Vastgoedtransacties in de Europese btw
Einde inhoudsopgave
Vastgoedtransacties in de Europese btw (FM nr. 169) 2021/4.2.5.5:4.2.5.5 Conclusie
Vastgoedtransacties in de Europese btw (FM nr. 169) 2021/4.2.5.5
4.2.5.5 Conclusie
Documentgegevens:
mr. dr. M.D.J. van der Wulp, datum 01-07-2021
- Datum
01-07-2021
- Auteur
mr. dr. M.D.J. van der Wulp
- JCDI
JCDI:ADS291602:1
- Vakgebied(en)
Toeslagen (V)
Omzetbelasting / Aftrek en teruggaaf
Omzetbelasting / Belastingplichtige en -schuldige
Europees belastingrecht / Belastingen EU
Omzetbelasting / Levering van goederen en diensten
Omzetbelasting / Vrijstelling
Europees belastingrecht / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Uit de richtlijnhistorie blijkt niet waarom de gelijkstelling van de oplevering van bepaalde werken in onroerende staat met een levering wenselijk werd geacht. Ook in de Nederlandse parlementaire geschiedenis is niet te vinden waarom de wetgever het wenselijk achtte om de oplevering van onroerende goederen door degene die deze goederen heeft vervaardigd, met uitzondering van andere onbebouwde terreinen dan bouwterreinen, gelijk te stellen met een levering. Vanuit het oogpunt van het beginsel van algemene heffing en het rechtskarakter van de btw maakt het niet uit of de oplevering van bepaalde werken in onroerende staat kwalificeert als een levering of een dienst. De leveringsgelijkstelling in art. 14 lid 3 Btw-richtlijn zou daarom alleen op grond van het beginsel van de fiscale neutraliteit wenselijk kunnen zijn. In Nederland lijkt de meest voor de hand liggende verklaring te zijn dat de wetgever de oplevering van vervaardigd onroerend goed als bedoeld in art. 3 lid 1, onderdeel c Wet OB (voldoende) vergelijkbaar vond met de overdracht van de macht om als een eigenaar over een vervaardigd onroerend goed te beschikken. Het is echter maar de vraag of de interne (concurrentie)neutraliteit een afdoende rechtvaardiging vormt. De eigendomsoverdracht van vervaardigd vastgoed staat economisch gezien niet op gelijke hoogte met ‘slechts’ de oplevering van vervaardigd onroerend goed op grond die reeds in eigendom is van een ander.
Maar zelfs indien interne (concurrentie)neutraliteit een gelijke behandeling zou eisen van de overdracht van de macht om als een eigenaar over een vervaardigd onroerend goed te beschikken en de oplevering van een vervaardigd onroerend goed, dan zou die rechtvaardiging op nationaal niveau niet onverkort gelden op Europees niveau. Uit de richtlijnhistorie blijkt dat het begrip ‘oplevering van een werk in onroerende staat’ in art. 14 lid 3 Btw-richtlijn niet alleen betrekking heeft op de oplevering van vervaardigde onroerende goederen, maar ook op de oplevering van installatiewerkzaamheden, de aanleg van tuinen en herstellingen van onroerende goederen, anders dan de normale onderhoudswerkzaamheden. Van laatstgenoemde werkzaamheden kan bezwaarlijk gezegd worden dat deze werkzaamheden economisch gezien vergelijkbaar zijn met de overdracht van de macht om als een eigenaar over het vastgoed te beschikken. Deze leveringsgelijkstelling is ook niet noodzakelijk om de deur naar de herzieningsregeling voor investeringsgoederen te openen. Het beginsel van de fiscale neutraliteit vormt mijns inziens dan ook geen (afdoende) rechtvaardiging voor de optionele leveringsgelijkstelling van art. 14 lid 3 Btw-richtlijn. Het voorgaande betekent dat in de wezenlijke kenmerken van de btw geen (afdoende) rechtvaardiging te vinden is voor de optionele leveringsgelijkstelling in art. 14 lid 3 Btw-richtlijn. Ik acht het daarom wenselijk om deze leveringsgelijkstelling te schrappen.