Einde inhoudsopgave
Bestuurdersaansprakelijkheid uit onrechtmatige daad (R&P nr. InsR11) 2019/3.3.3
3.3.3 Het Drijfmest-arrest en de daderschapscriteria
mr. A. Karapetian, datum 01-01-2019
- Datum
01-01-2019
- Auteur
mr. A. Karapetian
- JCDI
JCDI:ADS346090:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Materieel strafrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie Gritter 2007b, p. 47 en 59, die deze overwegingen van de Hoge Raad ook als zodanig duidt en dit bovendien toejuicht. Voorts Gritter 2004, p. 34-35. De Valk spreekt in dit verband van een multi-factor benadering, De Valk 2009, p. 306-307.
Hierover meer in paragraaf 2.3.2.1 onder ‘opzet en schuld van de rechtspersoon’.
Knigge 1992, p. 128-154.
Knigge 1992, p. 130. ‘(…) De redelijkheid van de toerekening moet bij de interpretatie van feiten en recht steeds richtsnoer zijn. Dat wil zeggen dat het gedrag dat onder de delictsomschrijving wordt gebracht, moet kunnen dienen als basis voor strafrechtelijke toerekening. Dat gedrag moet zodanig zijn, dat daarop in redelijkheid een strafrechtelijk verwijt kan worden gebaseerd’.
De Hullu 2003, p. 29.
Gritter 2007b, p. 59.
Er zijn echter ook kanttekeningen geplaatst bij die omstandigheden. De Hullu vindt het onduidelijk dat de Hoge Raad zich niet heeft uitgesproken over de onderlinge rangorde tussen de genoemde omstandigheden. Hij werpt de vraag op of onderlinge overeenstemming bestaat en of de omstandigheden elementen bevatten die op gespannen voet met elkaar staan. Hij doelt daarbij met name op de verhouding tussen de meer objectieve omstandigheden (de werkzaamheid en de dienstigheid) en de meer subjectieve (normale bedrijfsvoering en het aanvaardingscrititerium uit de IJzerdraad-criteria). De Hullu 2005, p. 285 en in iets andere bewoordingen De Hullu 2012, p. 168. Gritter heeft hiertegen ingebracht dat een vooraf bepaalde rangorde juist afbreuk zou doen aan de gedifferentieerde en open benadering waarvoor de Hoge Raad heeft gekozen. Het is volgens hem aan de rechter om in een concreet geval een gradatie aan te brengen, waarbij de vraag of de rechtspersoon dader is moet voortvloeien uit een afweging van alle relevante rechtsfeiten en argumenten. Gritter 2007b, p. 61.
De Hullu 2018, p. 175. Zie ook Hornman 2010, p. 14 die de toegevoegde waarde van deze criteria vooral hierin ziet dat het niet voldoen hieraan een indicatie vormt voor het oordeel dat er geen sprake is van een gedraging in de sfeer van de rechtspersoon. Anders: Gritter 2007b, p. 49-51, die een te snelle aansprakelijkheid evenwel wil corrigeren met de zorgvuldigheidsnorm uit de IJzerdraad-criteria.
Zie Hornman 2016, p. 47 die deze terughoudendheid onderbouwt door erop te wijzen dat deze criteria niet verhinderen dat gedragingen die niet of nauwelijks verband houden met de bedrijfsactiviteiten van de rechtspersoon toch aan hem worden toegerekend.
Dit leid ik af uit het feit dat de rechter bij de beoordeling van het daderschap doorgaans niet volstaat met de constatering dat de handelende persoon werkzaam was voor de rechtspersoon, maar dikwijls alle omstandigheden nagaat. Zie voor een greep uit de gepubliceerde rechtspraak en bijbehorende analyse: Hornman 2010.
Annotatie A.C. ’t Hart in zijn noot onder het arrest Furazolidon, De Hullu 2018, p. 175; De Valk 2009, p. 310. De Hullu spreekt van het in feite toerekenen van een gevolg, een gebeurtenis aan de rechtspersoon.
Gritter 2007b, p. 52.
HR 29 maart 2005, ECLI:NL:HR:2005:AR7619, JIN 2005/241 m.nt. M. Kessler (Mazen in het net).
Van Elst 2006, p. 429; Hornman 2010, p. 386-387; Kessler 2007, p. 207; Sikkema 2010.p. 18; Van Strien 2006, p. 239. Annotator Kessler heeft hier overigens wel de kanttekening bij geplaatst dat de vennootschap medeplegen was ten laste gelegd en dat de overwegingen van de Hoge Raad ook tegen de achtergrond van de voorwaarden voor medeplegen – bewust en nauw samenwerken – kunnen worden begrepen. De Hoge Raad betrekt zijn overwegingen inderdaad op de vraag of het feit aan de verdachte als medepleger van de overtreding kan worden toegerekend. Dat er sprake is van medeplegen neemt echter niet weg dat de verdachte die terecht staat een rechtspersoon is en dat bij het vaststellen van medeplegen door een rechtspersoon nagenoeg dezelfde vragen rijzen als bij het vaststellen van het plegen door een rechtspersoon. Wellicht dat bij medeplegen het daderschap van de rechtspersoon een ietwat andere dimensie krijgt doordat de delictsbestanddelen over de medeplegers kunnen worden verdeeld. De gedraging van de een kan dan toegerekend worden aan de ander, maar in dat geval gaat het om een andere vorm van toerekening. Zie nader over medeplegen paragraaf 2.4.1.
De Hullu 2018, p. 175, die overigens toevoegt dat het bewijzen daarvan niet gemakkelijk zal zijn. Vgl. Knigge 1997, p. 19, die met betrekking tot feiten die uit het ‘heersende bedrijfsklimaat’ voortvloeien ook wijst op moeilijkheden rondom de bewijslast. Hornman is van oordeel is dat indien het plaatsvinden van strafbare feiten een zekere periode heeft voortgeduurd en leidinggevenden daar actief bij betrokken zijn geweest, het bewijs van een organisatiecultuur waarin strafbare feiten worden begaan en geduld, weinig problemen moet opleveren. Hornman 2010.
HR 27 januari 1948, NJ 1948/197 (V&D).
Roef 2001, p. 337-338; De Hullu 2018, p. 175.
Gritter 2007b, p. 56; Kessler 2007, p. 107, Van Strien 2006, p. 241-243.
Aan de verdachte rechtspersoon werd verweten in strijd met art. 5 lid 1 Besluit gebruik dierlijke meststoffen 1998 dierlijke meststoffen te hebben gebruikt op een perceel grond. Om tot strafbaarheid te kunnen concluderen, diende te worden vastgesteld dat de (verdachte) rechtspersoon de delictsgedraging – het gebruik van dierlijke meststoffen – had verricht. Waar de Hoge Raad zich in vergelijkbare zaken had beperkt tot sterk casuïstische overwegingen, onderscheidde deze uitspraak zich door de algemene richtlijnen die voor de vaststelling van het daderschap van rechtspersonen werden verschaft. Hieronder volgt een bespreking daarvan.
Allereerst wordt met een verwijzing naar de memorie van toelichting bij de totstandkoming van art. 51 Sr de grondslag van het daderschap weergegeven. Die grondslag dient volgens de Hoge Raad gevonden te worden in de redelijke toerekening van de relevante gedraging aan de rechtspersoon; hierdoor kan de rechtspersoon aangemerkt worden als dader van het strafbare feit. Op de vraag wanneer een (verboden) gedraging redelijkerwijs aan de rechtspersoon kan worden toegerekend, antwoordt de Hoge Raad dat dit afhankelijk is van de ‘concrete omstandigheden van het geval waartoe mede behoort de aard van de verboden gedraging’. Hieruit vloeit volgens ons hoogste rechtscollege voort dat bezwaarlijk een algemene regel kan worden geformuleerd. Wel is een belangrijk oriëntatiepunt bij de redelijke toerekening of ‘de gedraging heeft plaatsgevonden of is verricht in de sfeer van de rechtspersoon’. Een dergelijke gedraging kan volgens de Hoge Raad in beginsel worden toegerekend aan de rechtspersoon. Uit deze overwegingen blijkt dat de Hoge Raad geen statische benadering van het daderschap voorstaat.1 Er wordt ruimte gelaten voor de omstandigheden van het geval en andere oriëntatiepunten dan de ‘sfeer van de rechtspersoon’ voor de redelijke toerekening. Niettemin noemt de Hoge Raad, voortbordurend op en ter invulling van het sfeercriterium, enkele concrete omstandigheden die kunnen leiden tot de conclusie dat de gedraging in de sfeer van de rechtspersoon heeft plaatsgevonden en zich dus leent voor een redelijke toerekening aan de rechtspersoon. Een toerekening kan volgens het rechtscollege aangewezen zijn, indien:
‘het gaat om een handelen of nalaten van iemand die hetzij uit hoofde van een dienstbetrekking hetzij uit anderen hoofde werkzaam is ten behoeve van de rechtspersoon;
de gedraging past in de normale bedrijfsvoering van de rechtspersoon;
de gedraging () de rechtspersoon (dienstig) is geweest;
de rechtspersoon vermocht erover te beschikken of de gedraging al dan niet zou plaatsvinden en zodanig of vergelijkbaar gedrag () blijkens de feitelijke gang van zaken door de rechtspersoon (werd) aanvaard of placht te worden aanvaard. Onder bedoeld aanvaarden is mede begrepen het niet betrachten van de zorg die in redelijkheid van de rechtspersoon kon worden gevergd met het oog op de voorkoming van de gedraging. Daarbij verdient opmerking dat laatstbedoelde criteria – die zijn ontwikkeld in HR 23 februari 1954, NJ 1954, 378 en die naar het geval dat in die zaak aan de orde was, plegen te worden aangeduid als ‘ijzerdraadcriteria’ – weliswaar zijn ontwikkeld met het oog op het functionele daderschap van een natuurlijke persoon voor een gedraging van een andere natuurlijke persoon (dus met het oog op de strafrechtelijke aansprakelijkheid van een natuurlijke persoon voor een gedraging van een andere natuurlijke persoon), maar dat zij in voorkomende gevallen tevens kunnen fungeren als maatstaven voor de toerekening van een gedraging van een natuurlijke persoon aan een rechtspersoon’.
Tot slot merkt de Hoge Raad op dat deze omstandigheden van belang zijn voor de vaststelling van het daderschap van de rechtspersoon en dus bij de vraag of de rechtspersoon kan worden aangemerkt als dader van de hem tenlastegelegde gedraging. De vraag of de rechtspersoon als dader opzet of schuld heeft bij een ten laste gelegd misdrijf dient volgens de Hoge Raad een hiervan losstaande beoordeling te krijgen.2
De omstandigheden
De omstandigheden die de Hoge Raad noemt, zijn niet nieuw. Het betreft alle omstandigheden die direct of indirect in eerdere rechtspraak aan de orde zijn gekomen in het kader van de vaststelling van het daderschap van rechtspersonen. Ook de redelijke toerekening als grondslag van daderschap ligt in de lijn van opvattingen die in de literatuur reeds werden verdedigd. Zo had Knigge bij de toepassing van het door hem voorgestelde maatschappelijk verkeerscriterium3 de redelijkheid van de strafrechtelijke toerekening centraal gesteld.4 Ook De Hullu heeft de nadruk op de redelijke toerekening gelegd. Reeds voor het Drijfmest-arrest benadrukte hij de grote verscheidenheid aan gevallen waarin het daderschap van de rechtspersoon aan de orde kan zijn en noemde hij de ‘redelijke toerekening’ voorzichtig ‘de gemene deler van alle constructies’.5 De gedifferentieerde benadering van de Hoge Raad kan dan ook op steun van het gros van de auteurs rekenen. Benadrukt wordt steeds dat de werkelijkheid van gevallen waarin het daderschap van rechtspersonen zich voordoet en het aantal delictsomschrijvingen te rijk geschakeerd is om één dwingend criterium te hanteren dat onafhankelijk daarvan kan functioneren.6 De maatstaf van de redelijke toerekening wordt gezien als een (werkbaar) overkoepelend concept aan de hand waarvan per geval bekeken dient te worden of daderschap kan worden aangenomen. Daarbij kunnen de verschillende omstandigheden die de Hoge Raad noemt als handvat dienen.7
Als eerste omstandigheid noemt de Hoge Raad het geval van een gedraging die verricht is door iemand die werkzaam is ten behoeve van de rechtspersoon.
Deze omstandigheid vertoont overeenkomsten met art. 15 lid 2 WED (oud). Hierin stond dat een rechtspersoon een economisch delict beging (onder meer) indien het delict begaan werd door ‘personen die hetzij uit hoofde van een dienstbetrekking hetzij uit anderen hoofde handelden in de sfeer van de rechtspersoon’. De Hoge Raad bepaalde in 1951 in het ATO-arrest reeds dat voor de vaststelling van daderschap op grond van deze bepaling niet vereist is dat de handeling is verricht door een orgaan van de rechtspersoon.8 Gedragingen die door een werknemer, niet-leidinggevende, worden verricht, kunnen volgens de bovenstaande overwegingen van de Hoge Raad er dus toe leiden dat de rechtspersoon als dader wordt aangemerkt. Daarbij geldt blijkens de woorden ‘uit anderen hoofde werkzaam’ dat niet vereist is dat een dienstbetrekking bestaat tussen de handelende persoon en de rechtspersoon. Ook gedragingen van personen die op grond van een overeenkomst van opdracht werkzaamheden uitvoeren voor de rechtspersoon, kunnen diens daderschap funderen. Hoewel uit opvattingen in de literatuur blijkt dat handelen van een orgaan dan wel een leidinggevende functionaris doorgaans het daderschap van de rechtspersoon kan staven, bestaat er wel enige terughoudendheid bij het funderen van daderschap op louter deze omstandigheid. De Hullu spreekt in dit verband van zwakkere en minder veelzeggende omstandigheden, waarbij hij ook op het nog te bespreken dienstigheidscriterium doelt.9 Die omstandigheden zijn volgens hem relevant, maar niet voldoende voor de redelijke toerekening.10 In de lagere rechtspraak lijkt de enkele omstandigheid dat gehandeld is door een ten behoeve van de rechtspersoon werkzaam persoon ook niet voldoende te worden bevonden voor daderschap.11 De tweede omstandigheid in de opsomming van de Hoge Raad betreft de vraag of de gedraging in de normale bedrijfsvoering van de rechtspersoon past. Deze omstandigheid kan worden teruggevoerd op het zogenaamde Furazolidon-arrest uit 1993.12 Hierin had de Hoge Raad bepaald dat het ‘lozen van de schadelijke vloeistof Furazolidon in oppervlaktewateren’ kon worden toegerekend aan de rechtspersoon omdat de betreffende vloeistof uit normale productieprocessen in het bedrijf ontstond en in het kader van de normale bedrijfsvoering in de nabijgelegen sloot werd geloosd. Hoewel de vaststelling van het daderschap hier in de sleutel van de toerekening wordt geplaatst, wordt de passendheid in de normale bedrijfsvoering gezien als een omstandigheid die het daderschap rechtstreeks kan schragen. De Hoge Raad abstraheert in de desbetreffende zaak namelijk van de concreet handelende natuurlijke persoon.13 Bij de normale bedrijfsvoering gaat het om handelingen die, in de woorden van Gritter, ‘niet vreemd zijn’ aan de bedrijfsvoering van de rechtspersoon.14 Relevante factoren zijn volgens hem de door de rechtspersoon ontplooide activiteiten en de wijze waarop de werkzaamheden dagelijks worden uitgevoerd. Uit het Mazen in het net-arrest blijkt dat voldoende is dat de gedraging op zichzelf binnen de bedrijfsvoering past. Het is niet vereist dat ook het verboden karakter ervan onderdeel van de bedrijfsvoering is.15 In deze zaak ging het om een vennootschap waaraan medeplegen aan vissen volgens een verboden methode was ten laste gelegd. Volgens de Hoge Raad kon het feit aan de rechtspersoon worden toegerekend omdat het ‘uitoefenen van de zeevisserij tot de normale bedrijfsvoering behoort (…)’. Ook de omstandigheid dat de bemanningsleden in een bepaalde rechtsverhouding tot de vennootschap stonden en het vissen volgens de verboden methode dienstig was aan die rechtspersoon, droegen bij aan de conclusie dat het feit aan de verdachte rechtspersoon kon worden toegerekend. Uit het feit dat de uitoefening van de zeevisserij als passend binnen de normale bedrijfsuitoefening de vaststelling vormt die leidend is voor de conclusie dat er binnen de normale bedrijfsvoering is gehandeld, kan worden afgeleid dat niet behoeft te worden vastgesteld dat ook het op verboden wijze vissen onderdeel is van de normale bedrijfsvoering.16 Indien de verboden gedraging binnen de bedrijfsvoering van de rechtspersoon valt, wordt door verschillende auteurs aangenomen dat het daderschap kan worden vastgesteld zonder dat er een noodzaak bestaat aan de overige omstandigheden te toetsen.17 De derde omstandigheid die volgens het door de Hoge Raad gehanteerde stramien tot daderschap kan leiden, luidt dat de betreffende gedraging de rechtspersoon dienstig is geweest. Deze omstandigheid wordt ook wel het ‘baatcriterium’ genoemd en is te herleiden tot het V&D-arrest uit 1948.18 Verdachte in deze zaak was de N.V. Vroom en Dreesman die werd verweten een huiskamerameublement te hebben verkocht tegen een hogere prijs dan toegestaan was op grond van de Prijsopdrijvings- en Hamsterwet 1939. De chef van de meubelafdeling had de verkoophandeling verricht. De Hoge Raad oordeelde dat aangezien de verkoop tot doel had nadeel voor de N.V. te voorkomen (wegens de geringe belangstelling van het publiek voor het betreffende product) en de handeling derhalve ertoe strekte de N.V. in haar bedrijf dienstig te zijn, de lagere rechter kon vaststellen dat de N.V. het huiskamerameublement had verkocht. Bij het dienstbaarheidscriterium gaat het dus om het voorkomen van (financieel) nadeel en het realiseren van (financieel) voordeel voor de rechtspersoon. In de literatuur wordt in het algemeen aangenomen dat het dienstigheidscriterium wel betekenis kan hebben voor het daderschap, maar op zichzelf niet voldoende is voor de vaststelling ervan. 19
Als laatste categorie van omstandigheden die het daderschap van rechtspersonen kunnen funderen, worden de reeds in het kader van het functioneel daderschap (van natuurlijke personen) besproken IJzerdraad-criteria genoemd. Volgens de Hoge Raad kan het daderschap van rechtspersonen ook worden gebaseerd op het voldaan zijn aan de uit het IJzerdraad-arrest voortvloeiende criteria van het beschikken en aanvaarden. Daarbij geldt dat ook van aanvaarden kan worden gesproken indien de rechtspersoon niet de redelijkerwijs te vergen zorg heeft betracht teneinde de delictsgedraging te voorkomen. Hoe deze criteria geduid moeten worden voor het daderschap van rechtspersonen en welke rol in dat kader aan de objectivering van het aanvaarden toekomt, is uitvoerig bediscussieerd in de literatuur. De opvatting dat de Hoge Raad met de integratie van de zorgplichtschending in de IJzerdraad-criteria te kennen heeft gegeven dat geen (voorwaardelijk) opzet-eis besloten ligt in het aanvaardingscriterium, wordt breed gedeeld in de literatuur.20 Minder eenstemmig is de literatuur over het toepassingsbereik van de IJzerdraad-criteria.