Einde inhoudsopgave
Aanvullen van subjectieve rechten (O&R nr. 109) 2019/14.4.3.4
14.4.3.4 Conclusie
mr. drs. T.E. Booms, datum 01-01-2019
- Datum
01-01-2019
- Auteur
mr. drs. T.E. Booms
- JCDI
JCDI:ADS301697:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Rongen 2012, p. 1288 lijkt de strekkingsopvatting te beschrijven wanneer hij het uitstrekken van het actieve pandrecht over het passieve zekerheidsrecht verklaart vanuit de ‘volgaccessoriëteit’ die ook in artikel 3:82 BW tot uiting komt en welk principe ertoe leidt dat afhankelijke rechten de rechtstoestand volgen van het recht waarvan zij afhankelijk zijn. Hij leidt hieruit af dat de actief gerechtigde “binnen de grenzen van zijn recht” de bevoegdheid toekomt gebruik te maken van het afhankelijke recht. Heyman 1992, p. 346 gaat er – zij het onder de overdrachtsopvatting – van uit dat de actief beperkt gerechtigde gebruik kan maken van het passieve beperkte recht voor zover dat samenhangt met de bevoegdheden die hij uit hoofde van het actieve beperkte recht verkrijgt.
627. Het uitoefenen van andermans afhankelijke zekerheidsrecht vereist twee stappen. Ten eerste is het nodig dat er een rechtvaardiging bestaat voor het kunnen uitoefenen van het afhankelijke zekerheidsrecht door een ander dan de rechthebbende van het hoofdrecht. Deze rechtvaardiging kan erin gelegen zijn dat iemand direct de bevoegdheid krijgt om het afhankelijke zekerheidsrecht uit te oefenen, omdat deze hem wordt toegekend door de wet (de curator uit randnummer 622) of een overeenkomst (de lasthebber uit randnummer 623). Ook kan de rechtvaardiging erin zijn gelegen dat een recht dat deze ander kan doen gelden op het hoofdrecht van het afhankelijke zekerheidsrecht zich over het afhankelijke zekerheidsrecht uitstrekt (de beperkt gerechtigde en beslaglegger uit randnummer 624). Pas zodra er een rechtvaardiging bestaat voor het uitoefenen van een afhankelijk zekerheidsrecht door een ander dan de rechthebbende van de vordering die door het afhankelijke zekerheidsrecht gesecureerd wordt, kan worden toegekomen aan de tweede stap. Deze tweede stap bestaat erin te beoordelen aan wie de bevoegdheid om het afhankelijke zekerheidsrecht uit te oefenen op een concreet moment toekomt; de rechthebbende van de gesecureerde vordering of degene die daar door wet, overeenkomst, beperkt recht of beslag een aanspraak op heeft verkregen. Het antwoord op deze vraag wordt gevonden door te bekijken wie bevoegd is om de gesecureerde vordering te innen.
628. De reikwijdte van de bevoegdheden die door een ander dan de rechthebbende van de gesecureerde vordering ten aanzien van het afhankelijke zekerheidsrecht kunnen worden uitgeoefend, zijn tweevoudig begrensd. Ten eerste kan deze ander aan het afhankelijke zekerheidsrecht niet méér bevoegdheden ontlenen dan de rechthebbende van de gesecureerde vordering. Ten tweede kan ook aan de rechtvaardiging voor het kunnen uitoefenen van het afhankelijke zekerheidsrecht een beperking zijn verbonden.1 Zo kan iemand die bij overeenkomst bevoegd wordt gemaakt om het afhankelijke zekerheidsrecht (samen met de gesecureerde vordering) uit te oefenen bijvoorbeeld aan voorwaarden worden gebonden, of kan een pandhouder van de gesecureerde vordering met de pandgever een inningsarrangement zijn overeengekomen.