De woon- en vestigingsplaats in de BTW
Einde inhoudsopgave
De woon- en vestigingsplaats in de BTW (FM nr. 137) 2011/3.3.2.4:3.3.2.4 De soevereiniteitstheorie
Archief
De woon- en vestigingsplaats in de BTW (FM nr. 137) 2011/3.3.2.4
3.3.2.4 De soevereiniteitstheorie
Documentgegevens:
Mr. dr. M.M.W.D. Merkx, datum 10-05-2011
- Datum
10-05-2011
- Auteur
Mr. dr. M.M.W.D. Merkx
- JCDI
JCDI:ADS392823:1
- Vakgebied(en)
Omzetbelasting (V)
Omzetbelasting / Algemeen
Internationaal belastingrecht / Heffingsbevoegdheid
Internationaal belastingrecht / Voorkoming van dubbele belasting
Omzetbelasting / Plaats van levering en dienst
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Een vierde en laatste theorie wordt aangeduid als de soevereiniteitstheorie. In tegenstelling tot de contracttheorie zoekt deze theorie niet naar een verklaring voor het bestaan van een staat. De theorie neemt de staat als een gegeven, een logisch voortvloeisel uit de samenleving. De staat heeft het primaire recht, maar ook de primaire verplichting om zijn eigen voortbestaan te verzekeren. Hieruit vloeit het recht om belasting te heffen voort.1 De staat heeft de vrijheid om binnen een juridisch raamwerk zijn eigen heffingsrechten vast te stellen. Het uitvaardigen van rechtsregels vindt steeds plaats op basis van een hogere wet en de hogere wet is gebaseerd op beginselen die ten grondslag liggen aan de samenleving.2 De gedachte dat een burger die voordeel heeft van overheidsvoorzieningen ook aan de overheidsuitgaven moet bijdragen, vormt mijns inziens één van deze beginselen. Aanhangers van de soevereiniteitstheorie (en bijgevolg tegenstanders van de theorie van fysieke macht) stellen dat het heffingsbereik van de staat niet zover strekt dat deze ieder rechtssubject dat binnen het bereik van de staat komt in de heffing kan betrekken. Heffing is pas mogelijk indien er een zekere band is tussen het rechtssubject en de staat. Deze band kan zijn gebaseerd op verschillende omstandigheden, waaronder: nationaliteit, woonplaats, recht waarnaar een vennootschap is opgericht, plaats waar de leiding van een vennootschap wordt gevoerd of het hebben van bezit in dit land.3 Zoals hiervoor beschreven kan een theorie van fysieke macht die uitgaat van de gedachte dat een staat naar eigen believen heffingsrechten kan opleggen aan diegene die zich binnen zijn heffingsbereik bevindt mijns inziens niet worden aanvaard in een moderne samenleving als de onze. Het vaststellen van heffingsrechten op basis van de contracttheorie of vergoedingstheorie enerzijds of de soevereiniteitstheorie anderzijds zullen naar mijn mening niet mijlenver uit elkaar liggen. Aangenomen moet immers worden dat naarmate iemand een sterkere band heeft met een staat, hij ook meer voordelen heeft van de voorzieningen die deze staat verstrekt. In tegenstelling tot de contract- of vergoedingstheorie zal de oevereiniteitstheorie echter niet die rechtssubjecten in de heffing betrekken die weliswaar een voordeel hebben uit de voorzieningen van de staat, maar die een onvoldoende sterke band hebben met de staat.