Einde inhoudsopgave
Niet-betaling in de btw (FM nr. 152) 2018/2.4.5.2.1
2.4.5.2.1 Het verbod op cumulatie van belasting
dr. mr. B.G.A. Heijnen, datum 01-03-2018
- Datum
01-03-2018
- Auteur
dr. mr. B.G.A. Heijnen
- JCDI
JCDI:ADS500249:1
- Vakgebied(en)
Invordering / Algemeen
Omzetbelasting / Algemeen
Europees belastingrecht / Belastingen EU
Voetnoten
Voetnoten
HvJ 14 februari 1985, nr. C-268/83, BNB 1985/315 (Rompelman), r.o. 19. Zie bijvoorbeeld ook: HvJ 29 oktober 2009, nr. C-29/08, V-N 2009/56.13 (AB SKF) en HvJ 22 december 2010, nr. C-277/09, V-N 2011/8.19 (RBS Deutschland).
HvJ 24 oktober 1996, nr. C-317/94, V-N 1996/4573 (Elida Gibbs).
HvJ 22 februari 2001, nr. C-408/98, V-N 2001/15.26 (Abbey National).
HvJ 28 juli 2011, nr. C-274/10, V-N 2011/39.18 (Commissie/Hongarije).
Het gaat hier om toepassing van art. 183 Btw-richtlijn. Deze bepaling geeft de lidstaten, ingeval het bedrag van de aftrek de verschuldigde btw overtreft, de ruimte het overschot over te brengen naar een volgend belastingtijdvak of uit te keren, overeenkomstig de door hen vastgestelde regeling [noot; BH].
Zie ook A-G Kokott in haar conclusie van 30 november 2017 in de zaak Biosafe (nr. C-8/17, V-N 2017/60.19.11).
HvJ 27 juni 1989, nr. C-50/88, FED 1990/739 (Kühne).
Belastingneutraliteit vergt allereerst dat geen cumulatie van belasting mag optreden. Een belangrijk aspect van het verbod op cumulatie van belasting is het in aftrek toestaan van in rekening gebrachte btw. In het Rompelman-arrest overwoog het HvJ bijvoorbeeld dat:1
“De aftrekregeling tot doel heeft, de ondernemer geheel te ontlasten van de in het kader van al zijn economische activiteiten verschuldigde of betaalde BTW. Het stelsel van belasting over de toegevoegde waarde waarborgt derhalve een volstrekt neutrale fiscale belasting van alle economische activiteiten, ongeacht het oogmerk of het resultaat van die activiteiten mits die activiteiten op zich aan de heffing van btw zijn onderworpen.”
In het verlengde daarvan overwoog het HvJ in het Elida Gibbs-arrest:2
“23. Ter waarborging van de volstrekte neutraliteit van het mechanisme ten opzichte van de belastingplichtigen voorziet hoofdstuk XI van de Zesde richtlijn in een aftrekregeling teneinde de belastingplichtige vrij te stellen van elke onverschuldigde BTW. (…)”
In de zaak Abbey National3 voegt het HvJ hieraan toe:
“35. (…) Elke andere uitlegging van artikel 17 van de Zesde richtlijn [ontstaan en omvang van de aftrek; BH] zou in strijd zijn met het beginsel van volledige neutraliteit van het BTW-stelsel ten aanzien van de fiscale belasting van alle economische activiteiten van het bedrijf, op voorwaarde dat deze zelf aan BTW zijn onderworpen, en zou de ondernemer bij het verrichten van zijn economische activiteit belasten met de kosten van BTW, zonder dat hij deze zou kunnen aftrekken.”
In het Commissie/Hongarije-arrest4 ging het HvJ specifiek in op de positie van de ondernemer. In de zaak die leidde tot dit arrest stond de vraag centraal of een door Hongarije gehanteerde aftrekregeling verenigbaar was met het Unierecht. In Hongarije was teruggaaf van btw (het saldo van de verschuldigde minus de aftrekbare btw) uitgesloten wanneer de belastingplichtige de tegenprestatie (inclusief btw) voor de handelingen waarmee de aftrekbare btw verband hield, nog niet had betaald. Het HvJ oordeelde dat:
“45. (…) de door de lidstaten ter zake5 vastgestelde regeling geen afbreuk mag doen aan het beginsel van fiscale neutraliteit door de belastingplichtige geheel of gedeeltelijk de last van de btw te doen dragen. Een dergelijke regeling moet met name de belastingplichtige in staat stellen, op passende wijze de gehele uit dat btw-overschot voortvloeiende schuldvordering te innen, waarbij de teruggave binnen een redelijke termijn moet geschieden door betaling in gereed geld of op een gelijkwaardige wijze en de wijze van teruggave in geen geval voor de belastingplichtige enig financieel risico mag meebrengen.”
Mede op grond hiervan kwam het HvJ tot de conclusie dat Hongarije haar verplichtingen onder de Btw-richtlijn niet was nagekomen.
Uit de hiervoor geciteerde rechtspraak kan worden opgemaakt dat het neutraliteitsbeginsel meebrengt dat de ondernemer (als belastingontvanger voor rekening van de staat) moet worden bevrijd van de uiteindelijke btw-last.6 Het recht op aftrek komt aan dit uitgangspunt tegemoet.
Keerzijde van een ruime toepassing van de regels rondom het recht op aftrek is het onder voorwaarden niet in de heffing betrekken van bepaalde omzet. Op de vraag of btw moest worden geheven over het privégebruik van een tot het bedrijfsvermogen van de ondernemer behorende goed, overwoog het HvJ in het Kühne-arrest:7
“10. Zou een bedrijfsgoed waarvoor geen recht op aftrek van het restant-BTW is ontstaan, wel aldus worden belast, dan zou dit tot dubbele belastingheffing leiden, wat in strijd is met het beginsel van de belastingneutraliteit, dat ten grondslag ligt aan het gemeenschappelijk BTW-stelsel waarvan de Zesde richtlijn deel uitmaakt.”