Einde inhoudsopgave
Quasi-erfrecht (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2006/4.4
V.4.4. ‘Wechselbezüglichkeit’
prof. mr. F.W.J.M. Schols, datum 24-03-2006
- Datum
24-03-2006
- Auteur
prof. mr. F.W.J.M. Schols
- JCDI
JCDI:ADS582731:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Mayer in Dietman-Reimann-Bengel,Kommentarteil Teil B, § 2270, Rn. 3.
Schlüter, Erbrecht, Rn. 361. Palandt-Edenhofer, BGB, § 2270, Rn. 2.
Bij het gemeinschaftliches Testament vervalt de ene beschikking slechts met de andere in- dien sprake is van nietigheid of een herroeping, aldus § 2270 Abs. 1 BGB. Anders dan bij het Erbvertrag komt § 2085 BGB niet in beeld, zoals in par. 3.3.3 al opgemerkt. Dit leidt tot de conclusie dat indien een beschikking geen gevolg heeft op andere gronden dan de in § 2270 Abs. 1 BGB vermelde,in beginsel geen sprake is van verval van de beschikkingen opgenomen in het testament van de ander. Met een Erbvertrag kan men beschikkingen derhalve in deze zin in ruimere mate van elkaar afhankelijk maken. Nieder, Testamentsgestaltung, Rn. 719. Zie ook Mayer in Dietman-Reimann-Bengel, Kommentarteil Teil C, § 2298, Rn. 8 en 9. Bij een gemeinschaftliches Testament kan de eventueel gewenste afhankelijkheid van beschikkingen gecreëerd worden door middel van voorwaardelijke makingen. Nieder,Testamentsgestaltung, Rn. 719. Ook wordt het vermelden van de beweegreden genoemd.
Palandt-Edenhofer, BGB, § 2270, Rn. 1.
Mayer in Dietman-Reimann-Bengel, Kommentarteil Teil B, § 2270, Rn. 14 en 15. Hier wordt het geval behandeld dat een vrouw stelde dat zij de gemeenschappelijke kinderen had benoemd ongeacht of zij door haar man bedacht zou worden. Dat zij haar beschikking niet had getroffen als reactie op de beschikking van de man die hij ten gunste van haar had gemaakt, wilde evenwel niet zeggen dat de man de vrouw niet slechts wilde benoemen indien deze de gemeenschappelijke kinderen zou benoemen. De vrouw kon zich derhalve alleen bevrijden van de beschikking ten gunste van de gemeenschappelijke kinderen, indien zij de verkrijging van de man zou verwerpen. § 2270 BGB en § 2271BGB worden dan volgens de heersende leer (op deze eenzijdige wechselbezügliche beschikkingen) analoog toegepast. Anderen zien een directe toepasselijkheid.
Palandt-Edenhofer, BGB, § 2270, Rn. 11.
Mayer in Dietman-Reimann-Bengel, Kommentarteil Teil B, § 2270, Rn. 18. Het volgende voorbeeld, dat overigens niet ziet op nietigheid, is in dit kader (loskoppeling) sprekend: ‘auch wenn ich nichts erbe und insoweit keine Bindung besteht, soll meine Verfügung zugunsten des anderen wirksam sein, da mir das immer noch lieber ist “als wenn der Fiskus erbt”.
MünchKomm – Musielak, § 2270, Rn. 2.
Palandt-Edenhofer, BGB, vor § 2265, Rn. 12. Men mag bij uitleg evenwel ook voorzichtig vooruitkijken, in die zin dat de vraag gesteld mag worden (en aan de beantwoording daar- van gevolgen koppelen) welke beschikking gemaakt zou zijn indien de testateur ten tijde van het testeren van na het testeren ingetreden omstandigheden op de hoogte zou zijn ge- weest. MünchKomm – Musielak, § 2270, Rn. 8.
Bij het gemeinschaftliches Testament wordt in § 2270 Abs. 2 BGB in minder ruime mate uitgegaan van de Wechselbezüglichkeit van de beschikkingen dan in § 2298 BGB. Zie par. 3.3.3 van dit hoofdstuk.
Lange/Kuchinke, Erbrecht, p. 449, noot 137.
Mayer in Dietman-Reimann-Bengel, Kommentarteil Teil B, § 2270, Rn. 23. Ik verwijs naar het in dit werk vermelde ‘ABC der Anzeichen der Wechselbezüglichkeit' in Rn. 28 – 52.
MünchKomm – Musielak, § 2270, Rn. 10.
Lange/Kuchinke, Erbrecht, p. 450.
Zie voor dit voorbeeld Mayer in Dietman-Reimann-Bengel, Kommentarteil Teil B, § 2270, Rn. 57.
MünchKomm – Musielak, § 2270, Rn. 12.
Men kan niet betogen dat eenvoud troef is.
§ 1589 BGB: ‘Personen, deren eine von der anderen abstammt, sind in gerader Linie verwandt. Personen, die nicht in gerader Linie verwandt sind, aber von derselben dritten Person abstammen, sind in der Seitenlinie verwandt. Der Grad der Verwandtschaft bestimmt sich nach der Zahl der sie vermittelnden Geburten.’
MünchKomm – Musielak, § 2270, Rn. 13.
De hiervoor in par. 4.3.2 besproken rechtsgevolgen, te weten het ‘Offenheitsprinzip’ en de erfrechtelijke binding na het overlijden van de eerststervende, zijn slechts gekoppeld aan beschikkingen die ‘wechselbezüglich’ zijn ingezet. ‘Wechselbezüglich’ zijn die beschikkingen die van elkaar afhankelijk zijn: ‘do ut des’. ‘Wechselbezüglichkeit’ heeft bovendien tot gevolg, naast de gevolgen op het gebied van de herroepelijkheid en binding, dat de nietigheid van een dergelijke beschikking als resultaat heeft dat ook de ‘gekoppelde’ beschikking(en) van de ander niet werken. Dit is ook bij herroeping het geval. In § 2270 BGB komt het kaartenhuis-karakter van het gemeinschaftliches Testament tot uitdrukking:
‘Haben die Ehegatten in einem gemeinschaftlichen Testament Verfügungen getroffen, von denen anzunehmen ist,dass die Verfügung des einen nicht ohne die Verfügung des anderen getroffen sein würde, so hat die Nichtigkeit oder der Widerruf der einen Verfügung die Unwirksamkeit der anderen zur Folge (curs. FS.).’
Men vat dit ook wel samen met ‘Wirksamkeitszusammenhang’.1
Indien op andere gronden een beschikking niet werkt, bijvoorbeeld als gevolg van het feit dat sprake is van vóóroverlijden of verwerping, dan kan uitleg met zich brengen dat de beschikkingen van de ander ook vervallen. § 2270 Abs. 1 BGB ziet hier evenwel niet op.2,3 Men zal begrijpen dat voor het vaststellen van de Wechselbezüglichkeit uitleg aan de orde van de dag zal zijn. De door mij in § 2270 BGB gecursiveerde woorden in combinatie met het feit dat het gemeinschaftliches Testament onderhands mogelijk is, dwingen reeds nu tot die conclusie.
Wanneer is nu sprake van een wechselbezügliche beschikking? Een belangrijke vraag in verband met de rechtsgevolgen op het gebied van de herroepelijkheid, de erfrechtelijke binding en het feit dat de beschikkingen met elkaar staan en vallen. De vraag moet per beschikking beantwoord worden en niet ten aanzien van de uiterste wil in het geheel.4 Er kan overigens sprake zijn van ‘einseitigeWechselbezüglichkeit’ oftewel ‘einseitige Abhängigkeit’, indien slechts één echtgenoot een bepaalde beschikking heeft getroffen, omdat de ander op bepaalde wijze beschikt. § 2270 BGB en § 2271 BGB worden dan volgens de heersende leer analoog toegepast.5 Echtgenoten kunnen bepalen dat beschikkingen niet ‘wechselbezüglich’ zijn of stipuleren dat ze slechts gedeeltelijk afhankelijk zijn.6 Ook is het mogelijk de beschikkingen te ontkoppelen in die zin dat bijvoorbeeld bij (bepaalde gevallen van) nietigheid de beschikkingen van de ander niet vervallen.7
Om terug te komen bij de beantwoording van de hiervoor gestelde vraag: beschikkingen zijn wechselbezüglich in het geval dat de beschikkingen zozeer met elkaar verbonden zijn, dat de één de beschikking niet had getroffen, zonder dat de ander op een bepaalde wijze beschikt zou hebben. Het is de bedoeling van de echtgenoten dat de beschikkingen met elkaar staan en vallen.8 Doorslaggevend is de wilvan de testateur, hetgeen blijkt uit het hiervoor aangehaalde gedeelte van § 2270 BGB. Bedoeld is de wil op het moment van testeren.9 In geval van twijfel komt er, zoals reeds aangekondigd, uitleg van de beschikkingen aan te pas.10
De wetgever biedt in § 2270 Abs. 2 BGB een wettelijk vermoeden.11 Men mag pas met deze regel aan de slag indien uitleg in het algemeen geen oplossing oplevert. Dit houdt verband met het feit dat de wil van de echtgenoten van doorslaggevende betekenis is.12
§ 2270 Abs. 2 BGB regelt twee gevallenwaarin de wetgever de knoop doorhakt indien met uitleg geen oplossing gevonden wordt:
wechselbezu« glich zijn bij twijfel de beschikkingen van echtgenoten, waarbij deze zich over en weer als verkrijger benoemen;
De wijze waarop de echtgenoten elkaar erfrechtelijk bedenken (erfstelling, legaat, lastbevoordeling) is niet relevant. Ook de bevestiging van de wettelijke erfopvolging voldoet.13
wechselbezüglich zijn bij twijfel de beschikkingen, waarbij een echtgenoot (A) de andere echtgenoot (B) als verkrijger benoemt, welke laatste echtgenoot (B), in geval van overlijden als langstlevende, personen laat erven die familie (‘verwandt’) zijn van de eerstbedoelde echtgenoot (A) of waarmee deze (A) anderszins een persoonlijke binding had (‘nahe steht’).14
Beide gevallen kunnen ook samenlopen. Hierbij kan men denken aan het geval dat de echtgenoten A en B elkaar tot enig erfgenaam benoemen, en voorts bepalen dat mocht men overlijden als langstlevende de gehele nalatenschap naar de gemeenschappelijke kinderen C1 en C2 gaat. In dat geval is wechselbezüglich:15
De beschikking van de man A ten gunste van de vrouw B:
met de beschikking van de vrouw B ten gunste van de man A
met de beschikking van de vrouw B ten gunste van de kinderen C
De beschikking van de vrouw B ten gunste van de man A:
met de beschikking van de man A ten gunste van de vrouw B
met de beschikking van de man A ten gunste van de kinderen C
Niet wechselbezüglich is in de regel de beschikking van de man A ten gunste van de kinderen C met de beschikking van vrouw B ten gunste van de kinderen C, omdat aangenomen mag worden dat het inzetten van de gemeenschappelijke kinderen, niet geschiedt ‘omdat de ander dit ook doet’.16Dit zou beteken dat indien B de beschikking ten behoeve van de kinderen C tijdens leven van beide echtgenoten herroept, de beschikking van A ten behoeve van B vervalt, doch de beschikking van A ten behoeve van de kinderen C in stand blijft.17
De ‘Verwandten’ van § 2270 Abs. 2 BGB treft men aan in § 1589 BGB.18 Of iemand ‘nahsteht’ in de zin van §2 270 Abs. 2 BGB moet naar de omstandigheden beoordeeld worden. Hiervan kan slechts gesproken worden:
‘wenn enge persönliche Beziehungen bestehen, die mindestens dem üblichen Verhältnis zu Verwandten entsprechen. Die hierbei zu stellenden Anforderungen müssen relativ streng sein, damit nicht die Vermutung des § 2270 Abs. 2. zur Regelwird.’19