RvdW 2025/733:Medeplichtigheid aan 2 autodiefstallen, art. 310 Sr. Vrijspraak in eerste aanleg. Bewijsklachten t.a.v. persoon op bijrijdersstoel, bezit van voorwerpen die geschikt zijn voor openen en wegnemen van auto’s en opzet. HR: Om redenen vermeld in CAG leidt middel niet tot cassatie. CAG: Hof heeft kennelijk o.b.v. de uit bewijsmiddelen voortvloeiende f&o de conclusie van feitelijke aard getrokken en kunnen trekken dat andere persoon in auto de medeverdachte is. ’s Hofs (mede) daarop gebaseerde oordeel dat verdachte de medeverdachte naar plaats van weg te nemen voertuig heeft gebracht, is niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd, in aanmerking genomen dat medeverdachte kort nadat auto van verdachte in beeld is geweest op camerabeelden verschijnt en dat verdachte en medeverdachte direct na elkaar vertrekken. Hof heeft in nadere bewijsoverweging overwogen dat het ervan uit gaat dat verdachte en medeverdachte ook t.t.v. bewezenverklaarde feiten over desbetreffende voorwerpen konden beschikken, omdat geen van beide verdachten een verklaring heeft afgelegd waarmee begin van aannemelijkheid zou kunnen worden gegeven aan gedachte dat zij t.t.v. bewezenverklaarde feiten nog niet over deze voorwerpen beschikten. Hof heeft kennelijk geoordeeld dat de in b.m. besloten liggende f&o redengevend kunnen worden geacht voor bewijs dat verdachte medeplichtig is geweest aan 2 autodiefstallen en dat, gelet daarop, van verdachte mocht worden verlangd dat hij geloofwaardige, hem ontlastende verklaring gaf. Bij het uitblijven van dergelijke verklaring heeft hof uit deze vaststellingen kunnen afleiden dat verdachte zowel opzet heeft gehad op het behulpzaam zijn bij het plegen van deze autodiefstallen van auto’s als opzet op het wegnemen door medeverdachte van deze auto’s. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. Volgt verwerping. Samenhang met RvdW 2025/732.