Einde inhoudsopgave
Platformisering, algoritmisering en sociale bescherming (MSR nr. 78) 2021/6.2.1
6.2.1 De overeenkomst van opdracht (en lastgeving)
Eric Tjong Tjin Tai & Jaap van Slooten, datum 01-05-2021
- Datum
01-05-2021
- Auteur
Eric Tjong Tjin Tai & Jaap van Slooten1
- JCDI
JCDI:ADS288406:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Algemeen
Sociale zekerheid algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Jaap van Slooten is als advocaat betrokken bij sommige in dit artikel genoemde platforms en heeft zich om die reden afzijdig gehouden van de passages die op die platforms betrekking hebben.
Zoals afwikkeling van de betaling en het verlenen van ICT-diensten.
In zo’n geval kan het zijn dat niet duidelijk is aan te geven wie opdrachtgever is.
Asser/Tjong Tjin Tai 7-IV 2018/46 en 48. Ingevolge art. 7:413 BW zijn de daar genoemde regels ten aanzien van consumenten van dwingend recht, waaruit a contrario volgt dat de regeling voor niet-consumenten van regelend recht is. Zie ook art. 7:400 lid 2 BW.
Zie ook Schaub 2020/53.
Zie uitvoerig Asser/Tjong Tjin Tai 7-IV 2018/93-101.
Art. 7:405 lid 2 BW, waarover Asser/Tjong Tjin Tai 7-IV 2018/132-136; HR 19 december 2008, ECLI:NL:2008:BG1680, NJ 2011/4.
Asser/Tjong Tjin Tai 7-IV 2018/136. Een dergelijke regeling is in Duitsland verboden. Ten aanzien van consumenten gelden art. 6:236 sub i BW, dat een beding tot eenzijdige prijsverhoging binnen drie maanden na contractsluiting (zonder mogelijkheid tot opzegging) onredelijk bezwarend verklaart, en art. 6:193e sub c BW dat de prijs als essentiële informatie beschouwt (waarbij ten minste moet worden aangegeven hoe de prijs zal worden berekend): als de prijs ontbreekt, kan dat een misleidende handelspraktijk opleveren.
Voorbeelden zijn Uber, Booking.com. Volgens normale economische wetmatigheden zou een hoger volume aan transacties en groter aantal werkenden juist tot een lagere courtage moeten leiden.
Die staat onder toezicht van De Nederlandse Bank (https://www.dnb.nl/toezichtprofessioneel/openbaar-register/WFTEG/detail.jsp?id=17b30083b059e8118111005056b66a9b).
Buiten beschouwing blijft hier de relatie tot de afnemer.
Eerst gaan wij in op de overeenkomst van opdracht: deze strekt uit tot het verrichten van werkzaamheden (art. 7:400 BW). Het platform zal meestal verplicht zijn tot het verrichten van werkzaamheden, zodat het zal gaan om een opdracht (of een bijzondere soort opdracht, zoals bemiddeling). Daarnaast is bij platforms vaak onderdeel van de overeenkomst dat het platform voor bepaalde rechtshandelingen gevolmachtigd is om in naam van de platformwerker te handelen. Zo’n volmacht schept een relatie van lastgeving (art. 7:414 BW), dat wil zeggen de bevoegdheid en verplichting om voor rekening van de lastgever/opdrachtgever bepaalde rechtshandelingen te verrichten, als onderdeel van de overeenkomst, en op dat deel van de relatie zijn dan in beginsel de regels van lastgeving (een species van de opdracht) van toepassing.2
Het is niet duidelijk wie bij platforms als opdrachtgever of opdrachtnemer moet worden aangemerkt. Enerzijds kan de relatie worden beschouwd als een vorm van bemiddeling waarbij de platformwerker het platform vraagt om te bemiddelen en bijkomende diensten te verlenen voor de uitvoering van de overeenkomst:3 dit past bij type b. Anderzijds kan de relatie worden opgevat als een relatie waarbij de afnemer het platform vraagt om diensten te verlenen, welk verzoek wordt doorgespeeld aan een platformwerker die de dienst uitvoert. Heeft het platform dan bemiddeld voor de afnemer (type b), of levert het platform zelf de dienst door een platformwerker in te schakelen (type c)? Doordat de voorwaarden veelal spreken over courtage die het platform inhoudt, lijkt het te gaan om type b, maar als de materiële verhouding neerkomt op type c zal de rechter zo nodig moeten beslissen dat het gaat om type c, waarbij het platform het gehele loon van de afnemer int, en de platformwerker een deel daarvan betaalt als loon, en het surplus zelf behoudt (onder het mom van courtage). In een dergelijk geval kan de platformwerker mogelijk als opdrachtnemer van het platform worden gekwalificeerd.
De overeenkomst van opdracht vereist niet de aanwezigheid van machtsongelijkheid: veel regels lijken gericht op een particuliere opdrachtgever tegenover een professioneel opdrachtnemer, maar het kan ook gaan om twee bedrijven, waarbij bovendien over en weer prestaties worden verlangd.4 Het aardige van de regeling van opdracht is dat zowel opdrachtgever als opdrachtnemer recht op bescherming hebben. De regeling heeft ook betrekking op gevallen waar de opdrachtnemer meer kennis en macht heeft.
De overeenkomst van opdracht kent specifieke regels, echter deze zijn ten aanzien van bedrijfsmatig handelende wederpartijen voornamelijk van aanvullend recht.5 Een platformwerker is niet als consument te beschouwen (de particuliere afnemer daarentegen wel). Ter vergelijking is het niettemin zinvol deze specifieke regels te behandelen, omdat zij ten dele regels betreffen die voor consumenten dwingendrechtelijk bescherming verlenen, gelet op de machtsverhouding tot commerciële wederpartijen. De volgende regels uit de opdracht zijn mogelijk relevant.6
a. De opdrachtnemer heeft een zorgplicht (art. 7:401 BW) voor de belangen van de opdrachtgever, maar deze moet worden uitgewerkt voor specifieke vormen van opdracht.7 Dit doet denken aan de zorgplicht van de werkgever (art. 7:611 BW), die overigens verder strekt dan bij de opdracht. Wat dit voor platforms betekent, is onbekend (zie ook par. 6.2.4).
b. Het recht op loon/courtage. Dit is van toepassing jegens de platformwerker als het platform als opdrachtnemer van de platformwerker moet worden beschouwd. Art. 7:405 lid 1 BW geeft aan dat de contractuele regeling geldt, of (als er geen regeling is) het gebruikelijke loon, of anders het (door de rechter te bepalen) redelijk loon.8 In het verleden bestond er een regel dat de opdrachtnemer (dat lijkt hier het platform te zijn) zelf (eenzijdig) het loon kon bepalen als zo’n bevoegdheid in de overeenkomst was opgenomen, maar zo’n regel lijkt niet langer geldig te zijn.9 De praktijk bij platforms is echter dat het platform ononderhandelbaar vaststelt welke provisie of courtage het wenst. Dit is niet letterlijk in strijd met de wet; immers dit wordt duidelijk medegedeeld voor het aangaan van de overeenkomst. Ook het gegeven dat platforms het percentage later aanpassen is hier niet zonder meer mee in strijd, aangezien het de platformwerker vrijstaat ieder moment op te zeggen en de nieuwe courtageregeling alleen voor de toekomst zal gelden. Alleen bij machtsmisbruik kan op grond van mededingingsrecht aanpassing volgen. In de media zijn er regelmatig klachten van werkenden of andere partijen die na verloop van tijd bezwaren hebben over de hoogte van de courtage.10
Overigens is het bij platforms niet altijd duidelijk wie de courtage betaalt. Het betalingsverkeer loopt via het platform, dat een percentage van de door de afnemer betaalde som inhoudt en het restant uitkeert aan de werkende. Uit die feitelijke gang van zaken kan niet worden afgeleid wie courtage is verschuldigd, en of het wel gaat om courtage. Wel kan dit uit interpretatie van de voorwaarden volgen. In de praktijk werken platforms ook met een factoringmaatschappij die de betalingen regelt in lijn met de diverse contractuele relaties. Dit kan binnen het concern plaatsvinden (zoals bij Uber Payments BV)11 of extern, via een bedrijf als Adyen.
c. Regels voor onkosten (die ex art. 7:406 lid 1 BW geacht worden in het loon te zijn inbegrepen), en een regeling in art. 7:411 BW voor loon na opzegging. Deze regels leveren meestal geen problemen op bij platforms.
d. Aansprakelijkheid jegens de platformwerker.12 Art. 7:406 lid 2 BW bepaalt:
“De opdrachtgever moet de opdrachtnemer de schade vergoeden die deze lijdt ten gevolge van de hem niet toe te rekenen verwezenlijking van een aan de opdracht verbonden bijzonder gevaar. Heeft de opdrachtnemer in de uitoefening van zijn beroep of bedrijf gehandeld, dan geldt de vorige zin slechts, indien dat gevaar de risico’s welke de uitoefening van dat beroep of bedrijf naar zijn aard meebrengt, te buiten gaat. Geschiedt de uitvoering van de opdracht anderszins tegen loon, dan is de eerste zin slechts van toepassing, indien bij de vaststelling van het loon met het gevaar geen rekening is gehouden.”
Achtergrond van deze bepaling is dat degene die verantwoordelijk is voor veiligheidsmaatregelen ook het risico moet dragen.13 Het is onduidelijk of voor de toepassing van deze bepaling het platform als opdrachtgever zou kunnen worden aangemerkt. Het valt te verdedigen dat beide partijen (platform en werkende) voor hun respectieve verplichtingen als opdrachtnemer moeten worden aangemerkt. Voor de dienst die de platformwerker uiteindelijk verleent jegens de afnemer ligt het eerder voor de hand om de afnemer als opdrachtgever aan te merken; de platformwerker is dan juist degene die in beroep of bedrijf handelt en dan dus de eigen schade zou moeten dragen.
e. Verder kent de opdracht een instructiebevoegdheid van de opdrachtgever (art. 7:402 lid 1 BW), waartegenover de opdrachtnemer (afhankelijk van de overeenkomst) sommige instructies kan weigeren als die het bestek van de opdracht te buiten gaan, of als bijvoorbeeld het algemeen belang of de gedragsregels van het beroep zich hiertegen verzetten.14 Hiervoor is opnieuw van belang hoe de verhoudingen liggen. Bij een dienst die eenvormig, collectief aan een grote groep personen wordt geleverd ligt het niet voor de hand dat individuele opdrachtgevers veel instructies kunnen geven.15 Ook als de platformwerker als opdrachtgever moet worden aangemerkt heeft deze in feite nauwelijks een instructierecht: omdat de opdrachtnemer/het platform alleen op de eigen voorwaarden wil contracteren, is de facto de instructiebevoegdheid omgekeerd. Slotsom is dat platformwerkers in feite geen instructiebevoegdheid hebben.
f. De regel inzake rekening en verantwoording (art. 7:403 lid 2 BW) is theoretisch van belang. De rekenplicht houdt in dat een opdrachtnemer die gelden voor de opdrachtnemer ontvangt of bewaart, gehouden is om hier rekening en verantwoording over af te leggen.16 De bedoeling is dat de opdrachtgever kan controleren of de opdrachtnemer geen gelden heeft achtergehouden of onjuist heeft besteed. Het platform int de betaling van de afnemer en heeft dus gelden van de platformwerker onder zich. Echter omdat platforms normaal gesproken de vergoeding van de platformwerker direct doorbetalen is duidelijk dat het platform hier niet onjuist mee omgaat, waardoor er praktisch gezien geen noodzaak is voor afleggen van rekening en verantwoording.
g. De specifieke opzeggingsregels (art. 7:408-410 BW) lijken niet relevant. In de praktijk kunnen werkenden opzeggen wanneer zij willen, en kent het platform zichzelf een ruime discretionaire opzeggingsbevoegdheid toe. Dit strookt met art. 7:408 BW.
Van de regels inzake lastgeving zouden twee groepen regels van belang kunnen zijn.
h. Het verbod op belangentegenstellingen (art. 7:416-418 BW), in het bijzonder op het dienen van twee heren (art. 7:417 BW). Op zichzelf lijkt een platform, dat afnemers en werkenden bij elkaar brengt, in het belang van beiden te willen handelen en in zoverre in strijd te komen met het verbod op het dienen van twee heren. Dit zou onder meer kunnen leiden tot een verlies van recht op courtage (art. 7:417 lid 3 BW). Echter in het geval van platforms lijkt dit niet op zijn plaats. Het bij elkaar brengen van afnemer en platformwerker geschiedt immers automatisch, zonder concrete invloed van afnemer of platformwerker op de rechtshandeling en de voorwaarden daarvan. Dit lijkt te vallen onder de uitzondering van art. 7:417 lid 1 BW dat twee heren dienen is toegestaan, als de rechtshandeling zo nauwkeurig vaststaat dat strijd tussen de belangen van beide lastgevers is uitgesloten.
i. Regels inzake opzegging (art. 7:422-423 BW). Hiervoor geldt wat hierboven is opgemerkt: voor platforms leiden deze specifieke opzeggingsgronden kennelijk niet tot problemen.
De typische beschermingsregels van de opdracht en lastgeving lijken weinig betekenis te hebben bij platforms: de problemen waar die regels voor bedoeld zijn, doen zich in feite nauwelijks voor (zoals nalatigheid loon te betalen).