Einde inhoudsopgave
Impassezaken en verantwoordelijkheden binnen het enquêterecht (IVOR nr. 69) 2010/3.2.2
3.2.2 Verwarring rond de doelstelling ‘herstel van gezonde verhoudingen door maatregelen van reorganisatorische aard’
mr. F. Veenstra, datum 28-10-2010
- Datum
28-10-2010
- Auteur
mr. F. Veenstra
- JCDI
JCDI:ADS466771:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
OK 2 november 1995, rekestnr. 104/95 OK (Text Lite Holding), te kennen uit NJ 1997, 671.
HR 4 juni 1997, NJ 1997, 671, r.o. 4.7.1 (Text Lite Holding, m.nt. Maeijer).
Zie over deze overweging ook in kritische zin: Maeijer in zijn noot (onder 1) in NJ 1997, 671 (onder HR 4 juni 1997 (Text Lite Holding)); Geerts 2004, p. 288. Zie in instemmende zin Leijten 2002, p. 75.
Vergelijk in dit verband ook de pleitnota van de curator in het faillissement van Bobel: ‘De toewijzing van de gevraagde voorzieningen (vernietiging van dechargebesluiten, FV) is overigens ook voor de boedel van belang, omdat aansprakelijkheidsacties op grond van artikel 2: 138 BW (...) niet meer mogelijk zijn en deze derhalve zullen moeten worden gebaseerd op artikel 2: 9 BW.’
HR 14 december 2007, NJ 2008, 105, r.o. 3.6 (Koninklijke DSM, m.nt. Maeijer).
Onder meer: OK 17 april 1997,JOR 1997, 81 (Bobel, m.nt. Van den Ingh); OK 9 juli 1998,JOR 1998, 122 (Levensverzekering Maatschappij Vie d’Or, m.nt. Janssen).
OK 3 december 1987, r.o. 4.12 (OGEM Holding). Zie tekstnummer 45.
In de literatuur is eveneens verdedigd dat de OK geen dechargebesluiten zou moeten vernietigen – sterker nog: daartoe ook niet bevoegd is – omdat decharge de persoonlijke aansprakelijkheid van bestuurders en commissarissen betreft en die persoonlijke aansprakelijkheid geen onderwerp is van de enquêteprocedure: Van der Heijden/Van der Grinten 1992, nr. 260; Van Solinge 1998, p. 51.
OK 7 december 1989,NJ 1990, 242, r.o. 4.13.2, 4.13.3 en 4.13.5 (Verenigde Bedrijven Bredero). Vergelijk ook r.o. 3.2.3: ‘Voor de vaststelling van de verantwoordelijkheid – en voor de algemeen preventieve werking die aan het enquêterecht kan worden toegeschreven – zijn, in het algemeen gesproken, voorzieningen niet noodzakelijk; veelal kan daartoe worden volstaan met de uitspraak dat van wanbeleid is gebleken, terwijl overigens die declaratoire vaststelling op zichzelf al kan bijdragen tot herstel van de juiste verhoudingen tussen alle bij de rechtspersoon en de met deze verbonden onderneming(en) betrokkenen. Dat wordt niet anders wanneer de vennootschap waarom het gaat in liquidatie is.’
48. Text Lite Holding; Koninklijke DSM. De Hoge Raad heeft in OGEM Holding beslist dat de Ondernemingskamer mag volstaan met een verklaring voor recht dat van wanbeleid is gebleken indien herstel van gezonde verhoudingen niet meer tot de mogelijkheden behoort omdat de vennootschap reeds is gefailleerd. Hoe dient deze beslissing te worden begrepen? Moet hieruit worden afgeleid dat indien sanering niet meer tot de mogelijkheden behoort, de Ondernemingskamer het verzoek tot het treffen van voorzieningen ook moet afwijzen – anders gezegd: dat zij niet bevoegd is voorzieningen te treffen – ongeacht de belangen die verzoekers beogen te dienen? Dat deze vraag zich niet eenvoudig laat beantwoorden, blijkt uit de beschikkingen van ons hoogste rechtscollege inzake Text Lite Holding en Koninklijke DSM.
De Ondernemingskamer heeft in de procedure inzake Text Lite Holding geoordeeld dat van wanbeleid is gebleken en – bij wijze van voorziening – onder andere dechargebesluiten vernietigd.1 Door verzoekers tot cassatie is onder meer gesteld dat in ieder geval in het onderhavige geval geen plaats is voor de vernietiging van dechargebesluiten, althans dat de Ondernemingskamer onvoldoende redenen heeft gegeven waarom die besluiten moeten worden vernietigd. De Hoge Raad oordeelt dat de klachten falen: ‘De Ondernemingskamer kan voorzieningen treffen welke zij op grond van de uitkomst van het onderzoek geboden acht. Aan de Ondernemingskamer is hier een ruime bevoegdheid verschaft, niet alleen om aan het wanbeleid een einde te maken, maar ook om de eruit voortgevloeide gevolgen zoveel mogelijk ongedaan te maken. Kennelijk stond de Ondernemingskamer laatstgenoemde reden voor ogen bij haar oordeel dat de besluiten in zoverre voor vernietiging in aanmerking kwamen.’2 Waarom staat ons hoogste rechtscollege toe dat de Ondernemingskamer voorzieningen – ‘maatregelen van reorganisatorische aard binnen de onderneming van de betrokken rechtspersoon’ (vergelijk OGEM Holding) – treft hoewel de vennootschap reeds vijf jaar tevoren (op 30 oktober 1990) failliet is verklaard?3 Stemt hij er mee in dat de enquêteprocedure mede wordt aangewend ter facilitering van een aansprakelijkheidsprocedure?4 En hoe verhoudt de beslissing van de Hoge Raad in Text Lite Holding zich tot zijn overweging in DSM dat ‘voor het treffen van voorzieningen als bedoeld in art. 2: 356 BW slechts plaats is indien dit gerechtvaardigd is met het oog op de met de regeling van het enquêterecht beoogde sanering en herstel van gezonde verhoudingen door maatregelen van reorganisatorische aard binnen de onderneming van de rechtspersoon’?5 Keert hij hiermee terug naar zijn oorspronkelijke, in OGEM Holding ingenomen standpunt?
Is niet helder hoe de overwegingen van de Hoge Raad in OGEM Holding en DSM enerzijds en Text Lite Holding anderzijds zich tot elkaar verhouden, duidelijk is wel dat de Ondernemingskamer zichzelf in de loop van de tijd een ruimere bevoegdheid heeft toegedicht wat betreft het treffen van voorzieningen in gevallen waarin herstel van de gezonde verhoudingen niet meer tot de mogelijkheden behoort. De beschikking inzake Text Lite Holding vormt de eerste van een aantal uitspraken waarin in vergelijkbare gevallen voorzieningen zijn getroffen (in het bijzonder vernietiging van dechargebesluiten).6 Dit is des te opmerkelijker omdat de Ondernemingskamer in de beschikkingen inzake OGEM Holding7 en, anderhalf jaar later, Bredero nog het principiële standpunt inneemt dat het passend noch geboden is voorzieningen te treffen indien daarmee geen redelijk doel wordt gediend. Zij concludeert in de laatste zaak dat er geen redelijk doel wordt gediend met de vernietiging van jaarrekeningen en dechargebesluiten: niet alleen is er geen grond met het oog op het vaststellen van de verantwoordelijkheid of herstel van de gezonde verhoudingen voorzieningen te treffen als waarom is verzocht (Bredero is op 9 september 1987 failliet verklaard), deze voorzieningen dragen evenmin bij tot verdere opening van zaken. Hier komt wat betreft het vernietigen van dechargebesluiten nog bij dat de ‘eventuele persoonlijke aansprakelijkheid van degenen die bij het opmaken, vaststellen en goedkeuren van de jaarrekeningen betrokken zijn geweest niet aan de orde is. De ter vaststelling van die aansprakelijkheid eventueel geadieerde rechter zal zelfstandig hebben te beoordelen in hoeverre het in deze beschikking uitgesproken oordeel omtrent wanbeleid van de vennootschap van betekenis is voor die aansprakelijkheid en welke betekenis aan de verleende décharge toekomt.8 In een dergelijk geding zal, meer dan in de onderhavige procedure aandacht kunnen worden gegeven aan de individuele rol van alle betrokkenen (...). Het verslag van de onderzoekers, dat de basis vormt voor dit geding, is onmiskenbaar niet opgesteld met het oog op de vaststelling van de individuele aansprakelijkheid van de betrokkenen en is daartoe dan ook – zonder verder processueel debat waartoe dit geding niet is ingericht – niet in voldoende mate bruikbaar. Ook daarom is het vernietigen of anderszins ongedaan maken van de aan de voormalige bestuurders en commissarissen van VBB verleende decharge geen passende voorziening.’9