Einde inhoudsopgave
Aanvullen van subjectieve rechten (O&R nr. 109) 2019/5.3.3
5.3.3 Het bepalen van in aanmerking komende schaarse middelen
mr. drs. T.E. Booms, datum 01-01-2019
- Datum
01-01-2019
- Auteur
mr. drs. T.E. Booms
- JCDI
JCDI:ADS303995:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie Campbell 1992, p. 89: “Perhaps legal doctrine is simply not precise enough to decide the point.”
Zie in deze zin Douglas & McFarlane 2013, p. 239.
Zie in deze zin Demsetz 1967, p. 347; Penner 1996, p. 802; Penner 1997, p. 112; Smith 2015, p. 2057.
Zie de bespreking door Smith 2014, p. 118, die de vraag of anderen van een rechtsobject kunnen worden uitgesloten tegelijkertijd als voorvereiste én als gevolg ziet van het aanwijzen van een rechtsobject.
Zie in deze zin Penner 1996, p. 802; Chang & Smith 2012, p. 35.
Zie in deze zin Penner 1996, p. 809–811; Smith 2014, p. 106.
Zie in deze zin Penner 1996, p. 727; Smith 2014, p. 118.
Zie in deze zin Penner 1997, p. 106: “This proliferation of different kinds of property object (corporeal/incorporeal) is one of the main reasons why jurists have despaired of giving a precise definition of ownership.”
Zie bijvoorbeeld Penner 1996, p. 727; Smith 2014, p. 118.
Penner 1997, p. 114; Douglas & McFarlane 2013, p. 240.
Penner 1996, p. 802; Smith 2014, p. 106. Zie voor de mogelijkheid van inbreuk maken op een vorderingsrecht Penner 1996, p. 808–809. Een specifieke categorie van objecten waarop inbreuk gemaakt kan worden bestaat uit intellectuele eigendomsrechten; de mogelijkheid tot inbreuk maken volgt in dit geval uit de bescherming tegen nabootsing die het objectieve recht verleent; zie Smith 2007, p. 1755; Davidson 2008, p. 1659.
Booms 2019, p. [10].
Het meest in de buurt komt Munzer 2011, p. 268: “intangible property is better articulated as clusters of normative modalities as unpacked by some bundle theories of property rather than solely a right to exclude.”
Zie bijvoorbeeld Chang & Smith 2012, p. 31, die letterlijk de vraag “What is a thing?” stellen, om hem vervolgens niet te beantwoorden. Zie ook de kritiek die Munzer 2011, p. 268 op dit punt uit aan het adres van Merrill en Smith.
177. In de (Anglo-) Amerikaanse literatuur bestaat geen overeenstemming over de vraag welke schaarse middelen in aanmerking komen om een rechtsobject te vormen.1 Aan de ene kant van het spectrum staan auteurs die menen dat enkel fysieke schaarse middelen samen een rechtsobject kunnen vormen.2 Het voordeel van deze aanpak is dat deze eenvoudig te hanteren is; het nadeel is dat veel schaarse middelen die economische waarde hebben (zoals vorderingen tot het verrichten van een prestatie) binnen deze aanpak geen object van een goederenrechtelijk recht kunnen zijn. Aan de andere kant van het spectrum staan auteurs die menen dat ook niet-fysieke schaarse middelen onderdeel kunnen zijn van een rechtsobject.3 Het voordeel van deze aanpak is dat er veel meer schaarse middelen mee ‘gevangen’ kunnen worden; een nadeel is dat het moeilijker is om te bepalen welke schaarse middelen wel of niet tot object van een goederenrechtelijk recht gemaakt kunnen worden. Men moet dan toevlucht nemen tot het gebruik van maatstaven die al snel aanleiding lijken te geven tot een cirkelredenering.4 Een voorbeeld van een maatstaf die wordt gebruikt om te bepalen of iets een schaars middel is dat onderdeel kan zijn van een rechtsobject, is of dat schaarse middel ook aan een andere persoon dan de huidige gerechtigde had kunnen toekomen (met andere worden: onafhankelijk bestaat van de persoon die ertoe gerechtigd is).5 Een vergelijkbaar criterium is de vraag of het mogelijk is voor derden om inbreuk op de schaarse middelen te maken.6
178. In beide zienswijzen kunnen rechtsobjecten bestaan uit fysieke schaarse middelen.7 Het grote verschil tussen de twee zienswijzen is gelegen in de vraag of niet-fysieke schaarse middelen samen een rechtsobject kunnen vormen.8 Omdat om verschillende redenen in de (Anglo-) Amerikaanse literatuur de nadruk wordt gelegd op de vraag of derden inbreuk kunnen maken op het rechtsobject, ligt de opvatting dat rechtsobjecten dingen zijn die voor derden zichtbaar zijn voor de hand (zie randnummer 162 en meer uitgebreid randnummer 180).9 Rechtsobjecten die bestaan uit niet-fysieke schaarse middelen vragen wat dat betreft meer van het voorstellingsvermogen.10 De belangrijkste voorbeelden van niet-fysieke schaarse middelen die aan de genoemde criteria voldoen – gedepersonaliseerd en vatbaar voor inbreuk – vormen prestaties om een geldbedrag te betalen.11
179. De moeilijkheid waar de auteurs in deze discussie mee worstelen, is volgens mij dat alle niet-fysieke schaarse middelen in feite juridische posities zijn.12 Zo bestaat een vorderingsrecht tot betaling van een geldsom uit meerdere ‘claims’ en ‘powers’. De vraag is dan of deze juridische posities (of de subjectieve rechten waar zij onderdeel van uitmaken) vatbaar zijn om tot rechtsobject voor andere juridische posities gemaakt te worden. Ik heb niet kunnen terugvinden dat er vanuit dit perspectief wordt gekeken naar de vraag wat precies onderdeel van een rechtsobject kan uitmaken.13 De meeste (Anglo-) Amerikaanse auteurs spreken zich überhaupt niet expliciet uit over de vraag wat precies onderdeel van een rechtsobject kan uitmaken.14