Einde inhoudsopgave
Eigendomsgrondrecht en belastingen (FM nr. 161) 2020/9.4
9.4 Bestaat recht op een ‘decent profit’ na belastingheffing?
dr. T.C. Gerverdinck, datum 13-03-2020
- Datum
13-03-2020
- Auteur
dr. T.C. Gerverdinck
- JCDI
JCDI:ADS197366:1
- Vakgebied(en)
Europees belastingrecht / Mensenrechten
Voetnoten
Voetnoten
EHRM (Grand Chamber) 19 juni 2006, nr. 35014/97 (Hutten-Czapska v. Poland), EHRC 2006/105 m.nt. Adriaansens.
EHRM (Grand Chamber) 19 juni 2006, nr. 35014/97 (Hutten-Czapska v. Poland), EHRC 2006/105 m.nt. Adriaansens, par. 220 en 239.
EHRM (Grand Chamber) 19 juni 2006, nr. 35014/97 (Hutten-Czapska v. Poland), EHRC 2006/105 m.nt. Adriaansens, par. 239: “(…) that the many options open to the State certainly include the measures indicated by the Constitutional Court in its June 2005 Recommendations, setting out the features of a mechanism balancing the rights of landlords and tenants and criteria for what might be considered a “basic rent”, “economically justified rent” or “decent profit.”
EHRM 11 december 2014, nr. 3851/12 (Anthony Aquilina v. Malta).
EHRM 11 december 2014, nr. 3851/12 (Anthony Aquilina v. Malta), par. 63.
Andere uitspraken over eigenaars die het werd verboden om een marktconforme huur te behalen zijn onder meer EHRM 28 januari 2004, nr. 30255/09 (Bittó v Slovakia), EHRM 26 september 2006, nr. 31122/05 (Ghigo v. Malta), EHRM 27 november 2007, nr. 74258/01 (Urbárska obec Trenčianske Biskupice v. Slovakia) en EHRM 2 juli 2013, nr. 27126/11 (Nobel a.o. v. The Netherlandse), EHRC 2013/271 m.nt. S.V.M. Stevens. Waarnemend A-G Hammerstein leidt in zijn conclusie voor HR 24 april 2015, nr. 14/01504, BNB 2015/175 m.nt. Heithuis uit deze rechtspraak af dat bij de beoordeling van de proportionaliteit van huurwetgeving onder meer van belang is dat de huursom voldoende is voor de eigenaar om het noodzakelijke onderhoud te bekostigen (Hutten-Czapska, Nobel), de ter zake van de verhuurde woning verschuldigde property tax te voldoen (Urbárska, Lindheim, Nobel) en dat na het voldoen van de vaste lasten een redelijke winst (decent profit) overblijft (Hutten-Czapska, Nobel, Bittó).
EHRM 27 november 2007, nr. 74258/01 (Urbárska obec Trenčianske Biskupice v. Slovakia).
EHRM 12 juni 2012, nrs. 13221/08 en 2139/10 (Lindheim and others v. Norway), EHRC 2012/173 m.nt. Spath.
In deze paragraaf bespreek ik een aantal arresten van het EHRM over overheidsmaatregelen die het burgers onmogelijk maakten om rendement te behalen met hun investering. In een aantal van deze arresten heeft het EHRM een schending van artikel 1 Eerste Protocol aangenomen. Hoewel de klachten in deze zaken niet waren gericht tegen belastingmaatregelen – veelal betrof het regulering van de huurhuizenmarkt – valt zeker niet uit te sluiten dat deze rechtspraak ook relevant is voor belastingzaken.
Regelgeving in Polen verplichtte huiseigenaren om woningen te verhuren aan door de overheid aangewezen personen, tegen een prijs die niet hoger was dan 60% van de verplichte onderhoudskosten. Opzegging van de huur was vrijwel onmogelijk. Door deze regelgeving verkeerden verhuurders in een structureel verliesgevende positie. Aangezien vele duizenden verhuurders door deze regelgeving werden getroffen en sprake was van een structurele fout in de wetgeving, heeft de Grand Chamber van het EHRM in dit geval de pilot judgement procedure toegepast (zie par. 7.4). In het arrest Hutten-Czapska v Poland1 heeft de Grand Chamber deze Poolse regelgeving in strijd met artikel 1 Eerste Protocol geoordeeld. Wat dit oordeel met name interessant maakt voor belastingzaken, is dat de Grand Chamber van belang lijkt te achten dat de regelgeving het voor huiseigenaren onmogelijk maakte om een “decent profit” te maken. Enige terughoudendheid is hierbij wel op zijn plaats, aangezien de Grand Chamber het begrip “decent profit” overneemt van het Poolse Constitutionele Hof2 en het niet helemaal duidelijk is of het ook door de Grand Chamber zelf wordt omarmd.3 In de huurzaak Anthony Aquilina v Malta4 (over wetgeving die het eigenaren verbood om een marktconforme huur te vragen en het onmogelijk maakte om de huur te beëindigen) achtte het EHRM art. 1 Eerste Protocol geschonden omdat verplichte huurprijzen die slechts een ‘minimal profit’ overlaten, een manifest onredelijk resulaat opleveren. Ditmaal was er geen twijfel mogelijk dat het om een ‘eigen’ oordeel van het EHRM ging:5
“State control over levels of rent falls into a sphere subject to a wide margin of appreciation by the State, and its application may often cause significant reductions in the amount of rent chargeable (…). Nevertheless, this may not lead to results which are manifestly unreasonable, such as amounts of rent allowing only a minimal profit (…).”
Prima facie valt niet in te zien waarom deze rechtspraak niet ook van belang is voor belastingheffing.6 Als dat inderdaad zo is, dan zouden belastingmaatregelen het niet structureel onmogelijk mogen maken voor burgers om een minimaal rendement te behalen met hun investering. Er bestaan diverse parallellen tussen excessieve belastingheffing over vermogensinkomsten en excessieve huurbeschermingsmaatregelen als aan de orde in Hutten-Czapska en Anthony Aquilina. Beide typen eigendomsaantasting worden door het EHRM beschouwd als een onder de tweede alinea van artikel 1 Eerste Protocol vallende regulering van eigendom, waarbij een wide margin of appreciation toekomt aan de Staat omdat het in beide gevallen om sociaal-economische politiek gaat. Huurbeschermingsmaatregelen kunnen particulier eigendom ernstig aantasten. Zo bracht de regelgeving in Anthony Aquilina mee dat verhuurders niet meer dan € 65,22 aan huur per jaar mochten vragen, terwijl een marktconforme jaarhuur € 2.912 bedroeg. Belastingmaatregelen kunnen ook forse financiële gevolgen hebben voor burgers. Zie bijvoorbeeld de zaak Imbert de Tremiolles (besproken in de vorige paragraaf) over een vermogensbelasting die opliep tot 85% van het netto belastbaar inkomen. In die zaak achtte het EHRM onder meer van belang dat het vermogen van de betrokkenen in de loop van tijd was gegroeid. Het was in dat geval dus mogelijk gebleken om ook na belastingheffing een decent/meer dan minimal profit te behalen. Dat is wel anders bij de Nederlandse box 3 heffing, waarbij het voor risicomijdende spaarders mogelijk is dat de verschuldigde belasting het behaalde rendement extreem ver overtreft. De Hoge Raad heeft in zijn rechtspraak over die regelgeving echter nooit verwezen naar een recht op decent/meer dan minimal profit, hoewel stellingen met die strekking wel waren betrokken door belastingplichtigen. Het EHRM heeft zich er nooit over uitgelaten in verband met belastingmaatregelen. Wel heeft hij een aantal keer geoordeeld dat een combinatie van belastingheffing en andere overheidsmaatregelen tot een schending van artikel 1 Eerste Protocol leidde. In Urbárska v. Slovakia7 achtte het EHRM van belang dat de gereguleerde huur zo laag was, dat een verhuurder de “real property tax” er niet uit kon betalen. En in Lindheim and others v. Norway8 kende het EHRM belang toe aan het feit dat de “real-estate tax” – die in die zaak niet eens door de belanghebbende eigenaar, maar door de pachter verschuldigd was – hoger was dan de gereguleerde pachtsom. In deze zaken verwees het EHRM evenwel niet naar een recht op decent/meer dan minimal profit. De tijd zal leren of het EHRM de lijn uit zijn Hutten-Czapska en Anthony Aquilina-rechtspraak doortrekt naar eigendomsaantastingen door belastingheffing.