Einde inhoudsopgave
Toegang tot het recht bij massaschade (R&P nr. 150) 2007/4.3.3
4.3.3 Preventie en gedragsbeïnvloeding
mr. I.N. Tzankova, datum 30-03-2007
- Datum
30-03-2007
- Auteur
mr. I.N. Tzankova
- JCDI
JCDI:ADS600719:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Burgerlijk procesrecht (V)
Verzekeringsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Newberg & Conte 2004, hfd.1: p. 28, hfd. 5: 467-9, Henlser e.a. 2000, 69-72. Mulheron 2004, 63-6 laat zien dat er ook common law landen zijn die moeite hebben met deze doelstelling.
Een belangrijke voorstander van deze gedachte is Rosenberg 2002a. Eerder in 4.3.1 kwam ook de rechtseconomische theorie over `investment asymmetry' aan bod op basis waarvan een meer gelijkwaardige rol voor preventie naast compensatie bepleit werd in gevallen van substantiële massaschade. Zie voorts Shapiro 1998, p. 931, noot 44.
Weterings 2004, p. 9-12, Visscher 2005, p. 19-22, 29, Weisbach 2002, Polinsky 1989, p. 10, 119 e.v., Van Bijnen 2005, p. 11-21 met vele verdere verwijzingen.
Zie hierover in relatie tot strooischade uitvoerig Tzankova 2005, p. 53-9 met verdere verwijzingen, waarin empirisch onderzoek naar de preventieve werking van het aansprakelijkheidsrecht en winstafdracht wordt besproken en aandacht wordt besteed aan methodologische beperkingen van dergelijk onderzoek. Visscher 2005, p. 302-3 en Cooter & Ulen 2004, p. 488 signaleren eveneens dat empirisch onderzoek naar preventie in het algemeen lastig is. Dat is waarschijnlijk ook de reden dat relatief weinig veranderd is sinds Hensler 1989, p. 103 opmerkte: `although these studies suggest the traditional tort approach does not contribute much to deterrence, very little about the impact of the liability system on the behavior of producers is known.'
Voor de bij dat onderzoek gevolgde methode zie Henlser e.a. 2000, p. 523-592.
Henlser e.a. 2000, p. 401-70 (in het bijzonder p. 401-2, 431, 466-9, en de Executive Summary, p. 9), Mulheron 2004, p. 64.
In het Amerikaanse regime wordt deze doelstelling vooral in gevallen van strooischade met zoveel woorden erkend.1 De gedachte is dat het instrument van class action daar nodig is om ervoor te zorgen dat normschenders geconfronteerd worden met de gevolgen, in het bijzonder met de kosten, van hun normschendend gedrag. In de (vooral law and economics)literatuur wordt vervolgens door sommigen de verwachting uitgesproken dat het enkele bestaan van het instrument voldoende afschrikwekkende werking zal hebben waardoor normschenders zich aan de regels zullen houden en de werkelijke inzet van class action niet eens meer nodig zal zijn.
Zoals eerder gezegd, zijn in gevallen van substantiële massaschade de afzonderlijke massaschadelijders zelf in staat om individueel de schadeveroorzaker aan te spreken, zodat laatstgenoemde in die gevallen alsnog de rekening gepresenteerd krijgt. De stelling dat preventie een nuttig neveneffect kan zijn van compensatie en daarmee van de class action die deze mogelijk maakt, ondervindt over het algemeen dan ook weinig kritiek. Dat wordt anders zodra preventie centraal wordt gesteld. Vooral auteurs die rechtseconomisch georiënteerd zijn, pleiten voor een dergelijke (her)positionering van de doelstellingen van class action in geval van substantiële massaschade, hetgeen van invloed is op de mogelijkheid van opt out.2 Dat is niet verrassend gelet op het feit dat het in de rechtseconomie vooral draait om preventie en gedragsbeïnvloeding via financiële incentives met als uiteindelijke doel: welzijnsmaximalisatie. Compensatie is in deze visie minder relevant, omdat het daarbij om een verdelingsvraagstuk gaat.3
In hoeverre het uitdelen van financiële prikkels, waartoe class actions gericht op het verkrijgen van een schadevergoeding behoren, daadwerkelijk een preventieve werking heeft, staat niet eenduidig vast, maar er kan niet gezegd worden dat er geen enkele preventieve werking van uitgaat.4 Voor de mogelijke preventieve werking van class action is vooral de case studie van RAND van belang.5 Daarin is onder andere onderzocht in hoeverre het class action instrument tot gevolg heeft gehad dat de aangeklaagde bedrijven hun bedrijfsvoering hebben aangepast. Hoewel de resultaten van dit onderzoek ook niet eenduidig zijn, is in een aantal gevallen een beïnvloeding vastgesteld. Men kan van mening blijven verschillen of de beïnvloeding inderdaad nodig was, maar dat is een andere vraag.6