Einde inhoudsopgave
De (bijzondere) positie van onteigenings- en nadeelcompensatiedeskundigen (SteR nr. 58) 2023/7.3.1
7.3.1 De opkomst en het ontstaan van deskundigenregisters in Nederland
S. Schuite, datum 10-04-2023
- Datum
10-04-2023
- Auteur
S. Schuite
- JCDI
JCDI:ADS701995:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Van Dijk, NTBR 2007/61; Van Dijk, EeR 2009/6, p. 136.
Uitzonderingen: Tzankova, TVP 2003/4; Crombag, NJB 2000, p. 1659-1665.
Zie voor België en Frankrijk: Tzankova & Weterings 2003. Zie voor het Verenigd Koninkrijk: Tzankova, TVP 2003/4.
Bijvoorbeeld de Schiedammer parkmoord, de Puttense moordzaak en Lucia de B. Voor een overzicht zie: Hoving 2017, p. 15-16. Zie ook: Giard, EeR 2014/3.
Slijk & Husson, EeR 2008/6, p. 191-193.
Giard, EeR 2014/3, p. 91.
In dit proefschrift daarover § 5.3 en § 6.3.4.1. Zie uitgebreid: Hoving 2017, p. 53 en 89-95.
In § 6.3.2 werd reeds aangestipt dat er in Nederland sinds een kleine vijf-tien jaar ervaring wordt opgedaan met deskundigenregisters. Vóór 2007 ontbrak in Nederland echter iedere vorm van registratie. Deskundigen werden door partijen aangedragen of zelfstandig door de rechter benoemd zonder dat de rechter goed kon beoordelen of de deskundige kwalitatief aan de maat was en of deze de meest geschikte persoon was om in het voorliggende geval te adviseren.1 Daar bestond destijds in de literatuur ook weinig aandacht voor.2 Dat gebrek aan aandacht is opvallend omdat er in de ons omringende landen ook toen al succesvol ervaring werd opgedaan met deskundigenregisters.3 Een steeds specialistischer en complexer wordende samenleving tezamen met een aantal beruchte gerechtelijke dwalingen waarbij deskundigen betrokken waren,4 maakte de roep om controle en kwaliteitsborging groter. Bovendien bleek dat deskundigen vaak niet goed uit de voeten konden met het relevante procesrecht en het juridisch jargon. De juridische procesgang en de wetenschapsbeoefening bleken dikwijls ver van elkaar verwijderd. Dat leidde soms tot vertraging in de afdoening van het geschil en tot onnodige kosten (de deskundige moest nader worden bevraagd of zelfs worden vervangen), maar soms ook tot onjuiste beslissingen, omdat het rechterlijk oordeel in belangrijke mate is gebaseerd op het deskundigenrapport.5 Met dat in het achterhoofd steeg ook de vraag naar deskundigen met kennis van het juridische proces. Deze obstakels werden meer en meer opgemerkt door de praktijk. Zo ook door de rechtbankdeskundigen zelf. Zij verenigden zich in de Studiekring Deskundigen en Rechtspleging (SDR). De SDR ging met de verschillende stakeholders van het deskundigenbericht in gesprek over de rol en positie van deskundigen in de juridische procesgang. De SDR initieerde daarmee – in samenwerking met de Raad voor de rechtspraak – zowel de postacademische specialisatieopleiding tot gerechtelijk deskundige in Leiden als de Nederlandse registeropbouw.6
De registeropbouw heeft zich in Nederland vervolgens langs twee onderscheidenlijke routes ontwikkeld. De eerste route is de publiekrechtelijke route waarlangs het strafrechtregister NRGD is vormgegeven.7 Het NRGD is wettelijk verankerd in art. 51k lid 1 Sv en nader geregeld in het Besluit register deskundige in strafzaken. Voor deskundigen in bestuurszaken en civiele zaken bestaat er daarentegen (nog) geen publiekrechtelijk geregeld register. Voor hen zijn er verschillende privaatrechtelijke initiatieven in zwang. De registers die in beeld komen voor de schadedeskundigen zijn Deskundigenindex Dix, Register DOBS en het Landelijk Register van Gerechtelijke Deskundigen (LRGD).