economisch beschouwd zoveel mogelijk op de oude voet moet kunnen doorleven. De ‘verzorgingsgedachte’, waarop de beperkte vrijstelling tot dusver was gebaseerd, zou worden verlaten. Op basis van het wetsvoorstel zou de vrijstelling daarom niet meer gelden voor samenwoners die niet als ‘partner’ konden worden aangemerkt. Tijdens de parlementaire behandeling bleek echter veel verzet te bestaan tegen het vervallen van de vrijstelling voor ‘tweerelaties’ en ‘meerrelaties’, waardoor samenwonende bloedverwanten en mantelzorgers niet langer zouden kwalificeren.4 Uiteindelijk is daarom niet gekozen voor één allesomvattend partnerbegrip dat geldt voor alle bepalingen in de SW 1956, maar voor de introductie van het begrip ‘notariële samenwoners’ in art. 24 lid 2 onderdeel a SW 1956. De vrijstelling voor deze samenwoners heeft een plaats gekregen naast de bestaande vrijstellingen in situaties van ‘tweerelaties’ en ‘meerrelaties’, zodat de vrijstelling van toepassing is gebleven op de bedoelde samenwonende bloedverwanten en mantelzorgers. Door in een aantal wettelijke bepalingen te verwijzen naar de ‘notariële samenwoners’ als bedoeld in art. 24 lid 2 onderdeel a SW 1956, werd de voorgestelde modernisering van het partnerbegrip alleen gerealiseerd voor zover daarvoor politieke steun bestond.5 In art. 2 lid 1 SW 1956 zijn deze ‘notariële samenwoners’ echter niet genoemd.
In art. 19 SW 1956 is voor de toepassing van de gehele wet een aantal gelijkstellingen opgenomen voor de toepassing van het successie- en schenkingsrecht. Zo wordt bijvoorbeeld aanverwantschap gelijkgesteld met bloedverwantschap. Voorts worden onder ‘kinderen’ ook pleegkinderen begrepen. In dit verband is in het besluit van de Staatssecretaris van Financiën van 8 maart 2004, nr. CPP2003/2026M, V-N 2004/ 16.25, het beleid geformuleerd ten aanzien van het begrip ‘pleegkinderen’ in de zin van art. 19 lid 1 onderdeel b SW 1956. Eén van de vereisten tot gelijkstelling met ‘eigen’ kinderen is dat het pleegkind gedurende ten minste vijf jaren als een eigen kind is onderhouden en opgevoed.
In art. 19 SW 1956 ontbreekt de gelijkstelling van een kind van de partner met een ‘eigen’ kind. Een dergelijke gelijkstelling is wel opgenomen in de definitie van het begrip ‘kind’ in art. 4 AWIR.
Door de Commissie Moltmaker is ook aanbevolen om voor gehuwden, geregistreerde partners en ongehuwde samenwoners een eenduidige regeling te treffen voor aanverwantschap in de SW 1956. Zij heeft voorgesteld dat de bloedverwanten van een partner ongeacht de samenlevingsvorm worden aangemerkt als aanverwanten van de andere partner. In feite komt dit voorstel overeen met de bepaling van art. 1.2 lid 5 Wet IB 2001. Deze vorm van fictief aanverwantschap zou moeten gelden voor gehuwden, geregistreerde partners en ongehuwde samenwoners. Voorts zou zij moeten blijven bestaan bij het einde van het partnerschap, zo stelde de commissie voor. Het kabinet heeft destijds ook dit voorstel overgenomen. In art. 19 lid 1 onderdeel e (voorstel) SW 1956 zou worden bepaald dat kinderen van de ene partner worden gelijkgesteld met kinderen die in familierechtelijke betrekking staan tot de andere partner.6 In art. 19 lid 2 (voorstel) SW 1956 zou bij de omschrijving van het begrip ‘pleegkind’ eveneens de term ‘partner’ gaan gelden. Toen uiteindelijk is afgezien van de introductie van een uniform partnerbegrip, is de voorgestelde gelijkstelling van kinderen van de partner als ‘kind’ ook niet ingevoerd.7 Hierdoor worden de kinderen van een partner op dit moment voor de toepassing van de SW 1956 niet als ‘verbonden personen’ aangemerkt, maar kinderen van een echtgenoot of geregistreerde partner wel.