Einde inhoudsopgave
Open normen in het Europees consumentenrecht (R&P nr. CR4) 2011/5.3.4
5.3.4 Waarborgen voor de eenvormige uitleg en consistente toepassing van de open norm
mr.drs. C.M.D.S. Pavillon, datum 31-08-2011
- Datum
31-08-2011
- Auteur
mr.drs. C.M.D.S. Pavillon
- JCDI
JCDI:ADS492449:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Het later schrappen van Sch. 2 (de verwijzing naar ov. 16 considerans) is betreurd omdat de rechter hier onder de UTCCR 1994 duidelijk op leunde: Bright 2000, p. 349, met verwijzing naar Falco Finance Ltd/Gough [1999] CCLR p. 16 waarin Sch. 2(a) en (b) als gezichtspunten zijn gehanteerd. De gezichtspunten worden onder de UTCRR 1999 echter nog steeds gebruikt door de grote invloed van de UCTA 1977: vgl. Scheps/Fine Art Logistic Ltd [2007] EWHC 541 (QB).
Niglia 2004, passim.
Dat in de rechtspraak wordt benadrukt: Bright 2000, p. 349, met verwijzing naar: Zealander and Zealander/ Laing Homes [1999] CILL 1510.
Het `adjudication'-beding uit de JCT98 Minor Works form werd in de Lovell/Legg-zaak o.g.v. onder q niet inhoudelijk verstorend geacht omdat beide partijen voor arbitrage mochten kiezen (waarna de andere die procedure moet volgen) en de gang naar de rechter (uiteindelijk) niet werd afgesneden. In Picardi/Cuniberti belemmerde hetzelfde beding wel de 'right to take legai action' om. vanwege de hoge kosten die zijn gemoeid met arbitrage. Zie ook Pavillon 2007b, nr. 11 en 26.
Bryen/Boston [2005], to. 43.
Er is een gebrek aan precedenten `upon which to base the structuring and development of an assessment of fairness': Willett 2007, p. 46. Lang niet alle zaken bereiken de civiele rechter, waardoor de opbouw van een `comprehensive and rigorous jurisprudence' wordt belemmerd. Uitspraken van de County Courts blijven bovendien vaak onzichtbaar.
Willett 2007, p. 442.
Director General of Fair Trading/First National Bank plc [2001] 1 UKHL 52, waarover Twigg-Flesner 2006/ 07, p. 254 en Pavillon 2007b, nr. 9-10.
Pavillon 2007b, nr. 11.
Domsalla (t/a Domsalla Building Services)/Dyason [2007] EWHC 1174 (TCC), r.o. 92; Allen Wilson Shopfitters and Builders Ltd/Buckingham [2005] EWHC 1165 (TCC), r.o. 41-45.
Munkenbeck/Harold, r.o. 15.
Westminster Building Company Ltd/Beckingham [2004] EWHC 138 (TCC), r.o. 31.
Nebbia 2007, p. 163; Willett 2007, p. 174.
De eerste versie dateert uit februari 2001. De laatste versie van september 2008.
OFT 2008b, p. 9-11.
De bedingen worden in de Guidance gerangschikt naar de in de lijst bij de richtlijn opgenomen typen bedingen.
Uitzondering vormt Peabody Trust/Reeve [2008] EWHC 1432 (Ch), no. 54-55.
Bright 2000, p. 342.
Bright 2000, p. 342.
Het overnemen van de richtlijntermen vergroot de zichtbaarheid van de Europese oorsprong van de regeling en vergemakkelijkt de richtlijnconforme uitleg ervan: Lord Steyn in DGFT/FNB [2001] 1 UKHL 52, r.o. 31.
Tridimas 2003, p. 38.
Lord Bingham in DGFT/FNB [2001], r.o. 25: 'I do not think that the issues raised in this appeal raise any question on which the House requires a ruling from the European Court of Justice to enable it to give judgment and 1 would not accordingly order a reference to be made.'
Zie o.a. Collins 2004, p. 20; Dean 2002, p. 776; Pavillon 2007b, nr. 21-22.
Lord Bingham in DGFT/FNB [2001], r.o. 17.
O.g.v. de Cilfit-uitspraak (HvJ EG 6 oktober 1982, nr. C-283/81, Jur. 1982, p. 3415(Cifit)) hadden de Lords een prejudiciële vraag moeten stellen. Van een nationale rechter wordt verwacht dat hij zich tot het HvJ richt met vragen over de uitleg van het EU-recht. Voor de laatste nationale instantie (zoals de House of Lords) bestaat bij uitlegvragen een plicht tot het indienen van een prejudicieel verzoek, tenzij er ter zake al rechtspraak voorhanden is (`acte éclairé') of ingeval de juiste uitlegging van het EU-recht evident is (`acte clair'). Zie ook Micklitz 2006, p. 478.
Lord Millett in DGFT/FNB [2001], r.o. 54: 'There can be no one single test of this. (...) The list is not necessarily exhaustive; other approaches may sometimes be more appropriate.'
Nebbia 2003, p. 991-993.
Office of Fair Trading/Abbey National plc and others [2009] UKSC 6 (hierna OFT/Abbey National [2009b]), r.o. 49, 91, 115 en 120.
Lord Steyn in DGFT/FNB [2001], r.o. 32.
Twigg-Flesner 2006/07, p. 235: 'On the whole, it is encouraging to see that the courts have accepted the European character of the Regulations, and have largely taken into account not only relevant case-law of the European Court of Justice, bul allo the situation in other jurisdictions.'
Office of Fair Trading/Abbey National plc and others [2009] EWCA Civ 116 (hierna OFT/Abbey National [2009a]), r.o. 32 (teneinde de ruime uitleg van het begrip kernbeding te onderbouwen).
Khatun/Newham LBC [2004] EWCA Civ 55 (QB). Zie ook Elvin 2005, p. 469-477.
Twigg-Flesner 2006/07, p. 243.
OFT/Abbey National [2009a], r.o. 33 en 59 e.v. Ook de uitleg van de begrippen 'professionele partij' en `kernbeding' geschiedde in het licht van de richtlijn en haar totstandkomingsdocumentatie. Dit neemt niet weg dat algemeen wordt aangenomen dat deze weinig informatie bevat: Bright 2000, p. 342 en 347.
Office of Fair Trading/Foxtons Ltd [2009] EWHC 1681 (Ch), r.o. 17 e.v.
Bryen and Langley Ltd/Boston [2004] EWHC 2450 (TCC), r.o. 35.
Standard Bank London Ltd/Apostolakis [2001] EWHC 493 (Commercial Court).
Loven Projects Ltd/Legg and Carver [2003] 1 BLR 452 e adjudication% r.o. 27 onder (2).
Willett 2007, p. 311.
283. De consistente uitleg van de open norm 'unfair' is niet alleen van belang voor de rechtszekerheid (nationaal perspectief) maar ook voor het bereiken van de minimale harmonisatiedoelstelling van de oneerlijkheidsnorm (Europees perspectief). Wat zijn in Engeland de waarborgen voor een meer consistente toepassing van de open norm op nationaal niveau en hoe wordt in Engeland bijgedragen aan een geharmoniseerde toepassing van de open norm op Europees niveau?
Effectieve waarborgen voor eenvormige uitleg en consistente toepassing op nationaal niveau
284. De eerste waarborg voor een consistente en voorspelbare toepassing van de open norm zijn de door de wetgever verschafte aangrijpingspunten. Te denken valt aan gezichtspunten of lijsten met verdachte bedingen. De richtlijn is vrijwel woordelijk omgezet en de toetsende instantie beschikt over de in art. 4 lid 1 richtlijn voorkomende gezichtspunten en aanvankelijk zelfs over die uit ov. 16 considerans.1 De lijst bedingen bij de richtlijn is in een schedule bij de UTCCR 1999 opgenomen.
De toepassing van de oneerlijkheidstoets als geheel wordt echter beschreven als `unbounded' en Viscretionary'.2 De gezichtspunten uit de richtlijn zijn open geformuleerd en niet-limitatief bedoeld. Het indicatieve en facultatieve karakter van de lijst stelt ook grenzen aan de door de lijst verschafte rechtszekerheid.3 In de rechtspraak wordt duidelijk dat de rechter dankbaar gebruikmaakt van zijn beoordelingsruimte. Bij de toetsing van arbitragebedingen in de zin van onder q Europese lijst staan de uitkomsten van die toetsing soms lijnrecht tegenover elkaar.4 Al naar gelang de omstandigheden is een `adjudication'-beding in een bouwovereenkomst op verschillende manieren beoordeeld: 'the tide on this question does not, (...), flow in only one direction' .5 De gemaakte afwegingen lopen uiteen. De rechter is vrij om de volgens hem van betekenis zijnde omstandigheden bij de toepassing van de oneerlijkheidstoets te betrekken.
285. De tweede waarborg vormt het precedentenstelsel. De precedentwerking wordt echter bemoeilijkt door de relatief geringe hoeveelheid uitspraken met betrekking tot de oneerlijkheidsnorm.6 Doordat de feiten in de beschikbare uitspraken kunnen verschillen is voorts niet snel duidelijk of een eerder getroffen oplossing zich leent voor een andere zaak.7 Daar komt bij dat de eerste en enige uitspraak van de Law Lords inzake de uitleg van de oneerlijkheidsnorm — Director General of Fair Trading/First National Bank — allesbehalve eenduidig is.8 In de lagere uitspraak die naar deze uitspraak verwijst, varieert de lezing van de aard en systematiek van de toetsing dan ook sterk.9
Wel onthult de manier waarop procedurele omstandigheden bij de toetsing van arbitragebedingen onderling worden afgewogen een paar constanten. Het onvoorspelbare karakter van de Engelse toets wordt bij dit type beding enigszins teruggedrongen door de precedentwerking.10 De vraag of de consument kennis heeft kunnen nemen van het beding (` informed consent') is doorgaans bepalend voor de aanwezigheid van de goede trouw.11 De omstandigheid dat de consument zich laat adviseren pakt daarentegen steeds uit in diens nadeel.12 Een verdere stroomlijning van de toetsing blijft uit. Ik betwijfel daarom dat de sturing door precedenten een voldoende waarborg vormt voor een consistente toepassing van de norm.
286. De derde waarborg voor meer coherentie op nationaal niveau is de door de toezichthouder verschafte sturing.13 De OFT heeft een algemene Guidance opgesteld die meerdere malen is geactualiseerd.14 Daarnaast heeft de OFT Guidances uitgevaardigd die betrekking hebben op oneerlijke bedingen in bepaalde typen contracten. Tot slot brengt de OFT regelmatig Bulletins uit waarin zij haar beslissingen schematisch (per type beding) uiteenzet. Deze documenten bieden veel informatie aan hen die algemene voorwaarden opstellen en aan consumenten. In de algemene Guidance doet de OFT ook zijn eigen toetsingssystematiek uit de doeken. 15 De OFT is het orgaan dat zich het meest over de Europese lijst heeft gebogen.16 De Guidances zijn echter niet bedoeld als aanbevelingen aan de rechter en rechters laten zich ook zelden inspireren door de documentatie van de toezichthouder.17 Het is duidelijk dat de rechter en uiteindelijk het HvJ het laatste woord hebben over de interpretatie van de normen en begrippen uit de richtlijn.18 De OFT trekt zich op zijn beurt weinig aan van de rechtspraak en vaart een eigen, onafhankelijke koers: de uitleg van de richtlijntoets door de OFT staat bekend als `pro-consumer' .19
Concluderend kan worden gesteld dat de eenvormige uitleg en consistente toepassing van de norm op nationaal niveau niet optimaal worden gewaarborgd.
Bijdrage aan een geëuropeaniseerde aanpak
287. Bij de zoektocht naar de manier waarop op nationaal niveau wordt bijgedragen aan een geharmoniseerde toepassing van de open norm op Europees niveau kan een onderscheid worden gemaakt tussen de rol van de omzettingswetgever en die van de rechter.
De omzettingswetgever heeft bij de omzetting van de richtlijn in de UTCCR 1994 zo getrouw mogelijk de bepalingen uit de richtlijn overgenomen (door toepassing van de `copy-out'-techniek). Van de letterlijke overname van de richtlijn wordt aangenomen dat het de harmonisatie vergemakkelijkt,20 ware het niet dat de 'Europese' betekenis van de letterlijk overgenomen open norm en gezichtspunten niet vaststaat. Het overnemen van de gezichtspunten uit ov. 16 considerans diende juist de aansluiting bij het nationale recht. Het overnemen van de illustratieve lijst heeft veel invloed gehad op de preventieve toetsing door de OFT. De lijst heeft als gezegd echter geen uniformerende werking op de rechtspraak.
288. De Engelse rechter staat bekend om zijn terughoudendheid ten aanzien van het instellen van prejudiciële procedures.21 Er is met betrekking tot de eerdergenoemde DGFT/FNB-uitspraak van de House of Lords (thans Supreme Court) veel geschreven over de beslissing van de Law Lords om geen prejudiciële vraag aan het HvJ te stellen over de uitleg van het goede trouw-beginsel uit art. 3 lid 1 richtlijn.22 Deze keuze heeft op zijn zachtst gezegd voor onbegrip gezorgd.23 De invullingen van de norm door de Law Lords lopen zodanig uiteen dat onderstaande overweging van Lord Bingham verbazing schetst:
'The member states have no common concept of faimess or good faith, and the directive does not purport to state the law of any single member state. It lays down a test to be applied, whatever their pre-eacisting law, by all member states. 1f the meaning of the test were doub01, or vulnerable to the possibility of differing interpretations in differing member states, it might be desirable or necessary to seek a ruling from the European Court of Justice on its interpretation. But the language used in expressing the test, so far as applicable in this case, is in my opinion clear and not reasonably capable of différing interpretations. 24
Er schuilt een zekere tegenspraak in deze overweging: wanneer de goede trouw naar verschillende rechtstradities verwijst en tevens een volwaardig onderdeel vormt van de Europese toets, valt dan redelijkerwijs te verwachten dat de nationale rechters tot een eenvormige uitleg en toepassing van die toets zullen komen? De criteria uit de oneerlijkheidstoets zijn bovendien verre van duidelijk.25 Lord Millett sluit niet uit dat de toets verschillende toepassingen kent en dat de hierbij betrokken gezichtspunten kunnen variëren.26 Beide Lords achten deze verscheidenheid echter verenigbaar met het harmonisatiedoel en zien hierin geen aanleiding om zich tot het HvJ te richten.
De houding van de Lords laat zich mogelijk verklaren door een zeker verzet tegen de harmonisatie van het contractenrecht en de allesbehalve neutrale bijdrage van het HvJ aan dit harmonisatieproces.27 Deze terughoudendheid werd bevestigd in de OFT/Abbey national-uitspraak waarin de uitleg van Reg. 6(2) ofwel art. 4 lid 2 richtlijn centraal stond (par. 5.4.4).28 Wederom werd er geen vraag gesteld, terwijl Europese sturing op dat punt ontbreekt.
289. Het hierboven geschetste beeld dient echter enigszins te worden gerelativeerd. Lord Steyn is de harmonisatie in de DGFT/FNB-uitspraak gunstiger gezind. Afstand nemen van het Engelse recht vormt volgens hem een voorwaarde voor de consistente toepassing van de rommelige, want uit compromissen, ontstane richtlijntekst. Hij stelt dat 'the concepts of the directive must be given autonomous meanings so that there will be uniform application of the directive so far as is possible' .29
De Engelse lagere rechter toont zich ook wel degelijk bereid het Engelse recht conform de richtlijn uit te leggen.30 Deze richtlijnconforme uitleg betreft echter vooral de toepasselijkheidsvoorwaarden van de richtlijn.31 De uitspraak inzake Khatun/Newham LBC van de Court of Appeal illustreert hoe de Engelse rechter rechtsvergelijking toepast omwille van een teleologische uitleg (` purposive construction') van de nationale wetgeving in het licht van de Richtlijn OB.32 In deze uitspraak werd de vraag opgeworpen of de UTCCR 1999 ook van toepassing waren op contracten met betrekking tot 'land'. Teneinde deze vraag te beantwoorden moest de Court of Appeal achterhalen of 'land' een 'goed' in de zin van de considerans (ov. 5 en 16) bij de richtlijn vormde. Een rechtsvergelijkende benadering in het licht van de consumentenbeschermende doelstelling van de richtlijn gaf de doorslag.33 De toepasselijkheid van de richtlijn op grondtransacties werd bevestigd door jurisprudentie afkomstig uit verschillende lidstaten.34
Bij de uitleg van de centrale open norm neemt de Europese gezindheid van de lagere rechter wel enigszins af. Bij de richtlijnconforme uitleg van het goede trouw-criterium zoekt hij vooral aansluiting bij ov. 16 considerans en de DGFT/ FNB-uitspraak.35 De aandacht in de lagere rechtspraak voor de in de Hofstetteruitspraak aan de nationale rechter verschafte beoordelingsruimte heeft juist als effect dat bij de invulling van de open norm de rechter zich veelal op het nationale recht richt. 36 Hoewel de rechter aandacht heeft voor de Océano-uitspraak en onder q Europese lijst,37 doorstaan arbitragebedingen ook de door de rechter naar eigen inzicht uitgeoefende toetsing aan de norm.38 De consumentenbeschermende doelstelling verschuift geregeld naar de achtergrond ten gunste van de Engelse freedom-oriented' aanpak, waarin de contractsvrijheid vooropstaat.39