Einde inhoudsopgave
Nemo tenetur in belastingzaken (FM nr. 150) 2017/10.4.3.2.2
10.4.3.2.2 Sporen van bewijsuitsluiting in Straatsburgse nemo tenetur-rechtspraak
Mr. L.C.A. Wijsman, datum 27-11-2016
- Datum
27-11-2016
- Auteur
Mr. L.C.A. Wijsman
- JCDI
JCDI:ADS499522:1
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
EHRM 17 december 1996 (Saunders t. Verenigd Koninkrijk),BNB 1997/254 (m.nt. Feteris); NJ 1997, 699 (m.nt. Knigge), § 63 en 74.
EHRM 12 mei 2000 (Khan t. Verenigd Koninkrijk), NJ 2002, 180 (m.nt. Schalken), § 38-40.
EHRM 21 december 2000 (Heaney en McGuinness t. Ierland), § 53–54.
§ 51.
EHRM 21 december 2000 (Quinn t. Ierland), § 52-53.
§ 54.
EHRM 21 april 2009 (Marttinen t. Finland), NJ 2009, 557 (m.nt. Schalken); FED 2009/69 (m.nt. Thomas), § 72 (cursivering toegevoegd).
Dit kan worden uitgelegd als een uitnodiging aan de verdragsstaten om zich – zo mogelijk – hierop voor het Hof te beroepen.
EHRM 15 oktober 2009 (Kuralić t. Kroatië), § 45.
Wel overweegt het Hof in het kader van de klacht over schending van art. 3 dat er onvoldoende bewijs is om de door klager gestelde onmenselijke behandeling door de politie te staven (§ 36). Ervoor stelt het vast dat hij was gewezen op het zwijgrecht en het recht op bijstand door een advocaat (§ 7).
Dit impliceert dat de verdachte bij toereikende bewijsuitsluiting, zijn medewerking niet langer kan weigeren met een beroep op het recht tegen gedwongen zelfbelasting.
EHRM 5 april 2012 (Chambaz t. Zwitserland), AB 2012/323 (m.nt. Barkhuysen en Van Emmerik); EHRC 2012/135 (m.nt. Niessen).
§ 56.
EHRM 9 juli 2015, nr. 784/14 (Van Weerelt t. Nederland) (ontv.besl.), V-N 2015/38.5, § 62 (cursivering toegevoegd). Het arrest van de HR van 12 juli 2013,BNB 2014/101 (m.nt. Van Eijsden), komt ter sprake in § 16.4.2 en § 17.6.2.4 hierna.
De klacht betrof enkel de civiele (kortgeding)procedures waarin de voor de belastingheffing benodigde informatie onder last van een dwangsom werd gevorderd; zie § 2.15 hiervoor.
Zie nader § 17.6.2.6 hierna.
Een eerste spoor van de compenserende werking van bewijsuitsluiting kan worden gelezen in het arrest in de zaak Saunders. De waarborgnormen die de Engelse regering had aangevoerd ter verdediging van haar standpunt dat klagers recht tegen gedwongen zelfbelasting niet was geschonden, beletten volgens het EHRM niet dat de afgedwongen verklaringen op belastende wijze tegen hem zouden worden gebruikt.1 Enkele jaren later wijst het Hof in de zaak Khan op de discretionaire bevoegdheid van de Engelse nationale rechter om het gebruik van de van klager verkregen verklaringen uit te sluiten. Deze bevoegdheid droeg eraan bij dat het gebruik van de heimelijk opgenomen verklaringen in het onderwerpelijke geval niet in strijd kwam met een behoorlijk strafproces.2
Kort erna gaat het Hof in Heaney en McGuinness in op de – ten tijde van het verhoor van de klagers bestaande – onzekerheid over de toelaatbaarheid van de verklaringen die de politie met een beroep op art. 52 van de State Act 1939 van hen probeerde af te dwingen.3 Die onzekerheid maakt volgens het Hof dat de door de Ierse regering gestelde bewijsuitsluitingsregel niet bijdraagt aan het herstel van de essentie van het recht van klagers om te zwijgen en zichzelf niet te hoeven belasten. Genoemde onzekerheid verandert namelijk niet de keuze die aan klagers werd opgelegd door art. 52 tussen (belastend) verklaren of bestraffing met ten hoogste zes maanden gevangenisstraf.4
De met Heaney en McGuinness verwante zaak Quinn sluit hierop aan.5 Hierin overweegt het Hof aanvullend dat de bijstand van een advocaat de situatie evenmin kon doen kantelen. De advocaat was niet aanwezig geweest bij het verhoor van klager. Die had de keuze tussen enerzijds zwijgen en daarvoor worden bestraft en anderzijds afzien van zijn zwijgrecht en (dus) het verstrekken van informatie aan agenten die ernstige strafbare feiten onderzochten.6
In de zaak Marttinen overweegt het Hof schijnbaar ten overvloede dat de Finse regering niet had gewezen op nationale rechtspraak ‘which would have authoritatively excluded the later admission in evidence against the applicant of any statements made by him in the enforcement inquiry’.7 Hierbij legt het een opnieuw een relatie met de keuze die de klager werd opgelegd om de gevorderde (belastende) informatie te verstrekken of te worden bestraft met een geldboete wanneer hij dat zou weigeren.8
Zie ook de zaak Kuralić. Daarin had de nationale rechter de verklaringen die de klager tegenover de politie had afgelegd van het bewijs uitgesloten. Deze verklaringen speelden ook overigens geen rol in de strafprocedure tegen hem. Het Hof ziet dan ook geen aanleiding om de gang van zaken tijdens het politieverhoor te toetsen aan art. 6.9 Het legt hierbij weliswaar geen relatie met de op de klager uitgeoefende dwang tot zelfbelasting10, maar het arrest lijkt te bevestigen dat de uitsluiting van de van een persoon afgedwongen verklaringen als bewijs voor de criminal charge, impliceert dat het zwijgrecht voldoende wordt bewaakt. Is dit het geval, dan is een ‘toetsing’ van een met sancties bedreigde antwoordplicht aan art. 6 kennelijk niet (langer) aan de orde.11
In de zaak Chambaz oordeelt het Hof dat sprake is van schending van art. 6 EVRM als niet is uitgesloten dat verstrekte informatie als bewijs wordt gebruikt voor de boeteoplegging.12 Het wijst erop dat de Zwitserse nationale wetgeving met ingang van 2008 voorziet in een regeling op grond waarvan inlichtingen die tijdens een zuiver fiscale procedure worden verstrekt, niet zullen worden gebruikt tijdens het onderzoek wegens belastingontduiking.13 Omdat die wetgeving niet op de onderwerpelijke klacht ziet (want van later datum), laat het in het midden of die regeling toereikend is. Deze zaak bevestigt mijns inziens dat, als de ‘person charged’ van overheidswege wordt gedwongen om kort gezegd (potentieel) zelfbelastende verklaringen af te leggen, uitsluiting van die verklaringen voor het bewijs van de criminal charge – als ondergrens – volstaat om het EVRM-zwijgrecht te waarborgen.
Ik wijs tot besluit op de zaak VanWeerelt, betreffende informatievorderingen van de Nederlandse staat in een civiele kortgedingprocedure tegen de klager, nadat de inspecteur vanwege dreigende termijnoverschrijding aanslagen en (fiscale) vergrijpboetes aan hem had opgelegd. Daarin overweegt het Hof dat de civiele kamer van de HR door het verbinden van een (gebruiks)restrictie aan de verstrekking door de klager van wilsafhankelijk materiaal onder dreiging van een dwangsom, ‘acted pre-emptively to prevent the misuse of this information for the purpose of determining a “criminal charge” against the applicant.’14 Omdat het Hof vervolgt dat ‘[i]n any case, there has as yet been no final determination of any “criminal charge” against the applicant, whether by way of tax fines or criminal prosecution’15, lijkt ook herstel van een inbreuk op het recht tegen gedwongen zelfbelasting in de latere boete- of strafprocedure (door bewijsuitsluiting) te volstaan om dit recht te waarborgen.16