Nemo tenetur in belastingzaken
Einde inhoudsopgave
Nemo tenetur in belastingzaken (FM nr. 150) 2017/3.5.1:3.5.1 Relatief karakter
Nemo tenetur in belastingzaken (FM nr. 150) 2017/3.5.1
3.5.1 Relatief karakter
Documentgegevens:
Mr. L.C.A. Wijsman, datum 27-11-2016
- Datum
27-11-2016
- Auteur
Mr. L.C.A. Wijsman
- JCDI
JCDI:ADS483381:1
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
EHRM 17 januari 1970 (Delcourt t. België), § 25. Vgl. nadien EHRM 26 oktober 1984 (De Cubber t. België), § 30 en EHRM 25 maart 1998 (Belziuk t. Polen), § 37.
EHRM 2 juli 2002 (S.N. t. Zweden), § 47.
EHRM 29 juni 2007 (O’Halloran en Francis t. Verenigd Koninkrijk), § 37.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het recht op behoorlijk proces in art. 6 EVRM heeft een zodanig prominente plaats binnen een democratische samenleving dat een restrictieve uitleg van art. 6 volgens het EHRM niet zou overeenstemmen met doel en strekking daarvan.1 Dit betekent niet dat verdragsstaten in de nationale strafprocedure geen beperkingen zouden mogen aanbrengen op de in art. 6 vastgelegde of belichaamde rechten. Een behoorlijk strafproces vereist met andere woorden niet dat alle verdedigingsrechten in volle omvang worden gerespecteerd.2
In de zaak Fitt stuit de kennisneming door de verdediging van bewijsmiddelen bijvoorbeeld af op het publieke belang bij het niet kenbaar maken daarvan3 en in de zaak S.N. staat het toe dat de verdediging geen getuigen mocht ondervragen.4 In de gevoegde zaken O’Halloran en Francis aanvaardt het Hof een beperking van het in art. 6 belichaamde zwijgrecht vanwege het publieke belang bij de handhaving van de verkeerswet.5