Einde inhoudsopgave
Een juridisch onderzoek naar de representativiteit van vakbonden in het arbeidsvoorwaardenoverleg (MSR nr. 74) 2019/7.2.4
7.2.4 Rechtsgevolgen
Mr. N. Jansen, datum 01-11-2018
- Datum
01-11-2018
- Auteur
Mr. N. Jansen
- JCDI
JCDI:ADS395892:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Arbeidsovereenkomstenrecht
Arbeidsrecht / Collectief arbeidsrecht
Voetnoten
Voetnoten
Kamerstukken II 1936/37, 274, 3, p. 5: “de verbindendverklaring (geldt) niet alleen voor hen, die niet door de collectieve arbeidsovereenkomst gebonden zijn, maar ook voor hen, die zulks wel zijn. Dit is noodig, omdat de rechtstoestand van alle bedrijfsgenooten na de verbindendverklaring dezelfde behoort te zijn. Liet men de door het collectief contract gebondenen buiten de verbindendverklaring vallen, dan zouden zij door wijziging of ontbinding der collectieve arbeidsovereenkomst in een andere positie komen dan de niet door die overeenkomst gebonden werkgevers en arbeiders. Ook ten aanzien van de rechtsvorderingen, die van de verbindendverklaring het gevolg kunnen zijn, behoort gelijkheid te bestaan tusschen beide categorieën van werkgevers en arbeiders.”
W.J.P.M. Fase, c.a.o.-recht, Alphen aan den Rijn: Samsom uitgeverij 1982, p. 95.
Artikel 3 lid 1 Wet Avv.
Artikel 3 lid 3 Wet Avv.
De inbreuk op de collectieve contractsvrijheid komt in paragraaf 7.3 aan de orde.
S. Mok, Het algemeen verbindend en het onverbindend verklaren van bepalingen van collectieve arbeidsovereenkomsten (diss. Amsterdam UvA), Haarlem: D. Tjeenk Willink & Zoon NV 1939, p. 41; W.J.P.M. Fase, c.a.o.-recht, Alphen aan den Rijn: Samsom uitgeverij 1982, p. 96; HR 16 maart 1962, NJ 1963/22 (Een verbindend verklaarde cao-bepaling is een tot ieder gerichte algemene regeling gegeven door het daartoe bevoegde gezag en derhalve […] een ‘wet’ in de zin van art 99 R.O).
HR 18 januari 1980, NJ 1980/348 (Hop/Hom).
HR 18 januari 1980, NJ 1980/348 (Hop/Hom). Volgens Stege brengt de nietigheid van art. 3 Wet Avv mee dat alle bedingen die op het moment van de verbindendverklaring bestonden en die strijden met algemeen verbindend verklaarde cao-bepalingen, van rechtswege ophouden te bestaan. Wat eenmaal nietig is, kan niet meer terugkomen. Zie: A. Stege, De cao en het regelingsbereik van de sociale partners (diss. VU), Deventer: Kluwer 2004, p. 287 e.v. Beltzer heeft daartegenover gesteld dat de nietigheid van art. 3 Wet Avv ziet op rechtshandelingen die strijden met de verbindend verklaarde cao-bepalingen, dat wil zeggen: het overeenkomen van strijdige bedingen of het uitvoering geven aan bestaande afspraken die strijden met de verbindend verklaarde cao-bepalingen. Deze bestaande bedingen zijn gedurende de periode van de verbindendverklaring ongeldig. Algemeenverbindendverklaring is altijd bedoeld als tijdelijke maatregel; het past volgens Beltzer dan niet de partijafspraak elk bestaansrecht te ontzeggen nadat de periode van verbindendverklaring ten einde is gekomen. Zie R.M. Beltzer, ‘De wenselijkheid van nawerking van algemeen verbindend verklaarde cao-bepalingen in het licht van het juridische systeem’, ARBAC 2010.
HR 2 april 1993, NJ 1993/612 (Bongers/KSB). Zie anders: Ktr. Lelystad 14 maart 2018, ECLI:NL:RBMNE:2018:1017.
HR 28 januari 1994, NJ 1994/420 (Beenen/Vanduho). Zie ook: HR 7 juni 2002, JAR 2002/154 (Luitjens/JB Groothandel in Vlees).
Tegenstanders van nawerking zijn W.J.P.M. Fase, c.a.o.-recht, Alphen aan den Rijn: Samsom uitgeverij 1982, p. 122 en 123; P.W. Kamphuisen, De collectieve en de individuele arbeidsovereenkomst, Leiden: Universitaire pers Leiden 1956, p. 61 en R.M. Beltzer, ‘De wenselijkheid van nawerking van algemeen verbindend verklaarde cao-bepalingen in het licht van het juridische systeem’, ARBAC 2010. Verhulp pleit juist voor nawerking: E. Verhulp, ‘Nawerking: het volle pond graag!’, ArbeidsRecht 2002/52.
Door het verbindend verklaren van cao-bepalingen worden werkgevers en werknemers die buiten de cao zijn gebleven alsnog aan cao-bepalingen gebonden. De verbindendverklaring heeft dus met name1 betekenis voor werkgevers die geen partij zijn bij een cao noch lid zijn van een werkgeversorganisatie die een cao is aangegaan, alsmede voor gebonden werknemers in dienst van ongebonden werkgevers en ongebonden werknemers.2 De verbindendverklaring heeft tot gevolg dat elk beding tussen werkgever en werknemer dat strijdig is met de verbindend verklaarde cao-bepalingen nietig is en vervangen wordt door de desbetreffende verbindend verklaarde cao-bepaling.3 Bij gebreke van een beding in de arbeidsovereenkomst over een onderwerp dat een verbindend verklaarde cao-bepaling wel regelt, geldt dat de arbeidsovereenkomst wordt aangevuld door deze verbindend verklaarde cao-bepaling.4 De rechtsgevolgen van de verbindendverklaring treden van rechtswege in. Het moge duidelijk zijn dat de verbindendverklaring daarmee de individuele contractsvrijheid beperkt.5 De mate waarin de contractsvrijheid wordt beperkt, hangt overigens af van het karakter van de verbindend verklaarde cao-bepaling. Wanneer deze bepaling een standaardkarakter heeft, wordt door de verbindendverklaring de contractsvrijheid meer beperkt dan wanneer de cao-bepaling een minimumkarakter heeft. In het laatste geval behouden werkgever en werknemer immers de vrijheid voor de werknemer ten gunste van de verbindend verklaarde cao-bepaling af te wijken. Hoewel de rechtsgevolgen van de verbindendverklaring in sterke mate overeenkomen met de in artikel 12 en 13 Wet Cao geregelde rechtsgevolgen (zie meer hierover in hoofdstuk 4), zijn er ook belangrijke verschillen. Deze verschillen houden verband met het karakter van de verbindendverklaring. De verbindendverklaring geschiedt door de minister en is, anders dan een cao, een daad van materiële wetgeving.6 Dat de inhoud van de verbindendverklaring niet door de minister zelf, maar door cao-partijen wordt bepaald, doet daaraan niet af. De minister heeft geen vrijheid ten aanzien van de inhoud van de verbindendverklaring.
Na afloop van de verbindendverklaring werken de verbindend verklaarde cao-bepalingen, anders dan gewone cao-bepalingen, in beginsel niet na. Dit is door de Hoge Raad bepaald in het Hop/Hom-arrest.7 Verbindend verklaarde cao-bepalingen worden geen onderdeel van de individuele arbeidsovereenkomst, maar liggen gedurende de looptijd van de verbindendverklaring net als een gewone wettelijke regeling, als een deken over de arbeidsovereenkomst. Wat de wederzijde rechten en verplichtingen van werkgever en werknemer zijn na afloop van de werking van de verbindendverklaring, hangt af van wat zij waren overeengekomen of alsnog overeenkomen.8 In het verlengde hiervan overwoog de Hoge Raad in het arrest Bongers/KSB dat wat tussen werkgever en werknemer heeft te gelden tijdens tussenperiodes van elkaar opvolgende perioden van verbindendverklaring een kwestie van uitleg is. Bij die uitleg is van belang wat partijen over en weer uit elkaars gedragingen en verklaringen redelijkerwijs mochten afleiden.9 Een nuancering op het Hop/Hom-arrest volgde in het arrest Beenen/Vanduho waarin de Hoge Raad oordeelde dat wanneer een werknemer op het tijdstip waarop hij arbeidsongeschikt is geworden, krachtens algemeen verbindend verklaarde bepalingen van een cao tegenover de werkgever recht kan doen gelden op doorbetaling van salaris, het aldus verkregen recht niet aangetast wordt doordat in de loop van dat tijdvak de cao-bepalingen ophouden algemeen verbindend te zijn.10 Stein heeft in zijn noot onder het Beenen/Vanduho-arrest terecht opgemerkt dat het niet eenvoudig is vast te stellen wat onder een verkregen recht moet worden beschouwd. In de literatuur wordt verschillend gedacht over de wenselijkheid van nawerking van verbindend verklaarde cao-bepalingen.11 Hoewel de discussie interessant is, behandel ik die in dit onderzoek niet verder omdat het voor dit onderzoek minder relevant is.