Einde inhoudsopgave
De (onmiddellijke) voorzieningen van de enquêteprocedure (IVOR nr. 105) 2017/9.3.3
9.3.3 Proportionaliteit en onmiddellijke voorzieningen “met onomkeerbare gevolgen”
F. Eikelboom, datum 01-06-2017
- Datum
01-06-2017
- Auteur
F. Eikelboom
- JCDI
JCDI:ADS366053:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zie daarover par. 8.4.2.2. Daarin kwam tevens ter sprake dat onomkeerbare tertiaire gevolgen onvermijdelijk zijn.
HR 19 oktober 2001, NJ 2002, 92 m.nt. Maeijer, JOR 2002/5 m.nt. Van den Ingh, Ondernemingsrecht 2001/61 m.nt. Geerts (Skygate) en HR 9 februari 2010, NJ 2010, 296 m.nt. Van Schilfgaarde; JOR 2010/92 m.nt. Schmieman, Ondernemingsrecht 2010-6, p. 279 e.v. m.nt. Rensen (Fuldauer), HR 25 februari 2011, NJ 2011, 335 m.nt Van Schilfgaarde, JOR 2011/115 m.nt. Doorman (Inter Acces), en HR 11 juli 2014, NJ 2014, 389 m.nt. Van Schilfgaarde, JOR 2014/263 m.nt. Josephus Jitta bij JOR 2014/264.
Of dit in de praktijk altijd zo is, valt te betwijfelen. In noodzaakfinancieringsbeschikkingen lijkt het er vaak op of het een keus is tussen een onverwaterd aandeel in een failliete vennootschap, of een sterk verwaterd aandeel in een levensvatbare vennootschap. De aandeelhouder, die met de verwatering dreigt te worden geconfronteerd, vindt dat heel ver gaan. Of dat ook daadwerkelijk zo is, hangt af van de vraag of een faillissement inderdaad alleen kan worden afgewend indien de ondernemingskamer deze verwatering mogelijk maakt.
Vgl. Asser/Maeijer, Van Solinge en Nieuwe Weme 2-II*, nr. 771.
Het feit dat onmiddellijke voorzieningen naar hun aard tijdelijk moeten zijn, betekent niet dat deze geen onomkeerbare (tertiaire) gevolgen mogen hebben.1 De Hoge Raad wijst er daarbij wel op dat dergelijke onmiddellijke voorzieningen proportioneel moeten zijn.2 Deze proportionaliteitstoets verschilt echter niet van andere gevallen. Bij iedere onmiddellijke voorziening moet een belangenafweging worden gemaakt en worden nagegaan of een minder verregaande maatregel niet zou volstaan.
Op de plaatsen waar in de rechtspraak en literatuur wordt gesproken van onmiddellijke voorzieningen met onomkeerbare (tertiaire) gevolgen lijkt de bijzonderheid hem niet zo zeer te zitten in de onomkeerbaarheid, maar in het feit dat de bestaande rechtsverhoudingen in verregaande mate worden gewijzigd, althans op een manier die aldus wordt ervaren.3 Meestal gaat het om emissies van aandelen die er voor zorgen dat een aandeelhouder met een meerderheid of veto in de aandeelhoudersvergadering voortaan een minderheidsaandeelhouder is of zijn veto verliest. Ook gaat het soms over de verkoop van de gehele onderneming van de vennootschap, waardoor de aandeelhouders voortaan bij wijze van spreken een aandeel in een zak geld hebben in plaats van in een onderneming.
Dergelijke (tertiaire) gevolgen brengen mee dat de desbetreffende aandeelhouders in het kader een belangenafweging – om het in voetbal termen te zeggen – minstens met 1-0 voorstaan. Er moeten zwaarwegende omstandigheden zijn wil een belangenafweging in het nadeel uitpakken van een partij die op dergelijke wijze wordt benadeeld als gevolg van het treffen van onmiddellijke voorzieningen. In de motivering van de ondernemingskamer moet dat tot uitdrukking komen, zo blijkt reeds uit de Skygate-beschikking.4