Einde inhoudsopgave
De (onmiddellijke) voorzieningen van de enquêteprocedure (IVOR nr. 105) 2017/17.5.2.3
17.5.2.3 Overdracht aandelen op naam in de enquêteprocedure
F. Eikelboom, datum 01-06-2017
- Datum
01-06-2017
- Auteur
F. Eikelboom
- JCDI
JCDI:ADS363691:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zie par. 17.5.2.2.
Zie par. 17.5.2.1.
HR 28 juni 2000, NJ 2000, 556 m.nt. Maeijer, JOR 2000/151 (Hoffman Bedrijfsrecherche).
Zie art. 2:87/195 BW. Voor de invoering van de Flex-BV was dwingendrechtelijk voorgeschreven dat de BV een blokkeringsregeling had, maar dat vereiste is thans niet meer van toepassing.
Zie par. 8.6.4.2 en art. 3:300 lid 2 BW. Zie ook de noot van Bartman bij bovengenoemde Navemar-beschikking en Buijn en Storm, p. 1056.
Zie Hof Amsterdam (OK) 14 november 2006, JOR 2007/10 m.nt. Josephus Jitta (TCA).
Thans komt ter sprake hoe de wijze waarop de ondernemingskamer aandelen overdraagt1 zich verhoudt met de vereisten die daarvoor in ieder geval buiten de enquêteprocedure gelden.2
Op grond van een analogie met de Hoffman Bedrijfsrecherche-beschikking kan worden betoogd dat die vereisten niet gelden.3 In die beschikking oordeelde de Hoge Raad dat de ondernemingskamer bij het ontslaan van bestuurders niet is gebonden aan de regels uit Boek 2 BW ter zake, omdat haar bevoegdheid is gebaseerd op art. 2:355 BW jo. art. 2:356 BW en niet op art. 2:134/144 BW. Als dit wordt toegepast op overdracht van aandelen ten titel van beheer, zou deze overdracht niet worden bepaald door art. 3:84 lid 1 BW jo. art. 2:86/196 BW en de eventueel daarop van toepassing zijnde blokkeringsregeling, maar door art. 2:356 sub e BW.
Feit is echter dat de manoeuvreerruimte van de ondernemingskamer niet wordt beperkt door toepassing van het regime van art. 3:84 lid 1 BW jo. art. 2:86/196 BW en de eventueel daarop van toepassing zijnde blokkeringsregeling. Wat betreft de blokkeringsregeling geldt dat deze steeds een statutaire basis vereist.4 Door middel van tijdelijk afwijken van bepalingen van de statuten kan die ter zijde geschoven worden. Tevens wordt voldaan alle drie de vereisten voor een overdracht op de voet van art. 3:84 BW. jo. art. 2:86/196 BW, te weten (i) een levering in een notariële akte (ii) krachtens een geldige titel (iii) door een beschikkingsbevoegd persoon.
Ad (i): In de oude rechtspraak verrichtte de aandeelhouder een separate leveringshandeling. In de nieuwe rechtspraak is mijns inziens nog steeds sprake van een levering. De beschikking waarin de (onmiddellijke) voorziening is getroffen, kwalificeert als zodanig. Er kan verschillend gedacht worden over de vraag wie die overdracht verricht. Gedacht kan worden dat de ondernemingskamer deze levering verricht, maar ook dat de getroffen aandeelhouder dat doet. Er is dan sprake van een impliciet bevel aan de getroffen aandeelhouder om de aandelen ten titel van beheer over te dragen, welk bevel door middel van reële executie ten uitvoer wordt gelegd. In dat geval treedt de beschikking in de plaats van de wilsverklaring die de overdragende partij bij de levering had afgelegd in een notariële akte.5 De ondernemingskamer stelt zich daarbij blijkens de TCA-beschikking op het standpunt dat betekening niet nodig is voor de tenuitvoerlegging, maar dat sprake is van onmiddellijke werking.6
Ad (ii): de titel van de levering volgt uit de naam van de desbetreffende (onmiddellijke) voorziening en de wet.
Ad (iii): de beschikkingsbevoegdheid volgde in de oude rechtspraak uit het feit dat de aandeelhouder deze aandelen moest overdragen. In de nieuwe rechtspraak is dat nog steeds het geval, of volgt de beschikkingsbevoegdheid uit art. 2:356 sub 2 BW (jo. art. 2:349a lid 2 BW) waarin is bepaald dat de ondernemingskamer bevoegd is om aandelen over te dragen ten titel van beheer.